2005/3 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X en Y  
 
tegen
 
J. Schaafsma (De Telegraaf)
 
Bij brief van 10 november 2004 met twee bijlagen hebben X en Y (klagers) een klacht ingediend tegen J. Schaafsma (verweerder). Hierop heeft Schaafsma geantwoord in een schrijven van 8 december 2004.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 december 2004 in aanwezigheid van klagers. Verweerder was niet aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 9 november 2004 is in De Telegraaf een artikel van de hand van verweerder verschenen onder de kop “Volkswoede beheerst Drents dorp”. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
Inwoners van het eens zo rustige Drentse dorpje Stuifzand zijn woedend. Sinds een vader en zijn zoon zich een jaar geleden vestigden in het 350 zielen tellende gehucht, is van de vredige sfeer niets meer over. Het tweetal is volgens inwoners een stel regelrechte kinderpesters. Bovendien zouden de dorpsvrouwen en hun kinderen onophoudelijk worden bestookt met scheldpartijen. Er is alom angst dat het niet bij dit verbaal geweld blijft en dat vader (X) en zoon (Y) binnenkort hun kinderen daadwerkelijk te lijf gaan
en
Het tweetal haalde eerder al de landelijke media, omdat ze met hun hondje Victor in de bus werden geweigerd. Het beest zou te erg stinken. Dorpsbewoners zijn de ‘Tokkies van Stuifzand’, zoals ze in de volksmond worden genoemd, inmiddels meer dan beu en namen al meerdere malen het heft in eigen hand. De tuin werd vernield, ruiten werden ingegooid, de muur met olie besmeurd en in de vijver belandde een stoeptegel.
en
De politie waarschuwt de twee eens goed in de spiegel te kijken. “Ze moeten ook maar eens nagaan of ze de problemen zelf veroorzaken, maar dat schijnen ze niet te kunnen. Het zijn altijd anderen die het hebben gedaan”, zegt politiewoordvoerder Ernest Zinsmeijer. “We hebben ze laten weten dat we alleen nog komen als er calamiteiten zijn. Voor de rest moeten ze maar aangifte komen doen op het bureau.”Woningcorporatie Actium zoekt inmiddels naarstig naar een oplossing. “Dit ligt heel gevoelig. We kijken nu met ze naar een alternatieve woonruimte”, zegt een woordvoerder van Actium. “Het loopt enorm uit de hand.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers zijn woonachtig in het dorp Stuifzand en stellen het slachtoffer te zijn geworden van pesterijen, bedreigingen en vernielingen. Op 4 augustus 2004 zijn zij bedreigd door een aantal dorpsgenoten en zijn er vernielingen aangericht rondom hun woning. De daders zijn door de politie opgepakt en op 25 oktober 2004 veroordeeld door de politierechter, aldus klagers. Klagers betogen dat verweerder op 25 oktober 2004 telefonisch contact heeft opgenomen in de veronderstelling dat klagers degenen waren die veroordeeld waren door de politierechter. Toen dat niet het geval bleek te zijn, beëindigde verweerder het gesprek, aldus klagers. Op 28 oktober 2004 benaderde verweerder hen opnieuw, ditmaal met de mededeling dat hij die dag in Stuifzand was geweest en dat hij een artikel aan het schrijven was over de overlast die klagers daar zouden veroorzaken. Verweerder wilde graag een foto van klagers voor publicatie bij dit artikel. Volgens klagers hebben zij hierop gezegd graag een afspraak te willen maken om hun kant van het verhaal kenbaar te maken. Dit aanbod werd door verweerder afgewezen, aldus klagers. Vervolgens hebben zij verweerder verzocht het artikel niet te plaatsen en hebben zij duidelijk gemaakt dat zij hem geen toestemming gaven om hun namen te vermelden. Evenmin zouden zij hem een foto verstrekken. In reactie daarop zou verweerder volgens klagers hebben gezegd zelf te bepalen wat hij in de krant ging zetten. Klagers hebben vervolgens de redactie van De Telegraaf gebeld en verzocht het artikel niet te plaatsen aangezien zij vreesden dat er veel onjuistheden in zouden komen te staan en zij hun kant van het verhaal niet hadden kunnen doen. Het artikel is echter toch geplaatst. Volgens klagers bevat het een groot aantal onjuistheden en heeft verweerder ten onrechte niet voldaan aan hun verzoek om hun namen niet te vermelden. Bovendien wordt in het artikel melding gemaakt van mogelijke verhuisplannen, een feit dat zij graag geheim hadden willen houden. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte onderzoek verricht naar hun verleden, aldus klagers. Klagers betogen verder dat zij door de berichtgeving in De Telegraaf in een zeer ongunstig daglicht zijn gesteld en daardoor in hun eer en goede naam zijn aangetast. Tevens zou verweerder een verzoek van de politie om het artikel niet te publiceren naast zich neer hebben gelegd. Verweerder heeft, aldus klagers, ten onrechte nagelaten wederhoor toe te passen waardoor hun versie van het verhaal niet of onvoldoende aan bod is gekomen.
 
