2005/31 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

E.R.F. Kranenburg

tegen

de kunstredactie van NRC Handelsblad

Bij brief van 7 april 2005 met drie bijlagen heeft E.R.F. Kranenburg te Beekbergen (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de kunstredactie van NRC Handelsblad (hierna: verweerder). Hierop heeft F. Jensma, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 28 april 2005 met vier bijlagen. Klager heeft daarop nog gereageerd in een schrijven van 12 mei 2005.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 mei 2005 in aanwezigheid van klager, die zijn klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerder is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 31 maart 2005 is in NRC Handelsblad een artikel verschenen onder de kop “Rechtszaak Reve Museum”. In dat artikel wordt aandacht besteed aan een rechtszaak tussen klager en de heer P. van Winden (hierna: Van Winden) aangaande de collectie Reviana. Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
De voormalige sponsor van het Gerard Reve Museum, Erik Kranenburg, is aangeklaagd door antiquaar Piet van Winden. Van Winden, eigenaar van het Leidse antiquariaat Aioloz, eist een schadevergoeding van Kranenburg, omdat die laatste geweigerd zou hebben een toegezegd bedrag van honderdduizend euro te betalen voor de omvangrijke collectie Reviana van verzamelaar Peter van Bergen.
Op 14 december 2003, de 80-ste verjaardag van Gerard Reve, maakte Kranenburg op een feestelijke bijeenkomst in Aioloz bekend dat zijn stichtingen Ecliptica en Eleusis de collectie die Van Bergen in dertig jaar bijeenbracht, zouden aankopen. (…) Uiteindelijk weigerde Kranenburg echter te betalen voor de collectie.

