2005/26 ongegrond onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M.I. Platschorre

tegen

J. Meeus, J. Schoorl en de hoofdredacteur van de Volkskrant

Bij klaagschrift van 11 maart 2005 met negen bijlagen heeft mr. B. van der Goen, advocaat te Soest, namens M.I. Platschorre (hierna: klager) een klacht ingediend tegen J. Meeus, J. Schoorl, en de hoofdredacteur van de Volkskrant (hierna: verweerders). Bij brief van 26 april 2005 met dertien bijlagen heeft mr. C. Wildeman, advocaat te Amsterdam, namens verweerders hierop gereageerd. Ten slotte heeft mr. Wildeman bij brief van 4 mei 2005 nog een cd-rom overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 mei 2005. Namens klager is daar mr. B. van der Goen verschenen, die de klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van verweerders waren voornoemde Meeus, Schoorl, en mr. Wildeman aanwezig, vergezeld door mr. W.C. van Manen en A. Elshout, adjunct-hoofdredacteur. Mr. Wildeman heeft het standpunt van verweerders toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.

DE FEITEN

Klager is van 1994 tot 2001 bestuurder geweest van bouwbedrijf TBI. Van 1982 tot en met 1991 was hij bestuurder van ENCI N.V. en bestuurslid van de branchevereniging VNC (Verenigde Nederlandse Cement-Industrie).

Op 7 april 2004 is op de voorpagina van de Volkskrant een artikel van de hand van Meeus en Schoorl verschenen met de kop: “Man Peijs betrokken bij bouwfraude” Hierin staan onder meer de volgende passages:
Rinus Platschorre, echtgenoot van minister Peijs (CDA) van Verkeer en Waterstaat, is betrokken geweest bij verboden afspraken tussen de grote Europese cementbedrijven. Als voorzitter van de Nederlandse cementbranchevereniging VNC nam hij deel aan vergaderingen van het cementkartel, waarvan in 2000 de belangrijkste deelnemers door de Europese rechter zijn veroordeeld tot een boete van 110 miljoen euro.
Dit blijkt uit openbare stukken van de Europese Commissie en het Europese Hof van Justitie.

en
Volgens Platschorre is hij, voordat zijn vrouw vorig jaar werd benoemd tot minister, ‘gescreend’ in verband met de bouwfraude-affaire. Zijn betrokkenheid bij het cementkartel werd volgens hem niet als een probleem gezien omdat het bedrijf waarvan hij directeur was, de ENCI, in hoger beroep werd vrijgesproken. Maar uit documenten blijkt nu dat VNC, de branchevereniging die hij in vergaderingen vertegenwoordigde, wel direct betrokken was bij verboden afspraken. De Europese rechter achtte VNC ook in hoger beroep schuldig aan overtreding van het kartelverbod. Wel ontliep de branchevereniging een boete.
Platschorre ontkent dat hij aanwezig is geweest bij bijeenkomsten waar verboden afspraken werden gemaakt. Maar de stukken wijzen uit dat de zakenman persoonlijk heeft deelgenomen aan die vergaderingen waar de grote Europese cementbedrijven strategieën bespraken om hun markt af te schermen.


Het achtergrondartikel, eveneens van de hand van Meeus en Schoorl, dat diezelfde dag verscheen onder de kop “Akkoord van Parijs werd Europees kartel – Platschorre besprak met buitenlandse collega’s strategieën om cementmarkt te beschermen” bevat onder meer de volgende passage:
Het akkoord dat aan het einde van die januaridag [14 januari 1983] tot stand kwam, ging dan ook de geschiedenis in als het Cembureau Agreement of Principle. Op grond van deze overeenkomst moesten de aangesloten bedrijven elkaars markt respecteren en geen cement exporteren. Van de vergadering werden geen notulen gemaakt, dat spreekt voor zich, en voor de zekerheid werd de agenda nog even geschoond van begrippen als ‘organisatie van de grensoverschrijdende handel’ en ‘de handel te controleren’.