Verweerder stelt dat er naar aanleiding van eerdere berichten over klagers brieven en telefoontjes zijn binnengekomen van buurtbewoners. Deze vertelden dat ze erg veel hinder ondervonden van klagers. Naar aanleiding van berichtgeving op RTV Drenthe en in het Dagblad van het Noorden over vernielingen in Stuifzand, heeft verweerder contact opgenomen met klagers. Hij was in de veronderstelling dat klagers waren veroordeeld voor deze vernielingen. Klagers maakten echter duidelijk dat niet zij maar twee buurtbewoners hiervoor waren veroordeeld. Daarnaast beweerden klagers dat zij herhaaldelijk met de dood werden bedreigd. Verweerder is naar Stuifzand gegaan om het probleem te onderzoeken. Aangezien klagers reeds bekend zijn bij de lezers van De Telegraaf vond verweerder het nieuwswaardig voor de lezers om een artikel te schrijven over de problemen in Stuifzand waarbij hij hun namen zou noemen. Insteek van het verhaal van verweerder was bewust niet: ‘kinderpesters terroriseren dorp’ of iets dergelijks, maar juist: ‘vrede in rustig dorp ver te zoeken’. Hiermee wilde verweerder de waarheid in het midden leggen. In Stuifzand trof verweerder klagers niet thuis aan. Wel trof hij enkele buurtbewoners die wilden vertellen wat er gebeurd was. Door hen werden harde beschuldigingen geuit aan het adres van klagers. Deze beschuldigingen heeft verweerder in zijn artikel overgenomen, maar worden door hem niet onderschreven. Tevens ontkent verweerder dat hij het op klagers zou hebben gemunt. Verweerder stelt de beschuldigingen aan het adres van klagers zo goed mogelijk te hebben onderzocht. In dit kader heeft hij ook navraag gedaan in hun vorige woonplaats. Bovendien heeft hij op het moment dat hij in Stuifzand was meermaals getracht telefonisch contact met klagers op te nemen. Hij slaagde hier pas later in. Verweerder heeft tijdens een telefoongesprek met Y de beschuldigingen van de buurtbewoners aan hem voorgelegd en hem verzocht daarop te reageren. Het telefoongesprek verliep moeizaam. Volgens verweerder heeft hij tijdens het telefoongesprek gezegd dat hij het als zijn plicht als journalist zag om ook klagers de gelegenheid te bieden een weerwoord te geven en dat hij de publicatie wilde doorzetten. Volgens verweerder wilde Y niet echt ingaan op de beschuldigingen behalve dan door te zeggen dat het allemaal gelogen was. Ondanks dit moeizame gesprek heeft verweerder getracht daaruit zoveel mogelijk een reactie te destilleren. Volgens verweerder heeft hij klagers voldoende gelegenheid geboden hun kant van het verhaal te vertellen. Hij betwist dat hij de politiewoordvoerder verkeerd zou hebben geciteerd. Wel erkent verweerder dat de politie hem heeft verzocht zijn artikel niet te publiceren omdat dit de gemoederen in Stuifzand nog hoger zou doen oplaaien. Volgens verweerder waren er echter voldoende journalistieke redenen om toch door te gaan met de publicatie. Ook het vermelden van de verhuisplannen van klagers was volgens verweerder relevant voor het verhaal. Over deze plannen was volgens verweerder reeds bericht in de regionale pers. Daarnaast werd hij eerst door de woningbouwstichting op de hoogte gebracht van de verhuisplannen en daarna pas door klagers. Tot slot benadrukt verweerder dat hij het vervelend vindt dat klagers zo veel problemen hebben in hun woonplaats en dat zij het gevoel hebben dat hij hun zaak heeft geschaad. Volgens verweerder kan zijn artikel wel degelijk hun zaak dienen. Immers, nu de problemen in de openbaarheid zijn en bij een groot publiek bekend zijn, is er meer draagvlak en druk bij instanties om tot een oplossing te komen, aldus verweerder.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Het gewraakte artikel bevat onder meer de volgende beschuldigingen aan het adres van klagers:
a. klagers zouden de rustige sfeer in Stuifzand hebben aangetast;
b. klagers zouden een stel regelrechte kinderpesters zijn;
c. klagers zouden dorpsgenoten en hun vrouwen onophoudelijk bestoken met scheldpartijen;
d. klagers gedrag rechtvaardigt de vrees dat zij binnenkort kinderen daadwerkelijk te lijf gaan;
e. klagers zijn de ‘Tokkies van Stuifzand’.
 
