2005/22 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

E. Heesen (PZC)

Bij brief van 7 maart 2005 met één bijlage heeft X (hierna: klaagster), een klacht ingediend tegen E. Heesen (hierna: verweerster) Hierop heeft A.L. Oosthoek, hoofdredacteur PZC, namens verweerster, geantwoord in een brief van 23 maart 2005 met één bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 april 2005 in aanwezigheid van klaagster. Verweerster is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 16 februari 2005 is in de PZC een artikel verschenen onder de kop “Loverboy moet aan slachtoffer 5000 euro vergoeding betalen” over een strafzaak tegen een loverboy. Klaagster is het in de kop bedoelde slachtoffer. Het artikel bevat de volgende passages:
De vordering van 5000 euro, die het 23-jarige Middelburgse slachtoffer van een loverboy in Amsterdam twee weken geleden indiende bij de Amsterdamse rechtbank, is volledig toegewezen.
en
Het meisje kreeg een relatie met de Limburger nadat ze in mei 2000 een ‘dagje Amsterdam’ deed met een vriendin. Na overleg zette hij haar in voor zijn prostitutiepraktijken. In het begin wilde ze dat zelf ook. Met het vele geld dat ze kon verdienen wilde ze een dure dansopleiding in New York gaan volgen. Ook hij beloofde haar gouden bergen. Samen zouden ze een discotheek kopen.
en
Het slachtoffer besloot uiteindelijk aangifte te doen toen ze merkte dat de verdachte een relatie had met een andere vrouw van wie hij een kind zou krijgen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat het gewraakte artikel a) te veel details bevat waardoor haar privé-leven openbaar is gemaakt en zij herkenbaar is geworden voor familie en vrienden uit haar geboortestreek, b) haar genoodzaakt heeft om uit de anonimiteit te treden terwijl zij dit steeds heeft willen voorkomen en c) het bovendien voor haar extra moeilijk heeft gemaakt om deze nare periode in haar leven af te sluiten. Volgens klaagster had verweerster alvorens te publiceren in overleg met haar moeten treden.
Ten slotte stelt klaagster dat het artikel feitelijke onjuistheden bevat ten aanzien van de woonplaats van de loverboy en haar reden tot aangifte.

Verweerster stelt dat zij de feiten – zonder nader commentaar of interpretatie – heeft weergegeven zoals ze in de openbare zitting aan de orde zijn geweest. Het betreft algemeen toegankelijke informatie, aldus verweerster, volgens wie de PZC in sub iudice-zaken nimmer in overleg treedt met partijen. Het gewraakte artikel bevat geen feitelijke onjuistheden ten aanzien van de woonplaats van de loverboy en de aangifte. Zowel ter zitting als in de dagvaarding en het vonnis is duidelijk gesproken over Venlo als woonplaats van de verdachte. Daarnaast is ter zitting duidelijk verklaard dat de aangifte heeft plaatsgevonden nadat klaagster kennis had genomen van een andere relatie van de verdachte, aldus verweerster.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Overeenkomstig het vaste oordeel van de Raad dient te worden vooropgesteld, dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk gegevens dient te bevatten opdat de lezer zich een waarheidsgetrouw en controleerbaar beeld van het nieuwsfeit kan vormen. Dit geldt ook voor publicaties over (strafzaken betreffende) ernstige misdrijven, temeer daar deze een signaalfunctie kunnen hebben jegens burgers en overheid. Tegenover dit uitgangspunt staat dat details van het misdrijf weggelaten dienen te worden, indien voorzienbaar is dat zij extra leed toevoegen aan het slachtoffer of zijn naaste familieleden en die details niet noodzakelijk zijn om de aard of de ernst van het misdrijf weer te geven (vgl. onder meer: X tegen Regio IJsselmond, RvdJ 2004/23).

In dit geval heeft klaagster als gevolg van de in het artikel aangeduide misdrijven bijzonder zwaar leed ondergaan. Haar bezwaren tegen de gewraakte berichtgeving, waarin zaken aan de orde komen die zij begrijpelijkerwijs niet aan de openbaarheid had willen prijsgeven, zijn dan ook zeker voorstelbaar. Toch kan haar standpunt, dat de wijze waarop zij is aangeduid te gemakkelijk leidt tot herkenbaarheid, niet worden gevolgd. De wijze waarop klaagster in het gewraakte artikel is aangeduid – een uit Middelburg afkomstige, 23-jarige vrouw die in New York een dure dansopleiding wilde gaan volgen – verschaft niet meer informatie over haar identiteit dan in het kader van een behoorlijke berichtgeving verantwoord is. Dat klaagster wellicht in kleine kring herkend zou zijn, kan daaraan niets afdoen.
De Raad overweegt voorts dat in het kader van rechtbankverslaggeving de regel van hoor en wederhoor, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aan de orde is (vgl. onder meer: X tegen Eindhovens Dagblad, RvdJ 2004/44). Aangezien in dit geval van bijzondere omstandigheden niet is gebleken, kan de klacht ook op dit punt niet tot gegrondbevinding leiden.
Evenmin heeft de Raad kunnen vaststellen dat het artikel feitelijke onjuistheden van enig belang bevat.

De Raad komt derhalve tot de slotsom dat verweerster geen grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerster deze beslissing integraal of in samenvatting in PZC te (laten) publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 mei 2005 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, drs. C.M. Buijs, mw. C.J.E.M. Joosten en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.