Op 8 en 13 april 2004 verschenen in de Volkskrant nog drie artikelen over deze kwestie onder de koppen: “Balkenende zwijgt over Platschorre”, “Platschorre nationaal en internationaal gelouterd” en “Platschorre wist van vooroverleg”.

Voorafgaand aan de publicatie van het artikel van 7 april 2004 hebben Meeus en Schoorl bij e-mail van 1 april 2004 een eerste versie van hun artikel aan klager toegestuurd met het verzoek daarop te reageren. Hiervan heeft klager gebruik gemaakt bij e-mail van 2 april 2004, waarin hij onder meer bericht:
Zoals telefonisch met u afgesproken bevat uw artikel een zeer groot aantal fouten en daardoor valse beschuldigingen. Ik heb u dan ook uitgenodigd voor een interview om een feitelijk wel juist artikel te kunnen maken. Wij spraken af dat ik u enige onjuistheden zou melden en u daarop met mij weer kontakt opneemt alvorens verder akties met het artikel te plegen.
en
Ik heb nooit enige betrokkenheid gehad met wat u noemt illegaal vooroverleg dan wel illegale vergaderingen van cementindustrieën. Het door u genoemd onderzoek van de Europese Commissie vond inderdaad plaats in de tachtiger jaren en leidde tot boetes in 1994. Door een uitspraak van de Europese Hof in Luxemburg werden in 2000 de boetes voor een aantal van deze bedrijven ongegrond verklaard en met rente terugbetaald. Een van deze bedrijven die de eerder opgelegde boete volledig werd kwijtgescholden was ENCI N.V. in Nederland, waarvan ik van 1982 t/m 1991 voorzitter van de Raad van Bestuur was. In 1991 werd ik bestuurder van CBR in België, grootaandeelhouder van ENCI. De boete van CBR had ook betrekking op de jaren tachtig toen ik nog niet bij deze onderneming betrokken was.

Vervolgens hebben Meeus en Schoorl per e-mail van 5 april 2004 klager een tweede versie van het artikel gestuurd en hebben zij hem bericht dat zij zich naar aanleiding van de opmerkingen van klager nog verder hebben verdiept in het in de artikelen bedoelde arrest van het Europese Hof van Justitie.

Bij e-mail van 6 april 2004 heeft klager hierop gereageerd en heeft hij enige kanttekeningen op een rij gezet.

In reactie hierop hebben verweerders bij e-mail van 6 april 2004 aan klager laten weten dat zij na overleg met hun advocaat en de hoofdredactie over zouden gaan tot publicatie en dat zij de op- en aanmerkingen van klager voor zover in overeenstemming met de feiten in de beide publicaties hadden verwerkt.

