2005/29 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
B. Haan (NCRV’s Netwerk)
 
Bij brief van 6 april 2005 met twee bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen B. Haan, journalist bij NCRV’s Netwerk (hierna: verweerder). Bij brief van 6 mei 2005 heeft klager voorts nog enige bijlagen overgelegd. G. van Beuzekom, hoofdredacteur, heeft op de klacht geantwoord in een brief van 18 mei 2005 met een bijlage. Vervolgens heeft mr. H.S.R. Weeber, AKN Juridische Zaken, de reactie aangevuld bij faxbericht van 22 mei 2005. Klager heeft daarop nog gereageerd in een e-mailbericht van 26 mei 2005.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 mei 2005 in aanwezigheid van mr. Weeber, die het standpunt van verweerder heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Bovendien heeft zij ter zitting nog een bijlage overgelegd. Klager was daar niet aanwezig.
 
De voorzitter van de Raad heeft zich verschoond. Desgevraagd heeft mr. Weeber namens verweerder laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door een der leden als waarnemend voorzitter tezamen met de resterende leden.
 
DE FEITEN
 
Op 10 juli 2003 heeft de NCRV in het televisieprogramma Netwerk een reportage van verweerder en F. de Koe uitgezonden getiteld “Belastingdienst pleegde valsheid in geschrifte tijdens vogelpest” (hierna: de uitzending). In die uitzending is aan de orde gesteld dat tijdens de vogelpestcrisis van 2003 pluimvee is geruimd door honderden asielzoekers die handelden onder een door de belastingdienst verzonnen fictieve naam: F. Vogelpest. In de uitzending levert Y, destijds werkzaam als universitair hoofddocent fiscaal recht aan de Universiteit Utrecht en oud-belastinginspecteur, commentaar op de handelwijze van de belastingdienst.
 
Naar aanleiding van de uitzending heeft klager op 14 juli 2003 via de website www.netwerk.tv een e-mail gestuurdmet de tekst:
Geachte redactie, Ik geef u het advies om op de zoekmachine (google) de naam Y en plagiaat in te voeren. U kunt ook in het U-blad van de Universiteit Utrecht kijken. Vriendelijke groet, X
 
Hierop heeft verweerder op 15 juli 2003 per e-mail als volgt gereageerd:
Aangezien ik het van belang vind om mensen die aan onze uitzending meewerken te beschermen tegen dit soort beschuldigingen, cc ik dit mailtje met daaraan vast uw mail, aan Y.
Wij hebben in de uitzending dhr. Y opgevoerd voor wat hij is: fiscaal jurist en oud-belastinginspecteur. Het verhaal dat hij in onze uitzending vertelde, is ons door meerdere fiscaal juristen bevestigd. Sterker: ieder fiscaal jurist die ik gesproken heb, bevestigde dit zonder uitzondering.
Als u opmerkingen heeft over de inhoud van ons item, dan hoor ik die graag van u. Als u opmerkingen heeft over de persoonlijke omstandigheden van mensen die in onze uitzending optreden en welke niets met de inhoud van die uitzending van doen hebben, dan verzoek ik u vriendelijk die voor u te houden.
Netwerk mengt zich niet in uw persoonlijke strijd die los van onze uitzending staat.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij ten tijde van de uitzending universitair docent belastingrecht aan de Universiteit Utrecht was. Hij is verder werkzaam als belastingadviseur. Klager verkeerde in de veronderstelling dat Netwerk bij het maken van de reportage niet op de hoogte was van een plagiaataffaire rond Y. In verband met die affaire werd door het optreden van Y de geloofwaardigheid van Netwerk aangetast en hij wilde door middel van zijn e-mailbericht verdere aantasting van de reputatie van Netwerk voorkomen, aldus klager.
Volgens hem heeft verweerder op ongepaste wijze op zijn e-mail gereageerd en heeft deze de vertrouwelijkheid van het bericht geschonden, door het e-mailbericht en de reactie daarop aan Y kenbaar te maken. Daarbij benadrukt hij dat het e-mailbericht niet aan de redactie van Netwerk is gezonden. Hij heeft zijn e-mailbericht verstuurd via de daartoe gegeven mogelijkheid op de website van het programma. Hij nam aan dat zijn reactie vertrouwelijk zou worden behandeld en dat, gelet op de inrichting van die website, duidelijk was waarop zijn reactie betrekking had. Klager stelt door de handelwijze van verweerder aanzienlijke financiële- en reputatieschade te hebben geleden.
Wat betreft het tijdsverloop tussen de journalistieke gedraging en het indienen van de onderhavige klacht merkt klager op dat de plagiaataffaire erg gevoelig lag bij de Universiteit Utrecht. Hij vreesde dat verweerder zijn toenmalige werkgever zou informeren over een mogelijke klacht. Daarom heeft hij besloten eerst na de beëindiging van zijn dienstverband op 1 maart 2005, de klacht in te dienen. Zijn positie stond het dus niet toe eerder te klagen, hetgeen hem niet kan worden tegengeworpen, aldus klager.
 