Een journalist moet bij het publiceren van beschuldigingen als deze met bijzondere zorgvuldigheid te werk gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zouden zijn geuit door een geïnterviewde, maakt dat niet anders (vgl. onder meer: De Vries tegen De Jong en HP/De Tijd, RvdJ 2003/43 en Hingst tegen Van den Heuvel, RvdJ 2003/21).
 
De gesprekken die verweerder heeft gevoerd met enkele bewoners van Stuifzand, van wie niet blijkt of zij iets verklaren uit eigen wetenschap dan wel op basis van horen zeggen, leveren geen deugdelijke grond op voor de hierboven genoemde beschuldigingen, die door hun formulering de indruk wekken de opvatting van velen weer te geven. Bij dat oordeel heeft de Raad de sociale context – een klein dorp waar klagers nieuwkomers zijn – waarin die beschuldigingen zijn geuit mede in aanmerking genomen. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of klagers voldoende gelegenheid is geboden door een reactie op die, overigens weinig concrete en daarom ook moeilijk anders dan in de vorm van een ontkenning te weerspreken, beschuldigingen. Verweerder heeft ermee volstaan eenmaal telefonisch om een reactie te vragen. Dat enkele volgens verweerder moeizaam verlopen, alleen met Michel gevoerde telefoongesprek kan, in aanmerking genomen wat de voorzienbare consequenties van het publiceren van de nauwelijks onderzochte beschuldigingen voor de positie van klagers in hun dorp zouden kunnen zijn, niet als een passende wijze van het bieden van wederhoor worden aangemerkt. Toen verweerder bleek dat een telefoongesprek weinig of niets opleverde had hij zelf aan de orde moeten stellen of klagers er mogelijk voor voelden hun standpunt over een en ander nog eens in een, eerder door hem terecht wel noodzakelijk geacht maar niet gerealiseerd, persoonlijk gesprek naar voren te brengen. Omstandigheden die aan een dergelijke aanpak in de weg stonden, zoals enige noodzaak tot spoedige publicatie, zijn de Raad niet gebleken
 
Gelet op het bovenstaande is de Raad van oordeel dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen - gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid - maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te (laten) publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 11 februari 2005 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. G.T.M. Driehuis, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mr. A.H. Schmeink, mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.