Voorts is in het artikel vermeld:
De eerste zitting van de rechtszaak van Van Winden tegen Kranenburg is op 12 april in de Zutphense rechtbank. Kranenburg heeft onder meer de Amsterdamse burgemeester Job Cohen en cultuurwethouder H. Belliot gedagvaard.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat het artikel onjuiste informatie bevat. Zo heeft hij nooit toegezegd honderdduizend euro of enig ander bedrag te betalen voor de collectie Reviana. Volgens hem heeft hij evenmin toegezegd dat de genoemde stichtingen de collectie zouden aankopen. Verder is hij ten onrechte aangeduid als ‘voormalig sponsor’ van het Gerard Reve Museum. Het was beter geweest als de term ‘geldschieter’ zou zijn gebruikt, aldus klager. Hij betoogt dat deze onjuistheden zeer schadelijk zijn voor zijn goede naam alsmede voor die van de stichtingen.
Overigens is ook de vermelding ‘zijn stichtingen’ onjuist, aangezien stichtingen rechtspersonen zijn en hij deze niet kan bezitten.
Aangezien hij de collectie nooit heeft gekocht en uitsluitend na een koopovereenkomst betaling in de rede ligt, behoefde de omstandigheid dat door hem niet is betaald dan ook geen vermelding in een artikel, en al helemaal niet op de kunstpagina, aldus klager.
Dit geldt volgens hem evenzeer voor de vermelding van datum en plaats van de rechtszitting en van de volledige namen van de partijen. Een dergelijke voorpublicatie hoort veeleer thuis op de binnenlandpagina. Klager vermoedt dat met de publicatie is beoogd meer journalisten en Aiolozbewonderaars in beweging te krijgen teneinde de rechtsgang te beïnvloeden. Daarbij wijst hij op de algemeen bekende goede relatie tussen Piet van Winden, Peter van Bergen en Kester Freriks, freelance kunstjournalist bij NRC Handelsblad. Het inmengen van een kunstredactie in een rechterlijk geschil op deze wijze is volgens klager in strijd met de goede journalistieke zeden en voorts beschadigend voor zijn goede naam. Wat betreft de rechtszitting merkt klager voorts op dat hij de Amsterdamse burgemeester Job Cohen en cultuurwethouder H. Belliot niet heeft gedagvaard, zodat het artikel ook in die zin onjuist is.
Volgens klager had verweerder voormelde onjuistheden kunnen voorkomen door middel van wederhoor. Dit heeft verweerder nagelaten, terwijl hij voldoende tijd had om het artikel voor de zittingsdatum te plaatsen én klager op zorgvuldige wijze te horen. Verweerder heeft evenwel nauwelijks pogingen daartoe ondernomen, maar slechts één ochtend geprobeerd klager te bereiken. Verweerder had evenwel ook kunnen faxen, een voicemail kunnen achterlaten of gebruik kunnen maken van het in het handelsregister vermelde adres van een bestuurslid van de stichtingen.
Wat betreft de stelling van verweerder in zijn reactie op het klaagschrift, dat reeds in eerdere artikelen over de gestelde aankoop is geschreven en klager daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, merkt klager op dat hij die publicaties niet kent. Bovendien suggereert verweerder ten onrechte dat publicaties als vaststaande feiten kunnen worden overgenomen als daartegen geen bezwaar is gemaakt. Verweerder heeft hem in elk geval niet gevraagd naar een reactie of bezwaar, hetgeen duidt op een passiviteit van de zijde van verweerder.
Bovendien betwist klager dat het artikel aangemerkt kan worden als ‘een vervolg op een bekende affaire’, aangezien eerdere publicaties niet specifiek de rechtszaak tussen hem en Van Winden tot onderwerp hadden maar het Gerard Reve Museum in het algemeen. Volgens klager had verweerder, in het geval dat het gewraakte artikel op eerdere publicaties was gebaseerd, in ieder geval zijn bronnen moeten vermelden, hetgeen hij niet heeft gedaan. Overigens wordt in een artikel van Freriks van 18 december 2003 juist een aantal stellingen uit het gewraakte artikel weerlegd, aldus klager.
Ten slotte wijst hij erop dat er verscheidene bandopnamen zijn gemaakt van de gesprekken op 14 december 2003 in Aioloz, waarop geen registratie is te vinden van zijn vermeende toezegging tot aankoop van de collectie Reviana. Volgens klager heeft Van Winden die toezegging verkondigd om zijn feestje ter ere van de verjaardag van Gerard Reve te redden. Volgens klager heeft hij drie dagen voor dat feest een gesprek gehad met Van Winden, die hem toen heeft gevraagd of hij de collectie namens de stichtingen Ecliptica en Eleusis wilde kopen. Daarop is hij evenwel niet ingegaan. Volgens klager is hij nooit begonnen over een eventuele aankoop van de collectie, ook niet toen die collectie een jaar eerder al eens toevalligerwijze ter sprake kwam tijdens een gesprek met Van Winden. Klager betwist niet dat hij een groot voorstander is van het initiatief een Gerard Reve Museum op te zetten, maar hij betoogt nooit te hebben toegezegd dat de collectie door hem dan wel de stichtingen zouden worden aangekocht ten behoeve van dat museum. Verder wijst klager op het doel van de stichtingen Ecliptica en Eleusis, te weten het organiseren van culturele evenementen op een economische onafhankelijke basis teneinde cultuur terug te brengen bij de mensen. Dit wordt mogelijk gemaakt door middel van anonieme schenkingen. De publiciteit wordt door de stichtingen derhalve niet gezocht en over een aankoop van een dergelijke collectie wordt zorgvuldig nagedacht. Met dit artikel komen de stichtingen niet alleen ongewenst in de publiciteit, maar ook nog eens op een zeer schadelijke wijze, aldus klager.
Hij concludeert dat aldus sprake is van onzorgvuldig journalistiek handelen.

