2005/21 deels gegrond onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A. Lamaiz

tegen

de hoofdredacteur van NOVA (NPS/VARA)

Bij brief van 9 februari 2005 met vier bijlagen, waaronder een video-opname van de NOVA-uitzendingen waarop de klacht betrekking heeft, heeft mr. J. van Koesveld namens A. Lamaiz, wonende te Amsterdam (hierna: klager), een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NOVA (hierna: verweerder). Mr. M.D. van Lieshout, bedrijfsjurist NPS, heeft op de klacht gereageerd bij brief van 15 maart 2005.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 april 2005. Klager is daar verschenen, vergezeld van mr. Van Koesveld. Aan de zijde van verweerder was mr. Van Lieshout aanwezig, vergezeld van de journalisten H. Kema en R. Bouwma, die het standpunt van verweerder heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de video-opname bekeken.

DE FEITEN

In twee uitzendingen van NOVA van 18 augustus 2004 en 7 september 2004 is aandacht besteed aan het lot van Marokkaanse vrouwen en hun kinderen die, na geruime tijd woonachtig te zijn geweest in Nederland, door hun partners of echtgenoten in Marokko worden achtergelaten. Reden voor deze handelwijze, zo wordt in deze uitzendingen naar voren gebracht, is dat deze mannen hiermee (trachten te) voorkomen dat zij worden verplicht ten behoeve van de vrouwen alimentatie te betalen of aan deze vrouwen een vergoeding verschuldigd zijn uit hoofde van een boedelverdeling. De uitzending van 18 augustus 2004 vormde het sluitstuk van een vijfdelige serie over het Rifgebergte in Marokko. Ook mevrouw S. Assadiki, de ex-echtgenote van klager, heeft in deze uitzending haar verhaal gedaan. In de tweede uitzending van NOVA van 7 september 2004 heeft verweerder de ex-echtgenoten van de achtergelaten vrouwen aan het woord gelaten. Hierin heeft verweerder enkele korte fragmenten gebruikt van een opgenomen, langdurig telefoongesprek tussen Kema en klager dat plaatsvond op 30 augustus 2004. Verweerder heeft zonder daarover klager vooraf te informeren en zonder zijn toestemming opnamen van dit gesprek gemaakt. Klager eindigde het telefoongesprek met de woorden: “Ik hoop dat het goed overgekomen is. Mocht u daar ergens een verslag van maken, of weet ik veel, dat u dan ook vertelt wat ik feitelijk heb verteld".

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hij door de NOVA-uitzendingen van 18 augustus 2004 en 7 september 2004 in zijn eer en goede naam is aangetast. In deze uitzendingen wordt volgens hem ten onrechte de indruk gewekt dat de situatie van zijn ex-echtgenote en hemzelf binnen het kader van deze uitzendingen past. Het relaas van zijn ex-echtgenote als ware zij door hem als grof vuil aan de kant gezet is echter onjuist, aldus klager. Zijn situatie is volstrekt anders en door de twee uitzendingen van NOVA is ten onrechte het beeld ontstaan dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan verwerpelijke gedragingen. Volgens klager heeft verweerder diens journalistieke verantwoordelijkheden overschreden door het relaas van zijn ex-echtgenote uit te zenden zonder enig onderzoek te plegen of navraag te doen. Klager heeft daarvan schade ondervonden. Hij is door familieleden, vrienden en collega’s aangesproken op deze programma’s. Niet alleen zijn ex-echtgenote werd door vele mensen herkend, ook zijn eigen stem was voor zijn directe omgeving zeer herkenbaar. Klager heeft zich keer op keer moeten verantwoorden voor vermeende misdragingen.
Klager betoogt verder eerst ten behoeve van de tweede uitzending van 7 september 2004 door verweerder te zijn benaderd om zijn kant van het verhaal te vertellen. In het telefoongesprek van 30 augustus 2004 heeft hij duidelijk gemaakt dat het relaas van zijn ex-echtgenote onjuist was en voorts heeft hij getracht kenbaar te maken dat hij er bezwaar tegen had dat stukken van het telefoongesprek zouden worden gebruikt voor een uitzending van NOVA. Klager ontkent bovendien dat hij met de woorden “Ik hoop dat het goed overgekomen is. Mocht u daar ergens een verslag van maken, of weet ik veel, dat u dan ook vertelt wat ik feitelijk heb verteld” toestemming zou hebben gegeven voor openbaarmaking van het gesprek. Volgens klager is met de door de redactie van NOVA gemaakte selectie van het telefoongesprek een onjuist beeld geschetst van de feitelijke situatie en zijn optreden. Hiermee heeft verweerder bijgedragen aan een onjuiste beeldvorming van Marokkaanse mannen in het algemeen en van klager in het bijzonder.
Ten slotte wijst klager erop dat verweerder zijn journalistieke vrijheid op onjuiste wijze heeft gebruikt en met de gewraakte uitzendingen de journalistieke ethiek en beroepsmoraal heeft geschonden. Hiervan is hij het slachtoffer geworden.

