2005/27 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. H.J.J.M. van der Bruggen

tegen

M. Koolhoven en de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 25 maart 2005 met negen bijlagen heeft mr. H.J.J.M. van der Bruggen te Roermond (hierna: klager) een klacht ingediend tegen M. Koolhoven en de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerders). Hierop heeft Koolhoven geantwoord in een brief van 29 april 2005.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 mei 2005 in aanwezigheid van klager, die zijn klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie, en verweerder.

DE FEITEN

Klager is als executeur-testamentair betrokken in de afwikkeling van een aantal nalatenschappen, waaronder die van het echtpaar X en Y.

Op 19 maart 2005 is in De Telegraaf een artikel van de hand van Koolhoven verschenen onder de kop “Slag om de Sphinx-miljoenen”. In het artikel komen een dochter van voornoemd echtpaar en haar echtgenoot aan het woord. Over klager wordt onder meer als volgt bericht:
Een ander deel van de familie heeft een Limburgse notabele, de Roermondse advocaat mr. H. van der Bruggen – tevens oud-plaatsvervangend rechter in die stad – in de arm genomen. Hij speelt een opmerkelijke rol bij het veiligstellen voor zijn cliënten van een zo’n groot mogelijk stuk van de ‘(...)-taart’. Na het overlijden van vader, stelde de Limburgse advocaat de rest van de familie voor bepaalde goederen te verzwijgen in de boedelbeschrijving voor de aangifte van successierecht. ‘Ik stel u voor diverse zaken niet in de boedelbeschrijving op te nemen’, schrijft mr. Van der Bruggen september 2001 aan de familieleden. Dit schoot sommigen in het verkeerde keelgat, omdat ze deze oproep zagen als een uitnodiging tot belastingontduiking. ,,We werden uitgenodigd tot het doen van een valse belastingaangifte. Hoe durft een advocaat dat voor te stellen? Dit soort flauwekul pik je toch niet? Hij zei dit namens mijn moeder voor te stellen, maar in werkelijkheid had zijn cliënte (...) hierbij het meeste belang,
en
De familieleden die de Roermondse advocaat en oud-rechter hadden ingeschakeld, leken in het voordeel. Want, aldus de tegenpartij, ,,hij [Van der Bruggen] is een autoriteit in Limburg. Hij misbruikt zijn macht om voor zijn cliënt erfdelen af te pakken en lijkt daarbij medewerking te krijgen van de rechtbank Roermond,
en
’Vlak na het overlijden van vader (...) heeft mr. H. van der Bruggen, advocaat te Roermond, kans gezien met hulp van mijn zus (...) en haar echtgenoot (...) zich te mengen in de familiezaken. Daarbij is gebruikgemaakt van de ziektetoestand van moeder (...). Vader heeft ons altijd gewaarschuwd nimmer zaken te doen met deze advocaat omdat hij niet betrouwbaar is.’ Tevens reppen zij van het ‘uitlokken tot bedrog ten aanzien van de belastingdienst middels valsheid in geschrifte’.
‘Inmiddels is oma overleden. Hoewel hij geen erfgenaam is en ook geen executeur-testamentair van oma is, mengt de heer Van der Bruggen zich nu ook weer in de nalatenschap,’ schrijven het nichtje en tante aan hun oom (...).

en
’Tante (...) heeft als zaakwaarnemer, om het (nu onbewoonde, MK) pand (...) en de goederen veilig te stellen, 24-uursbeveiliging ingesteld. Inmiddels proberen (...) en (...) met alle middelen de woning van oma binnen te komen. Het vermoeden is dat erop (...) iets van grote waarde ligt voor hen of de heer Van der Bruggen. De verwoede pogingen om tante (...) te intimideren opdat zij de 24-uursbeveiliging opheft, spreekt boekdelen.’
en
Tegenover oom (...) spreken de familieleden hun grote zorg uit dat mr. Van der Bruggen toegang krijgt tot deze kluizen van oma ‘zonder dat dit ook maar gecontroleerd kan worden...’. De heer Van der Bruggen heeft namelijk als lid van de raad van toezicht van Rabobank Roermond in hun ogen wellicht gemakkelijk toegang.
en
De Roermondse advocaat mr. H.J.J.M. van der Bruggen, tegen wie inmiddels diverse aangiftes zijn gedaan, weigert – ook na herhaald aandringen – ieder commentaar. Hij wil niet ingaan op vragen over zijn werkzaamheden voor een deel van de erven (...).