Verweerder stelt dat in dit geval geen wederhoor toegepast hoefde te worden. Hij ziet het artikel niet als ‘ernstige’ kritiek waardoor plaatsing van het bericht op zichzelf zou hebben moeten wachten op wederhoor. Daarbij wijst hij op het belang van actuele en tijdige berichtgeving over ‘rechtszaken’ die justitiabelen tegen elkaar aanspannen. Bovendien heeft verweerder de ochtend van de publicatie wel geprobeerd in contact te komen met klager, maar op de telefoonnummers van de stichtingen was deze niet bereikbaar en voorts bleek klager op zijn privé-adres geen vaste telefoonaansluiting te hebben. Het contact is derhalve niet tot stand gekomen, maar het belang van de actualiteit verzette zich tegen het wachten met publiceren op dit contact, aldus verweerder
Voorts stelt hij dat het artikel grotendeels een opsomming bevat van reeds bekende feiten die al in 2003 in publicaties in de Volkskrant, NRC Handelsblad en het Leids universitair weekblad Mare zijn gemeld. Tegen deze publicaties heeft klager geen bezwaar gemaakt, aldus verweerder. De nieuwe informatie ziet slechts op de omstandigheden dat de stichtingen niet hebben betaald voor de collectie, dat Van Winden inmiddels een nieuwe (anonieme) koper heeft gevonden en voorts dat Van Winden een rechtszaak heeft aangespannen om een schadevergoeding te krijgen van klager. Deze nieuwe feiten zijn niet betwist, zodat wederhoor in zoverre ook niet tot een andere nieuwslead of nieuwskop zou hebben geleid. Publicatie van het bericht was dan ook op dat moment mogelijk en eventuele reacties zouden in een vervolgartikel opgenomen hebben kunnen worden. Verweerder stelt in dat verband dat wederhoor volgens de regels ook later mag worden gevraagd en uitgewerkt in een opvolgend bericht of reportage. Aangezien het gewraakte bericht een vervolg is in een bekende affaire, is het toelaatbaar om een eventuele reactie uit te stellen totdat er weer een nieuwsaanleiding is om over de kwestie te schrijven, aldus verweerder.
Hij betwist niet dat klager de collectie nimmer heeft aangekocht. De vraag of er daadwerkelijk sprake was van een koopovereenkomst is volgens verweerder niet relevant, maar betreft een zaak tussen Van Winden en klager. Verweerder is van mening dat klager evenwel wel de indruk heeft gewekt het Gerard Reve Museum te zullen sponsoren, door de aankoop van de collectie door de stichtingen aan te kondigen. Uit navraag bij collega-journalisten blijkt dat klager die beeldvorming in de media ook nooit heeft betwist, aldus verweerder. Hij wijst erop dat klager op 14 december 2003, de tachtigste verjaardag van Gerard Reve, in aanwezigheid van vele getuigen heeft gebeld met de partner van Gerard Reve, Joop Schafthuizen, en hem heeft verteld dat er met geld van de beide stichtingen een Gerard Reve Museum zou komen. Voorts maakte Van Winden op die bijeenkomst bekend dat de collectie voor honderdduizend euro in handen zou komen van beide stichtingen. De collectie zou in bruikleen worden gegeven aan het Gerard Reve Museum, zoals blijkt uit de hiervoor bedoelde eerdere publicaties. Over die publicaties heeft klager niet eerder geklaagd.
Wat betreft de stelling van klager dat de vermelding ‘zijn stichtingen’ onjuist is, merkt verweerder op dat daarmee wordt geduid op de band tussen klager en de stichtingen. Hij is voorzitter, de stichtingen staan geregistreerd op zijn woonadres en op de bijeenkomst vertegenwoordigde hij beide stichtingen.
De vermelding in het artikel dat klager Cohen en Belliot gedagvaard zou hebben is inmiddels deugdelijk gerectificeerd in NRC Handelsblad van 2 april 2005 en behoeft volgens verweerder niet langer onderdeel van het geschil te zijn.
Ten aanzien van de vermelding van de zittingsdatum en –plaats en de namen van de partijen merkt verweerder op dat het de krant vrij staat om deze openbare informatie te publiceren. Het vermoeden van klager dat deze publicatie tot doel heeft gehad de rechtsgang te beïnvloeden is onjuist en gebaseerd op zowel een onderschatting van de wijze waarop verweerder journalistiek bedrijft als een onjuiste taxatie van de verhoudingen tussen verweerder enerzijds en de heren Van Winden en Van Bergen anderzijds. Volgens verweerder was Van Winden zelfs ongelukkig met de publicatie over de rechtszaak en heeft Kester Freriks geen band met Van Bergen.
Samengevat stelt verweerder dat geen sprake is van onjuiste berichtgeving en dat het artikel is gebaseerd op eerdere publicaties, die door klager niet zijn betwist. Nu voorts door klager de indruk is gewekt dat de stichtingen de collectie zullen aankopen, is verweerder van mening dat het artikel ook zonder wederhoor gepubliceerd had mogen worden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
1. het artikel bevat feitelijke onjuistheden:
a. klager heeft J. Cohen noch H. Belliot gedagvaard;
b. ten onrechte wordt gesproken over ‘zijn stichtingen’;
c. klager is ten onrechte aangemerkt als sponsor van het Gerard Reve Museum;
d. klager heeft nooit aangekondigd dat de collectie Reviana door hem dan wel de stichtingen zou worden aangekocht;
e. ten onrechte is vermeld dat klager heeft geweigerd te betalen;
2. verweerder heeft ten onrechte nagelaten wederhoor bij klager toe te passen;
3. in het artikel zijn ten onrechte de exacte tijd en plaats van de rechtszitting alsmede de volledige namen van de partijen vermeld.