Reagerend op dit e-mailbericht heeft klager ten slotte bij e-mail van 6 april 2004 verweerders onder meer het volgende bericht:
Ik moet u publicatie in de huidige vorm sterk ontraden, daar dit absoluut aanleiding geeft tot het indienen van een klacht wegens valse beschuldigingen, c.q. smaad. Bovendien hebt u tot op dit moment nagelaten uw eindversie aan mij voor te leggen en houdt u zich daarmee niet aan de eerder ter zake gemaakte afspraken.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager maakt bezwaar tegen de publicaties van 7 april 2004. Hij is allereerst van mening dat de artikelen feitelijke onjuistheden bevatten. In dit verband wijst klager erop dat in de artikelen ten onrechte wordt gesuggereerd dat bij bedrijven waarbij hij op welke wijze dan ook betrokken was, verboden afspraken zijn gemaakt. Op 14 januari 1983 en op 19 maart 1984 woonde klager als voorzitter van VNC vergaderingen bij van de zogenaamde ‘Head Delegates’ van Cembureau, de Europese brancheorganisatie in de cementindustrie, waarvan VNC deel uitmaakte. In tegenstelling tot hetgeen in een van de artikelen staat, ontkent klager niet bij die vergaderingen aanwezig te zijn geweest.
Volgens klager is op de eerste van de genoemde vergaderingen gesproken over de dalende bouwmarkten en als gevolg daarvan toenemende overcapaciteiten. De bedoeling hiervan was niets anders dan om oriënterend van gedachten te wisselen over mogelijke oplossingen, aldus klager. Op de tweede vergadering is aan de hand van nadere beschikbare gegevens specifiek over de problematiek van een aantal landen gesproken, zonder dat hieruit duidelijke conclusies werden getrokken, laat staan dat op basis hiervan een overeenkomst (welke dan ook) tot stand zou zijn gekomen.
Ter ondersteuning van zijn standpunt wijst klager op de uitspraak van het Europese Hof van 15 maart 2000, waarin ENCI op alle punten is vrijgesproken van hetgeen haar ten laste was gelegd. Voor wat betreft VNC is de beschikking van de Europese Commissie voor het overgrote deel vernietigd, aldus klager. Slechts werd geoordeeld dat VNC inbreuk heeft gemaakt op de bepalingen van artikel 85, eerste lid, van het EG-verdrag door deel te nemen aan een (voor)overeenkomst die ertoe strekt de thuismarkt te eerbiedigen en het overbrengen van cement van het ene naar het andere land aan een regeling te onderwerpen.
Van verboden afspraken tussen bedrijven waarbij klager betrokken is geweest, is dan ook volgens hem geen sprake.
Verder stelt klager dat de term ‘bouwfraude’ in de kop van het artikel van 7 april 2004 onjuist en misplaatst is. Van fraude kan volgens klager niet worden gesproken in het geval dat hij aan een vergadering heeft deelgenomen die ten doel heeft de ontwikkelingen op de markt te bespreken. Zelfs indien wel prijsafspraken gemaakt zouden zijn, hetgeen volgens klager niet het geval is, is nog van fraude geen sprake doch hoogstens van overtreding van het bepaalde in artikel 85 van het EG-verdrag. Een en ander is niet op een lijn te stellen, aldus klager.
De gebeurtenissen waarover in de artikelen wordt gesproken houden geen verband met de bouwfraude-affaire die aan het licht kwam met de openbaarmaking van de schaduw-boekhouding van bouwbedrijf Koop Tjuchem in 2001. Door in de onderhavige kop deze term te gebruiken wordt de suggestie gewekt dat klager betrokken is bij die bouwfraude-affaire. Klager betoogt dat dit onjuist en misleidend is.
Voorts is volgens klager onjuist dat de agenda geschoond werd, zoals in het achtergrond-artikel is vermeld.
Verder stelt klager dat verweerders zich niet hebben gehouden aan afspraken met betrekking tot de voorgenomen publicatie. Klager wijst erop dat hij na ontvangst van het aangepaste verhaal wederom heeft gewezen op een groot aantal onjuistheden. Verweerders hebben zich daar echter niets van aangetrokken en zijn tegen beter weten in overgegaan tot publicatie van het artikel. Deze gang van zaken is in strijd met de geldende journalistieke normen, aldus klager. Hij meent dat verweerders ten onrechte niet ook de eindversie van het artikel vooraf aan hem hebben voorgelegd.
Ten slotte betoogt klager dat verweerders in de artikelen in ieder geval zijn visie hadden behoren op te nemen. Klager heeft zelf voorgesteld in een interview uitvoeriger op de materie in te gaan, hetgeen door verweerders is afgewezen. Volgens klager stond het verweerders onder deze omstandigheden niet vrij om met schending van het beginsel van hoor en wederhoor een eenzijdige, suggestieve en voor klager uitermate schadelijke voorstelling van zaken te geven.