Verder bevat het artikel de tussenkop “We werden uitgenodigd tot het doen van valse belastingaangifte”. Voorts is vermeld dat de voorzitter van het college van procureurs-generaal, jhr. mr. J. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, als ver familielid van de erfgenamen, bij de kwestie betrokken is.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in het artikel ten onrechte een groot aantal beschuldigingen aan zijn adres wordt geformuleerd, waarbij hij met naam en toenaam wordt genoemd. Daarover hebben verweerders hem niet voorafgaand geïnformeerd of zijn reactie gevraagd. Klager betoogt dat derhalve het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Weliswaar heeft Koolhoven hem voorafgaand aan de publicatie benaderd, maar hij kreeg toen de indruk dat deze alleen informatie over de afwikkeling van de nalatenschappen wilde hebben. Hij heeft daarop aan Koolhoven meegedeeld dat hij die informatie vertrouwelijk acht en dat naar zijn mening de privacy van de betrokkenen in het geding zou komen als daaraan publiciteit zou worden gegeven. Toen Koolhoven antwoordde dat hij zich vrij achtte tot publicatie over te gaan, heeft hij aan zijn genoemde reactie nog toegevoegd dat Koolhoven hem zou kunnen bellen als deze nog vragen had. Hij kon toen echter niet bevroeden dat verweerders over hem persoonlijk
zouden berichten en dat de klacht over vermeende uitlokking tot fiscale fraude in dit artikel prominent, onder andere in een tussenkop, naar voren zou worden gebracht. Daarover heeft Koolhoven in hun gesprek niet gerept.
Wel heeft Koolhoven hem meegedeeld de beschikking te hebben over alle dossiers in deze kwestie, aldus klager. Volgens hem blijkt ook wel uit het artikel dat Koolhoven in het bezit was van dossierstukken. Niettemin hebben verweerders onvolledig over de kwestie bericht. Hij wijst erop dat hij in het artikel wel wordt beschuldigd van uitlokking van fiscale fraude, maar dat daarin ten onrechte niet wordt vermeld dat de hoogste tuchtrechter van de Orde van Advocaten een klacht van de in het artikel aan het woord gelaten erfgename wegens uitlokking tot fiscale fraude en valsheid in geschrifte heeft afgewezen. In zijn beslissing van 8 september 2003 heeft het Hof van Discipline onder meer overwogen:
Daargelaten of de door klaagster gelaakte passage uit de brief van verweerder van 21 september 2001 als uitlokking zou kunnen worden beschouwd, rechtvaardigt deze passage niet in het minst dat klaagster met betrekking tot de professionele werkzaamheden van verweerder gebruik heeft gemaakt van termen als ‘fiscale fraude’ en ‘corruptie’. Ook overigens is het Hof niet gebleken van enig feit of omstandigheid dat het gebruik van deze termen tegen verweerder zou kunnen rechtvaardigen.
Deze tuchtrechtelijke uitspraken bevinden zich bij de dossiers in deze zaken. Meerdere malen zijn deze uitspraken aan de geraadpleegde rechters getoond bij de gevoerde civielrechtelijke procedures, aldus klager. Hij betoogt dat verweerders onzorgvuldig en onbehoorlijk jegens hem hebben gehandeld, door deze essentiële informatie weg te laten uit het artikel.
Verder betoogt klager dat het artikel diverse onjuistheden bevat. Zo wordt onder meer ten onrechte gesteld dat hij zonder enige controle (bank)kluizen zou hebben geopend.
Ten slotte meent klager dat door het artikel de privacy van de andere erfgenamen is geschonden. Zij werden in het artikel weliswaar niet met hun achternaam doch duidelijk herkenbaar voor de buitenwereld vermeld, en in het artikel zijn foto’s afgebeeld van het landgoed waar een van de andere erfgenamen woonachtig is.
Klager concludeert dat door de publicatie in De Telegraaf ten onrechte zijn naam en goede reputatie zijn geschonden, waardoor hij en zijn kantoor schade lijden.
Ter zitting voegt klager hier nog aan toe dat de erfgename en haar echtgenoot, die in het artikel aan het woord komen, inmiddels in kort geding zijn veroordeeld hun uitspraken te rectificeren.