Verweerder stelt voorop dat klager in zijn klacht niet-ontvankelijk is, nu deze eerst anderhalf jaar na de gewraakte journalistieke gedraging een klacht heeft ingediend, terwijl dit ingevolge artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek binnen zes maanden dient te geschieden.
Verweerder stelt voorts dat hij naar aanleiding van het e-mailbericht van klager contact heeft opgenomen met Y. Deze heeft de plagiaataffaire aan verweerder uitgelegd en gemeld dat inmiddels was vastgesteld dat hij weliswaar onzorgvuldig was geweest, maar geen plagiaat had gepleegd. Y merkte toen ook op dat klager deel uitmaakte van dezelfde vakgroep van de Universiteit Utrecht en dat er al enige tijd sprake was van spanningen in die vakgroep. Verweerder vermoedde toen dat hij verzeild was geraakt in een conflict tussen klager en Y. Zoals hij klager in de reactie op diens e-mailbericht heeft gemeld, wenste hij zich niet te mengen in een persoonlijke strijd. Daarom heeft hij open kaart gespeeld naar beide partijen.
Volgens verweerder hoefde hij er niet op bedacht te zijn dat het e-mailbericht een vertrouwelijke mededeling betrof. Het bericht bevatte geen mededeling dat dit vertrouwelijk behandeld moest worden. Voorts werd in het e-mailbericht geen nadere toelichting gegeven en werd daarin niet duidelijk gemaakt dat klager een collega was van Y. Bovendien was het bericht, blijkens de aanhef, gericht aan de redactie. Door zijn summiere e-mailbericht zonder nadere toelichting te versturen heeft klager het risico genomen dat verweerder te rade zou gaan bij Y.
Ook overigens acht verweerder het logisch dat hij contact heeft opgenomen met Y. Deze heeft immers ten behoeve van een item als deskundige meegewerkt en met het e-mailbericht werd de reputatie van deze deskundige aan de orde gesteld. In zo een geval verifieert een journalist of hij wellicht heeft samengewerkt met een deskundige met een twijfelachtige reputatie. Door contact op te nemen met Y heeft hij hem kunnen confronteren met de geuite beschuldigingen en aldus wederhoor toegepast.
Volgens verweerder lijkt het e-mailbericht een uitvloeisel van spanningen tussen klager en Y. Klager stelt weliswaar dat zijn bericht is ingegeven door de bezorgdheid over de geloofwaardigheid en reputatie van Netwerk, maar volgens verweerder is dat niet te rijmen met de door klager in het geding gebrachte stukken, waaruit blijkt dat de plagiaataffaire in het voordeel van Y is afgekaart. Bovendien blijkt uit de ter zitting overgelegde kopie van een artikel uit het U-blad van 4 september 2003 dat ten tijde van de uitzending de situatie binnen de vakgroep fiscaal recht ernstig was geëscaleerd, hetgeen erop wijst dat bij klager mogelijk toch andere motieven een rol hebben gespeeld bij het verzenden van zijn e-mailbericht.
Volgens verweerder heeft hij, gelet op voormelde omstandigheden, geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eis van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Daaraan voegt hij volledigheidshalve toe dat zijn correspondentie met klager niet is gepubliceerd.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID
 