Verweerders stellen dat alle door hen over klager gepresenteerde feiten steun vinden in de uitspraken van de Europese Commissie en het Europese Hof van Justitie. Verweerders menen dat zij zeer zorgvuldig te werk zijn gegaan door hun artikelen aan klager voor te leggen, hem om commentaar te vragen en zijn op- en aanmerkingen, voor zover in overeenstemming met de feiten, in de publicaties te verwerken.
Met betrekking tot de passages die volgens klager onjuistheden dan wel onjuiste interpretaties bevatten merken verweerders het volgende op.
Verweerders stellen dat ‘bouwfraude’ niets anders is dan fraude, zwendelarij in de bouw, en dat daarvan in dit geval wel degelijk sprake is, zodat deze term terecht in de kop van het artikel van 7 april 2004 is gezet.
Ter ondersteuning van hun standpunt wijzen zij op een uitspraak van een woordvoerster van de NMa die over bouwfraude zegt: “Daaronder vallen verboden markt- en omzetverdelingen en illegale prijsafspraken in de bouwsector, alsmede zaken die daarmee verband houden, zoals valsheid in geschrift en corruptie.” Verder wijzen zij op de visie van minister Peijs ter zake. Op de vraag ‘Wat is bouwfraude' antwoordde haar woordvoerster: "Verboden prijs- en marktafspraken.
Verweerders stellen voorts dat klager wel degelijk heeft ontkend bij de vergaderingen aanwezig te zijn geweest waar prijsafspraken gemaakt werden. Hiervoor verwijzen zij naar zijn e-mail van 6 april 2004 waarin hij onder meer heeft bericht: “Ik heb ontkend dat ik aanwezig was bij bijeenkomsten waar prijsafspraken werden gemaakt.” De zinnen in de passage ”Platschorre ontkent dat hij aanwezig is geweest bij vergaderingen waar verboden afspraken werden gemaakt. Maar de stukken wijzen uit dat de zakenman persoonlijk heeft deelgenomen aan die vergaderingen waar de grote Europese cementbedrijven strategieën bespraken om hun markt af te schermen.” moeten in onderlinge samenhang en in de context van het gehele artikel worden gelezen. Er staat niet dat klager heeft ontkend bij de vergaderingen van 14 januari 1983 en 19 maart 1984 aanwezig te zijn geweest, er staat dat hij ontkent bij díe vergaderingen aanwezig te zijn geweest waar verboden afspraken werden gemaakt. Dit laatste strookt met hetgeen klager in zijn e-mail heeft geschreven.
Ten aanzien van het schonen van de agenda van die vergaderingen volstaan verweerders met te verwijzen naar de overwegingen van het Europese Hof van Justitie onder 2.2.2. “Wijzigingen in de agenda voor de vergadering van de delegatiehoofden van 14 januari 1983”:
Bij telexbericht van 17 november 1982 (...) suggereerde van Hove namelijk: “De volgende woorden die opgenomen waren in uw telexbericht van 17 november, moeten uit ieder officieel document verdwijnen:
(...) organisatie van de grensoverschrijdende handel
(...) om de intra-handel te controleren (...)
rechtvaardiging van redelijke prijsovereenkomsten (...) Uit een en ander volgt, dat de Commissie terecht mocht aannemen, dat de wijzigingen in de ontwerpagenda voor de vergadering van 14 januari 1983 het werkelijke onderwerp van de komende bespreking die met name betrekking zouden hebben op maatregelen om de intra-Europese cementhandel te controleren (...) geheim dienden te houden.