Ad 1a.
Wat betreft de vermelding in het artikel dat klager Job Cohen en cultuurwethouder H. Belliot zou hebben gedagvaard, merkt de Raad op dat verweerder deze onjuistheid inmiddels heeft toegegeven en een rectificatie daaromtrent heeft geplaatst. Daarmee is deze onjuistheid voldoende hersteld.

Ad 1b.
Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij met de aanduiding ‘zijn stichtingen’ heeft beoogd voor de lezer de band tussen klager en de stichtingen duidelijk te maken. Deze band heeft klager overigens ook niet betwist. Omdat verondersteld mag worden dat ook de lezer van het artikel duidelijk zal zijn dat met het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord beoogd is deze betrokkenheid en niet een eigendomsverhouding weer te geven, ziet de Raad geen aanleiding voor gegrondverklaring van dit onderdeel van de klacht.

Ad 1c., d. en e.
Naar het oordeel van de Raad heeft verweerder niet journalistiek ontoelaatbaar gehandeld door het woord ‘sponsor’ te gebruiken ter aanduiding van de relatie tussen klager en het Gerard Reve Museum.
Het artikel behelst een aankondiging van de behandeling van de rechtszaak tussen klager en Van Winden. Inzet van die rechtszaak is de vraag of klager een schadevergoeding aan Van Winden dient te voldoen, omdat hij de (vermeende) koopovereenkomst betreffende de collectie Reviana niet zou zijn nagekomen.
Volgens het vaste oordeel van de Raad is bij rechtbankverslagen niet ontoelaatbaar dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt (vgl. onder meer: X tegen De Peperbus, RvdJ 2003/32). Dit geldt evenzeer bij publicaties als de onderhavige, waarin een rechtszitting wordt aangekondigd.
Voor de in het artikel vermelde feiten is onder meer geput uit de dagvaarding met betrekking tot het geding tussen Van Winden en klager. Voor zover dit het geval is, wordt de lezing van de eisende partij (Van Winden) weergegeven. Het ware beter geweest indien dit in het artikel door verweerder duidelijker tot uitdrukking was gebracht dan uitsluitend door gebruik van het woord ‘zou’ in de eerste zin van de eerste alinea. Dat verweerder dat heeft nagelaten, is – gelet op de context van het hele artikel – niet zodanig ernstig dat hij daarmee grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Naar het oordeel van de Raad is voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk dat de rechter nog een uitspraak moet doen in het geschil tussen klager en Van Winden, en dat derhalve nog niet vaststaat dat klager aan Van Winden een schadevergoeding dient te voldoen.

Ad 2.
Gelet op feit dat de kwestie bij de daarbij betrokken partijen evident gevoelig ligt, acht de Raad het denkbaar dat verweerder klager in de gelegenheid zou hebben gesteld zijn kant van het verhaal te vertellen. Dat verweerder niet heeft gewacht met publiceren totdat hij de reactie van klager had vernomen, rechtvaardigt in dit geval echter niet de conclusie dat de klacht op dit punt gegrond is. Daarbij neemt de Raad enerzijds in aanmerking hetgeen hij hiervoor ad 1. heeft overwogen. Anderzijds heeft verweerder zich mede gebaseerd op informatie uit artikelen die reeds in 2003 in diverse kranten zijn gepubliceerd.
Volledigheidshalve overweegt de Raad dat in het kader van rechtbankverslaggeving de regel van hoor en wederhoor, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aan de orde is (vgl. onder meer X tegen Heesen, RvdJ 2005/22).

Ad 3.
Wat betreft de publicatie van gegevens over de rechtszitting overweegt de Raad dat het de redactie van een krant vrij staat dergelijke openbare informatie te publiceren, waarbij zij zelf mag bepalen op welke pagina die publicatie plaatsvindt.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 22 juni 2005 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. C.J.E.M. Joosten, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.