Koolhoven stelt dat deze zaak naar zijn mening de kern van zijn journalistieke werk raakt, namelijk het aan de kaak stellen van eventuele misstanden in de samenleving en dan met name het functioneren van vertegenwoordigers in onder andere de rechterlijke macht, openbaar bestuur en advocatuur. Hij heeft zich in dit artikel gebaseerd op een dossier dat hem door een van de erfgenamen, stafmedewerker van de Raad van State, werd aangeleverd. Hij is zich terdege bewust van het feit dat zeker in dit soort kwesties – waarin de personen die punt van onderzoek vormen, een extra groot afbreukrisico hebben – geldt dat het journalistieke onderzoek met een nog grotere zorgvuldigheid moet gebeuren dan normaal al het geval is.
In dit licht merkt Koolhoven op dat de klacht hem zeer heeft bevreemd. Volgens hem stond en staat zorgvuldigheid voorop in zijn journalistieke onderzoek. Hij heeft klager in het kader van een gedegen feitenonderzoek en ter fine van het plegen van hoor en wederhoor tot tweemaal toe benaderd, waarbij hij klager eenmaal heeft gesproken.
Koolhoven benadrukt dat hij bereid was alle bekende dossierstukken aan klager voor te leggen alsmede om afspraken te maken over ‘inzage vooraf’. Ook heeft hij geprobeerd om persoonlijk contact te krijgen met klager door naar Limburg te gaan en bij hem langs te gaan op kantoor, alwaar hij zijn visitekaartje heeft afgegeven. Daarbij heeft hij tevens aangegeven dat hij twee dagen in Limburg beschikbaar zou zijn voor een gesprek. Klager heeft hierop niet gereageerd, aldus Koolhoven. Volgens hem zat het processtuk van de tuchtrechter niet in het dossier dat hij in handen heeft gekregen. Als klager de moeite had genomen om hem te woord te staan dan had hij dat document alsnog kunnen overhandigen.
Desgevraagd voegt hij ter zitting hieraan toe dat hij het artikel niet vooraf heeft voorgelegd aan klager, omdat hij dat alleen doet bij ‘actieve bronnen’. Klager had echter ‘de rolluiken dichtgedaan’.
Ten aanzien van de overige punten van de klacht blijft Koolhoven van oordeel dat de door hem geraadpleegde bronnen een andere lezing geven van de kwestie. Hierbij vermeldt Koolhoven nog dat indien klager gebruik zou hebben gemaakt van de hem geboden gelegenheid tot wederhoor, hij diens standpunt in het artikel had kunnen verwoorden.
Koolhoven wijst erop dat hij ook de andere erfgenamen heeft benaderd voor commentaar om zo de feitelijke juistheid van de beschuldigingen te toetsen, maar dat zij weigerden in te gaan op vragen.
Ten slotte merkt Koolhoven op dat de beschuldigingen gedaan zijn door andere erfgenamen en dat De Telegraaf deze beschuldigingen niet tot de hare heeft gemaakt. Uit oogpunt van privacybescherming is besloten de achternamen van de betrokkenen niet te publiceren.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht is dat het artikel ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van klager bevat en dat verweerders hebben nagelaten ter zake wederhoor bij klager toe te passen. De Raad zal zich tot die kern beperken.

In het artikel wordt ten aanzien van klager onder meer gesteld dat hij de erfgenamen zou hebben uitgelokt tot het plegen van fiscale fraude en valsheid in geschrift. Dit zijn zeer ernstige beschuldigingen, die klager in diens beroepsuitoefening diskwalificeren. Verweerders hadden deze beschuldigingen niet zonder meer – dat wil zeggen: zonder voorafgaand nader adequaat onderzoek naar de gegrondheid ervan – mogen publiceren.

