2005/23 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
B. van Hal, J. Brons en de hoofdredacteur van De Gelderlander
 
 
Bij brief van 21 maart 2005 met een bijlage heeft X (hierna: klaagster), een klacht ingediend tegen B. van Hal, J. Brons en de hoofdredacteur van De Gelderlander (hierna: verweerders). Op 22 maart 2005 heeft klaagster een aanvulling op haar klacht gestuurd met twee bijlagen. Hierop heeft mr. G. Bos, hoofdredactie De Gelderlander, namens verweerders geantwoord in een brief van 8 april 2005 met drie bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 april 2005 in aanwezigheid van klaagster, vergezeld door haar echtgenoot. Verweerders zijn daar niet verschenen.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Klaagster heeft desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behande­ling van de zaak door de voorzitter en overige leden.
 
DE FEITEN
 
Op 25 februari 2005 heeft klaagster - lid van de Rhenense gemeenteraad - een e-mail met als onderwerp “neven en nichten” gestuurd aan enkele leden van de VVD en aan twee algemene e-mailadressen van de VVD. De inhoud van deze e-mail luidde als volgt:
Geachte VVD,
De problemen welke ik met de VVD heb zijn alhier een publiek geheim. Ik word de laatste tijd steeds vaker op straat aangesproken door mensen die mij vertellen dat het komt omdat ik met homofielen te maken heb. Wij weten dat Nedorost een homofiel is, maar in het dorp gaat het een hardnekkig gerucht dat dit ook voor Naafs geldt en dat zijn vrouw het weet. Het is hier een publiek geheim en dat is niet goed, want dat geeft alleen maar roddels. Men vertelt mij dat je meerdere soorten nichten hebt, goede en valse enz. en dat mijn problemen daarmee te maken kunnen hebben omdat ik een vrouw ben. Ik zie wel dat Naafs altijd begerig naar mijn Claudio Ferrici-tassen uit de business class collectie kijkt en Nedorost maakte er ook al eens een opmerking over. Ferrici heeft ook een mannencollectie, alhoewel misschien is dat een beetje te stoer. Nu heeft Van den Berg in een ledenvergadering gezegd: een vrouw is alleen acceptabel als ze over uitstekende kwaliteiten beschikt, anders liever een man. Ik meld het maar even, nu men mij erop aanspreekt; het kan natuurlijk de grondslag van al mijn problemen vormen. Ik weet dat je met nichten een hoop gedonder kunt krijgen, het zou mij eigenlijk niet meer verbazen als het zo is. Ook die vreemde kwestie Naafs/Nedorost met dat lekken, weet jij veel hoe die met elkaar omgaat.
Groetend,
(X)
 
Deze e-mail is door een van de ontvangers ervan doorgespeeld aan de redactie van De Gelderlander, waarop in De Gelderlander van 11 maart 2005 drie artikelen zijn verschenen onder de koppen “Raadslid stuurt ‘homomail’ rond”, “homo-aantijgingen” en “Homo-geruchten”. Naar aanleiding van deze artikelen heeft klaagster op 11 maart 2005 bij de hoofdredactie van De Gelderlander een klacht ingediend tegen Van Hal. Hierop is door de hoofdredacteur van De Gelderlander op 15 maart 2005 schriftelijk gereageerd. Vervolgens zijn op 14 maart 2005 en op 21 maart 2005 in De Gelderlander nog twee commentaren naar aanleiding van deze kwestie gepubliceerd. In het commentaar van 14 maart 2005 werd opgeroepen tot het geven van reacties.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster heeft haar bezwaren tegen de publicaties, die naar aanleiding van haar e-mail in De Gelderlander zijn verschenen, in dertien punten ondergebracht. Samengevat komen haar bezwaren neer op het volgende. Klaagster erkent dat ze de gewraakte e-mail beter niet had kunnen versturen en dat haar schrijfstijl iets te ludiek van aard is geweest. Haar e-mail had echter een vertrouwelijk karakter en was niet bedoeld voor publicatie, aldus klaagster. Volgens haar hebben verweerders haar e-mail niet op juiste waarde geschat en hebben zij in de verschillende publicaties een totaal verkeerd beeld geschetst, waarbij citaten ten onrechte zijn omgezet in stelligheden. Hiermee zijn volgens klaagster de grenzen van het betamelijke overschreden. Verweerders hebben ten onrechte niet hebben onderkend dat met de publicaties in De Gelderlander ook burgemeester Naafs zou worden beschadigd en hebben haar ten onrechte beschuldigd van het aanzetten tot homohaat. Door in het commentaar van 14 maart 2005 op te roepen tot het geven van reacties lijkt het alsof verweerders een soort volksgericht wilden aanrichten, aldus klaagster. Verweerders hebben ten onrechte haar raadslidmaatschap in deze kwestie betrokken. Zij heeft de e-mail immers als privé-persoon geschreven en aan een beperkt aantal leden van de VVD gestuurd. Klaagster wijst er verder op dat verweerders ten onrechte suggereren dat zij burgemeester Naafs ervan beschuldigt dat hij homo is. Verweerders hebben volgens klaagster misbruik gemaakt van hun positie door een beknotting van de vrijheid van meningsuiting te prediken. Hierdoor hebben zij in strijd gehandeld met de Nederlandse democratische verworvenheden. Klaagster en haar gezin zijn de wijze van publiceren in hun persoonlijke levenssfeer en integriteit aangetast en ten gevolge van de publicaties onevenredig hoog gestraft en publiekelijk te schande zijn gemaakt. Verweerders hebben bovendien onvoldoende rekening gehouden met het feit dat Rhenen een kleine gemeenschap is.
 
