2005/30 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de Stichting Woningwinkel Zuid-Kennemerland

tegen

N. Bakker, S. Sietsma en de hoofdredacteur van Netwerk (EO)

Bij brief van 6 april 2005 met als bijlage een video-opname van de gewraakte uitzending heeft P.H. Kranendonk, directeur, namens de Stichting Woningwinkel Zuid-Kennemerland te Haarlem (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen N. Bakker, S. Sietsma en de hoofdredacteur van EO’s Netwerk (hierna: verweerders). Hierop heeft T. van der Hee, hoofdredacteur a.i., geantwoord in een brief van 18 mei 2005.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 mei 2005 in afwezigheid van partijen. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de video-opname van de gewraakte uitzending bekeken.

DE FEITEN

Op 22 maart 2005 is in het programma Netwerk een reportage uitgezonden over de situatie van de heer Schmitz, een Nederlander die woonachtig is in Thailand en door de tsunami van december 2004 is getroffen. Schmitz wenst terug te keren naar Nederland en zoekt daarom een woning in de gemeente Haarlem, waar hij een groot deel van zijn leven heeft gewoond. In de reportage wordt naar voren gebracht dat het Schmitz tot dan toe nog niet is gelukt een woning te vinden, ondanks vele contacten met verschillende instanties in Nederland. Wat betreft die contacten is in de reportage onder meer een opname van een telefoongesprek tussen Schmitz en een medewerkster van klaagster uitgezonden. In dat telefoongesprek verstrekt de medewerkster informatie aan Schmitz over de procedure die hij kan volgen tegen de beslissing van de gemeente Haarlem hem geen woonruimte ter beschikking te stellen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de medewerkster van de Woningwinkel niet op de hoogte is gesteld van het feit dat het telefoongesprek tussen haar en de heer Schmitz werd opgenomen en vervolgens zou worden uitgezonden. Het kan volgens klaagster niet zo zijn dat haar medewerkers, die regelmatig telefoongesprekken voeren zoals het gesprek met Schmitz, rekening moeten houden met de mogelijkheid dat een gesprek onaangekondigd wordt opgenomen en uitgezonden.
Klaagster betoogt dat verweerders jegens haar onbehoorlijk hebben gehandeld door zonder haar medeweten c.q. toestemming het telefoongesprek tussen haar medewerkster en Schmitz op te nemen en uit te zenden.

Verweerders stellen dat de opname van het telefoongesprek en de uitzending daarvan tot doel hadden een waarheidsgetrouw en realistisch beeld te geven van de vele contacten die de heer Schmitz heeft gehad met diverse instellingen over zijn verzoek om woonruimte. Vooral is beoogd een beeld te schetsen van zijn moedeloosheid naar aanleiding van de hindernissen die hij bij zijn zoektocht naar een woning tegenkomt.
Volgens verweerders kon een dergelijk waarheidsgetrouw en realistisch beeld alleen maar ontstaan door Schmitz zelf te laten bellen en de medewerker niet op de hoogte te brengen van de opname en mogelijke uitzending daarvan. Dit zou afbreuk hebben gedaan aan de authenticiteit van de reactie van zowel Schmitz als de medewerkster, aldus verweerders.
Zij wijzen erop dat van enige schending van privacy geen sprake is, nu in de uitzending de identiteit van de medewerkster van klaagster niet bekend is gemaakt. Bovendien wordt in het uitgezonden fragment alleen de mogelijk door Schmitz te volgen bezwaarprocedure uitgelegd. Het uitgezonden fragment bevat dus alleen feitelijke informatie en geen informatie die onevenredige schade toebrengt aan klaagster, aldus verweerders. Zij concluderen dat van een onbehoorlijke handelwijze geen sprake is.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is dat verweerders journalistiek onbehoorlijk hebben gehandeld door geen melding te maken van de opname en uitzending van het telefoongesprek tussen een medewerkster van klaagster en de heer Schmitz.

Eerder heeft de Raad overwogen dat een journalist die een telefoongesprek opneemt teneinde (delen van) die opname in een uitzending ten gehore te brengen, zijn gesprekspartner ervan op de hoogte dient te stellen dat en met welk doel hij die opname maakt, zulks behoudens bijzondere omstandigheden. (vgl. Lamaiz tegen NOVA, RvdJ 2005/21).

Voorts heeft de Raad herhaaldelijk overwogen dat een journalist degene over wie hij publiceert met ‘open vizier’ tegemoet behoort te treden, dat wil zeggen zijn hoedanigheid aan hem bekend te maken. Slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan rechtvaardiging bestaan voor het niet naleven van deze regel. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn gelegen in het maatschappelijk belang dat met een publicatie wordt gediend. Dit belang betreft niet alleen het aan de kaak stellen van misstanden, teneinde te bewerkstelligen dat zij onderzocht worden, doch tevens het informeren van het publiek over feiten en bijzondere omstandigheden die de ernst van een situatie scherper naar voren doen komen en die zonder de gevolgde werkwijze niet aan het licht gebracht zouden kunnen worden (vgl. onder meer: Jeekel tegen De Dordtenaar, RvdJ 2005/10). Dit geldt evenzeer wanneer een journalist degene over wie hij publiceert of uitzendt niet zelf benadert, maar wanneer een derde dit doet met de bedoeling hiervan voor een publicatie of uitzending gebruik te (laten) maken.

Verweerders stellen dat zij met de uitzending hebben beoogd aan de orde te stellen welke hindernissen de heer Schmitz tegenkomt bij het zoeken naar een woning. Vooral hebben zij, naar zij stellen, een beeld willen schetsen van de moedeloosheid die bij de heer Schmitz is ontstaan door zijn zoektocht. De Raad acht het niet onredelijk dat verweerders daarbij kennelijk van belang hebben geacht dat die moedeloosheid met name wordt veroorzaakt door de informatie die de heer Schmitz ontvangt van verschillende instellingen, waaruit kan worden opgemaakt dat het niet waarschijnlijk is dat de gewenste woning op korte termijn zal worden gevonden. Naar het oordeel van de Raad is het niet onaannemelijk dat verweerders deze hindernissen en het daarmee gepaard gaande gevoel van moedeloosheid van de heer Schmitz zonder toepassing van de gevolgde werkwijze niet op de door verweerders beoogde realistische en waarheidsgetrouwe wijze hadden kunnen weergeven.

Aldus is sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de makers van de reportage tijdens het telefoongesprek tussen de medewerkster van klaagster en de heer Schmitz aan die medewerkster niet bekend hebben gemaakt dat het gesprek zou worden opgenomen en uitgezonden. Bovendien is door de medewerkster van klaagster tijdens het telefoongesprek slechts feitelijke, openbare informatie naar voren gebracht over de mogelijk door de heer Schmitz te volgen procedure. Juist het verstrekken van die informatie, over onder meer de lengte van de procedure, was van belang voor het beoogde doel van de reportage. Voorts is niet gebleken dat het uitzenden van de informatieverstrekking op enige wijze schadelijk is geweest voor de belangen van klaagster.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door het telefoongesprek zonder medeweten c.q. toestemming van (de medewerkster van) klaagster op te nemen en uit te zenden.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders bijvoorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van Netwerk en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 juni 2005 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. C.J.E.M. Joosten, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.