Door onvermeld te laten dat het Hof van Discipline op 8 september 2003 een ter zake voor klager positieve uitspraak heeft gedaan, hebben verweerders op een wezenlijk punt onvolledig en daardoor onjuist over klager bericht. Bijzondere omstandigheden die de handelwijze van verweerders op dit punt zouden kunnen rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken. Koolhoven heeft weliswaar aangevoerd dat de betreffende uitspraak niet in het aan hem overhandigde dossier aanwezig was, doch het is aan Koolhoven om zich te baseren op voldoende deugdelijke bronnen. Dat hij dat kennelijk niet heeft gedaan, dient voor zijn rekening te komen.

Verder dient een journalist, volgens het vaste oordeel van de Raad, bij het publiceren van ernstige beschuldigingen als deze met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat wederhoor moet worden toegepast.

Koolhoven heeft gesteld dat hij voorafgaand aan de publicatie van het artikel heeft getracht in contact te komen met klager. Daartoe heeft hij onder meer een bezoek gebracht aan het kantoor van klager en heeft hij een visitekaartje afgegeven aan de receptioniste, met het verzoek aan klager om contact met hem op te nemen, aldus Koolhoven. Klager heeft daartegenover gesteld dat hij eenmaal telefonisch met Koolhoven heeft gesproken en ook daarna bereikbaar was. Een later verzoek om contact op te nemen met Koolhoven heeft hij niet gekregen, aldus klager.

Niet ter discussie staat dat klager en Koolhoven slechts één keer telefonisch contact hebben gehad. De stelling van klager dat Koolhoven in dat gesprek niet heeft meegedeeld dat in het artikel ook beschuldigingen aan het adres van klager zouden worden geuit, is door Koolhoven niet betwist.
Weliswaar heeft Koolhoven het kantoor van klager tijdens diens afwezigheid bezocht, maar niet is gebleken dat hij de receptioniste heeft duidelijk gemaakt dat en waarom hij contact met klager echt nodig had.
Verder staat vast dat Koolhoven klager niet schriftelijk in de gelegenheid heeft gesteld te reageren, alvorens over publicatie te beslissen. De enkele veronderstelling aan de zijde van Koolhoven dat klager toch niet had willen reageren, omdat deze ‘de rolluiken had dichtgedaan’, had hem er niet van mogen weerhouden zich schriftelijk, per fax of per e-mail tot klager te wenden, ten einde hem de mogelijkheid te bieden schriftelijk op de aan zijn adres geuite beschuldigingen te reageren. Naar het oordeel van de Raad heeft Koolhoven aldus onvoldoende pogingen ondernomen om van klager zijn visie op de kwestie te vernemen. Van zwaarwichtige redenen van algemeen belang die dat zouden kunnen rechtvaardigen, is de Raad niet gebleken.

Een en ander klemt te meer, nu het gaat om beschuldigingen die voornamelijk afkomstig zijn van personen die ten tijde van de publicatie van het artikel met klager, in zijn hoedanigheid van executeur-testamentair, in dispuut waren. Geschillen, en zeker sterk door emoties bepaalde en vaak diep ingrijpende geschillen als de onderhavige, laten zich over het algemeen niet op een verantwoorde wijze beschrijven aan de hand van de feiten zoals deze door een der partijen gepresenteerd worden. Daarom kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de betrouwbaarheid van een dergelijke bron als brenger van objectieve feiten.

De Raad is derhalve van oordeel dat verweerders door te handelen en na te laten als hiervoor omschreven, grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

(vgl. onder meer: Ruiter tegen Blank en Noordhollands Dagblad, RvdJ 2004/81; Hamouda tegen Dagblad van het Noorden, RvdJ 2004/3; X tegen Dagblad Zaanstreek, RvdJ 2003/45)

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 3 juni 2005 door mr. A. Herstel, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, T.R. Harkema, mw. drs. B.L.W. Tillema en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.