Verweerders stellen dat zij niet afzonderlijk en gedetailleerd op de dertien door klaagster geformuleerde klachten willen reageren. Zij betogen dat klaagster hen vanaf het moment van publicatie van het bericht “Raadslid stuurt ‘homomail’ rond” in De Gelderlander van 11 maart 2005 heeft bestookt met een veelheid aan eisen. Verweerders zien geen enkele reden om aan deze eisen tegemoet te komen. Zij stellen slechts te hebben gedaan wat elk gerespecteerd medium in dit geval zou doen: over de e-mail van klaagster berichten en er een commentaar aan wijden. Verweerders betogen verder dat de krant de plicht heeft om volksvertegenwoordigers in hun daden en gedragingen te volgen. Klaagster had zich bij het schrijven van haar e-mail moeten realiseren dat haar ‘ludieke schrijfstijl’ voor heel veel commotie zou zorgen in de Rhenense gemeenschap en ver daar buiten, aldus verweerders. 
 
Volgens verweerders had klaagster zich bovendien moeten realiseren dat wanneer zij een zeer geruchtmakende mail verspreidt onder relatief veel mensen, het niet zo verwonderlijk is dat de inhoud van haar boodschap ook de redactie van De Gelderlander bereikt. Het geeft geen pas om nu de drager van de boodschap op de consequenties van haar ludieke schrijfstijl aan te spreken, aldus verweerders. Ten slotte merken verweerders op dat zij klaagster herhaaldelijk hebben aangeboden om haar visie kenbaar te maken. Van dit aanbod heeft zij geen gebruik gemaakt.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht is, zo heeft klaagster ter zitting benadrukt, dat verweerders op onjuiste wijze hebben bericht over de inhoud van een vertrouwelijke e-mail die uitdrukkelijk niet voor publicatie bedoeld was. Volgens klaagster zouden verweerders hierdoor jegens haar onzorgvuldig hebben gehandeld.
 
Dat de e-mail niet voor publicatie bestemd was, doet voor de beoordeling van de klacht niet ter zake. Klaagster had zich bij verzending ervan moeten realiseren dat de – minst genomen: insinuerende en grievende – inhoud, die onder meer betrekking heeft op de burgemeester van de stad waar zij gemeenteraadslid is, op straat zou komen te liggen. Anders dan klaagster betoogt, valt enige onjuistheid of onzorgvuldigheid in de berichtgeving in De Gelderlander waartoe haar e-mail heeft geleid niet te ontwaren. Integendeel: die berichtgeving is, uitgaande van hetgeen redelijkerwijs in die e-mail mag worden gelezen, zonder meer passend.
 
De slotsom moet dan ook zijn dat verweerder geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaarbaar is, door over klaagster te berichten op de wijze zoals zij hebben gedaan.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Gelderlander te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 11 mei 2005 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, mw. C.J.E.M. Joosten en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.