Van feitelijke onjuistheden is derhalve, aldus verweerders, geen sprake.
Verder betwisten zij dat zij met klager zouden hebben afgesproken dat aan hem de eindversie van het artikel zou worden overgelegd, zodat hij de juistheid daarvan zou kunnen toetsen. Verweerders stellen zich op het standpunt dat een afspraak van deze strekking ook zeer ongebruikelijk is in de journalistiek. Het verwijt ter zake mist volgens verweerders dan ook feitelijke grondslag.
Ook ten aanzien van het toepassen van hoor en wederhoor zijn verweerders van mening dat zij correct hebben gehandeld. Niet in geschil is dat wederhoor is toegepast. Verweerders hebben klager tweemaal hun teksten toegestuurd en hem in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Klager heeft daar beide keren gebruik van gemaakt. Volgens verweerders waren zijn opmerkingen deels van feitelijke aard en vloeiden deze deels voort uit klagers eigen interpretatie van het arrest van het Europese Hof van Justitie. Verweerders hebben de feitelijke correcties overgenomen en menen daarmee het beginsel van hoor en wederhoor correct te hebben toegepast.
Daarnaast zijn zij van mening dat de uitspraak van het Europese Hof van Justitie in de publicaties correct is weergegeven. Volgens verweerders vindt de visie van klager met betrekking tot deze uitspraak geen enkele steun in de feiten, zodat het niet nodig was in de publicaties te vermelden dat klager de uitspraak van het Hof anders uitgelegd wenst te zien.
Verweerders concluderen dat geen sprake is van lichtvaardige verdachtmakingen. Zij hebben niet onrechtmatig jegens klager gehandeld, en evenmin is sprake van journalistiek of anderszins laakbaar handelen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
1. de publicaties van 7 april 2004 bevatten feitelijke onjuistheden;
2. verweerders hebben zich ten onrechte niet gehouden aan afspraken met betrekking tot de voorgenomen publicatie;
3. verweerders hebben ten onrechte geen wederhoor bij klager toegepast.

De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat de publicaties van 7 april 2004 relevante onjuistheden bevatten. Verweerders hebben zich voor wat betreft de feiten gebaseerd op de uitspraken van de Europese Commissie en het Europese Hof van Justitie, alsmede op correcties van klager zelf. De uitleg die verweerders aan de uitspraak van het Hof geven, is naar het oordeel van de Raad juist. De omstandigheid dat klager een andere interpretatie aan die uitspraak geeft, maakt niet dat sprake is van feitelijke onjuistheden.
Ten aanzien van het gebruik van de term ‘bouwfraude’ overweegt de Raad het volgende. De opvatting van klager dat indien handelingen worden aangeduid met ‘bouwfraude’, daardoor mogelijk ten onrechte een link wordt gelegd met de bouwfraude-affaire die aan het licht kwam met de openbaarmaking van de schaduwboekhouding van bouwbedrijf Koop Tjuchem in 2001, is op zichzelf begrijpelijk. Dat betekent echter niet dat het containerbegrip ‘bouwfraude’ alleen nog maar mag worden gebruikt in verband met die specifieke affaire, die overigens ook – net als de onderhavige kwestie – betrekking had op handelingen verricht in de jaren ’80 uit de vorige eeuw.
Niet ter discussie staat dat een organisatie waarbij klager betrokken was, door het Europese Hof van Justitie is veroordeeld voor overtreding van artikel 85 van het EG-verdrag en dat klager aanwezig is geweest bij vergaderingen die tot die veroordeling hebben geleid. In dat licht bezien is het gebruik van de term ‘bouwfraude’ in de kop van het artikel van 7 april 2004 niet onjuist. Dit ware wellicht anders geweest als was gesproken van ‘de bouwfraude’. Op dit punt is de klacht derhalve ongegrond.

Voor wat betreft onderdeel 2. van de klacht overweegt de Raad dat de standpunten van partijen ter zake lijnrecht tegenover elkaar staan. Aangezien geen materiaal voorhanden is, op grond waarvan de Raad kan vaststellen welk standpunt juist is, onthoudt de Raad zich op dit punt van een oordeel.

Ten slotte overweegt de Raad dat een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen als deze, met bijzondere zorgvuldigheid te werk dient te gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat wederhoor dient te worden toegepast. Verweerders hebben klager tot tweemaal toe een conceptartikel toegestuurd en hem de mogelijkheid gegeven hierop te reageren. Beide keren heeft klager hiervan gebruik gemaakt. Verweerders hebben een deel van deze correcties doorgevoerd. Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders derhalve in zijn algemeenheid voldoende toepassing gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor.

BESLISSING

Voor wat betreft onderdeel 2 van de klacht onthoudt de Raad zich van een oordeel, voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 3 juni 2005 door mr. A. Herstel, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, T.R. Harkema, mw. drs. B.L.W. Tillema en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.