Wat betreft de opgeworpen vraag omtrent de ontvankelijkheid van klager merkt de Raad het volgende op.
Op 1 februari 2005 is in het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek artikel 2a ingevoerd, waarin in lid 1 is bepaald dat een klacht bij de Raad moet worden ingediend binnen zes maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden. In beginsel is een klager in zijn klacht niet-ontvankelijk indien hij het klaagschrift niet tijdig heeft ingediend. Niet-ontvankelijkverklaring op deze grond blijft achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de desbetreffende klager in verzuim is geweest.
De onderhavige klacht, ingediend ná 1 februari 2005, heeft betrekking op een journalistieke gedraging van 15 juli 2003. Toentertijd kende het Reglement geen termijn voor het indienen van een klaagschrift op straffe van niet-ontvankelijkheid en in de huidige tekst van het Reglement is hieromtrent geen overgangsrecht opgenomen. Nu echter ten tijde van het indienen van het klaagschrift nog geen zes maanden waren verstreken na invoering van de termijn, kan naar het oordeel van de Raad klager niet worden tegengeworpen dat hij zijn klaagschrift niet binnen zes maanden na de gewraakte journalistieke gedraging heeft ingediend.
Dit laat evenwel onverlet dat, gelijk vóór de invoering van de termijn, de Raad thans dient te beoordelen of in verband met het tijdsverloop het vereiste rechtstreekse belang van een klager is komen te ontbreken dan wel tijdsverloop een juiste beoordeling van de klacht belemmert. Naar het oordeel van de Raad is van een dergelijke situatie echter geen sprake. Enerzijds is niet gebleken dat verweerder in enig opzicht door het tijdsverloop is bemoeilijkt in zijn verweer. Anderzijds acht de Raad klagers betoog dat zijn positie het niet toeliet om eerder de klacht in te dienen, valide. Voorts acht de Raad, gelet op het betoog van klager, nog steeds een rechtstreeks belang van klager aanwezig. (vgl. onder meer: Amzand tegen Van Engelen en Het Parool, RvdJ 2004/36)
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Klager betoogt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door het e-mailbericht van klager en de reactie daarop van verweerder in kopie aan Y te zenden.
 
Naar het oordeel van de Raad faalt dit betoog. Hoewel klager betwist dat hij het e-mailbericht aan de redactie van Netwerk heeft verstuurd, is het bericht blijkens de aanhef wel gericht aan de redactie. Voorts acht de Raad het niet onredelijk dat verweerder het e-mailbericht, dat is verstuurd via de algemene website van Netwerk, heeft opgevat als een verzoek van een kijker om nader onderzoek te doen. Dit onderzoek alsmede de behandeling van het e-mailbericht heeft naar het oordeel van de Raad op een journalistiek verantwoorde wijze plaatsgevonden. Verweerder heeft contact opgenomen met Y met het verzoek nadere informatie te verschaffen over de in het e-mailbericht genoemde plagiaataffaire. Aldus heeft verweerder Y gelegenheid gegeven te reageren op de door klager naar voren gebrachte informatie. Dat verweerder de informatie in het e-mailbericht heeft onderzocht en de inhoud van dat bericht voorts aan Y heeft kenbaar gemaakt, komt voor rekening en risico van klager, gegeven de wijze waarop hij zijn informatie aan verweerder verstrekte. Daarbij acht de Raad mede van belang dat het e-mailbericht geen mededeling bevatte dat het bericht vertrouwelijk diende te worden behandeld. Voorts ontbrak in het e-mailbericht een toelichting dan wel nadere informatie waaruit verweerder had moeten opmaken dat vertrouwelijke behandeling gewenst dan wel noodzakelijk was.
 
Onder voormelde omstandigheden is de Raad van oordeel dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting op www.netwerk.tv te (laten) te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 15 juni 2005 door mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, waarnemend voorzitter, mw. C.J.E.M. Joosten, E.H.C. Salomons, en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.