Verweerder stelt dat in het voorjaar van 2004 het idee ontstond om in een uitzending van NOVA aandacht te besteden aan het lot van vrouwen van Marokkaanse en Turkse afkomst die door hun echtgenoot in het land van herkomst worden gedumpt tijdens een vakantie aldaar. De uitzending van 18 augustus 2004 vormde het laatste deel van een vijfluik over het Rifgebergte in Marokko. Naast het onderwerp ‘dumpen van echtgenoten’ is er ook aandacht besteed aan de herkeuring van in Marokko woonachtige WAO-ers en de gevolgen van de aardbeving die begin 2004 het Rifgebergte teisterde. Ten behoeve van deze gehele reportage-serie, inclusief de uitzending van 18 augustus 2004, hebben de betrokken journalisten degelijk onderzoek verricht, aldus verweerder. Zo zijn er intensieve contacten geweest met de betrokken advocaten, de medewerkers van het steunpunt voor Marokkaanse Nederlanders in de Marokkaanse plaats Berkane en de hulporganisatie ABASE. Ook is er veel contact geweest met de Nederlandse ambassade in Rabat. Daarnaast had het NOVA-team de beschikking over een goed ingevoerde tolk. De reportage van 18 augustus 2004 ging over vrouwen die door hun mannen worden achtergelaten teneinde een scheiding in Nederland te vermijden. Verweerder betoogt dat het verhaal van de ex-echtgenote van klager wel degelijk in deze context past. Er zijn volgens verweerder meerdere instanties die haar verhaal kunnen bevestigen. In het telefoongesprek dat klager op 30 augustus 2004 met Kema voerde heeft klager volgens verweerder gezegd dat hij zijn vrouw pas in Marokko heeft verteld dat hij van haar wilde scheiden en dat hij nog diezelfde week in Marokko de echtscheidingsprocedure is begonnen. Of het mislukte huwelijk verder aan hem of aan haar te wijten valt doet voor het onderwerp niet ter zake, aldus verweerder.
Verder stelt verweerder dat klager niet met naam en toenaam is genoemd in de uitzendingen. Alleen zijn ex-echtgenote is herkenbaar in beeld geweest. De schade die klager stelt te hebben geleden lijkt gering en is niet onaanvaardbaar gezien het maatschappelijk belang van het onderwerp, aldus verweerder. De uitzending van 7 september 2004 was geheel gewijd aan de standpunten van de ex-echtgenoten van de eerder in Marokko geportretteerde vrouwen. Verweerder stelt dat klager tijdens het telefoongesprek van 30 augustus 2004 keer op keer de mogelijkheid is geboden om op televisie zijn kant van het verhaal te vertellen, eventueel onherkenbaar. Volgens verweerder ging klager daar niet op in maar wilde hij wel dat zijn kant van het verhaal zou worden belicht in een uitzending van NOVA. Tijdens het telefoongesprek heeft Kema een band mee laten lopen om achteraf duidelijkheid te kunnen scheppen over wat exact is gevraagd en is gezegd. Voorafgaand aan het gesprek bestond er volgens verweerder niet de intentie om het gesprek uit te zenden. Klager sloot zijn verhaal echter af met de woorden: “Ik hoop dat het goed overgekomen is. Mocht u daar ergens een verslag van maken, of weet ik veel, dat u dan ook vertelt wat ik feitelijk heb verteld”. Hiermee heeft klager toestemming gegeven voor het gebruik van zijn woorden in de uitzending van 7 september 2004. Klager heeft op geen enkel moment duidelijk gemaakt dat hij bezwaar had tegen het gebruik van de inhoud van het telefoongesprek. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat hoor en wederhoor op de juiste manier zijn toegepast.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht bevat de volgende onderdelen:

a) verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door het verhaal van de ex-echtgenote op te nemen in de uitzending van 18 augustus 2004;
b) verweerder heeft ten onrechte nagelaten wederhoor toe te passen voorafgaand aan de uitzending van 18 augustus 2004;
c) verweerder heeft zonder dit te melden opnamen gemaakt van het telefoongesprek van 30 augustus 2004 en zonder toestemming delen daarvan gebruikt in de uitzending van 7 september 2004.

Voor zover de klacht is gericht tegen het opnemen van het verhaal van de ex-echtgenote van klager in de uitzending over ‘gedumpte vrouwen’, onthoudt de Raad zich van een oordeel. De lezingen van partijen met betrekking tot de wijze waarop en de omstandigheden waaronder zij in Marokko is achtergelaten, staan lijnrecht tegenover elkaar, terwijl onvoldoende materiaal voorhanden is op grond waarvan de Raad kan vaststellen welke lezing de juiste is.

De klacht dat ten aanzien van de uitzending van 18 augustus 2004 ten onrechte geen wederhoor is toegepast, is ongegrond. Verweerder heeft vanuit Marokko verslag gedaan over het lot van achtergelaten vrouwen. Dit verslag is uitsluitend gemaakt vanuit het perspectief van deze vrouwen. De uitzending bevat een aantal ernstige aantijgingen aan het adres van verschillende Marokkaanse mannen onder wie klager. Deze mannen worden echter niet met naam genoemd in de uitzending en zijn verder ook niet direct identificeerbaar. Er bestaat dan ook geen grond voor de conclusie dat verweerder journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door ten aanzien van de uitzending van 18 augustus 2004 geen wederhoor bij klager toe te passen.

Een journalist die een telefoongesprek opneemt teneinde (delen van) die opname in een uitzending ten gehore te brengen, dient – behoudens hier niet aan de orde zijnde bijzondere omstandigheden – zijn gesprekspartner ervan op de hoogte te stellen dat en met welk doel hij die opname maakt. Indien, zoals in dit geval, het voornemen tot uitzending eerst ontstaat na het maken daarvan, behoort een journalist niet tot uitzending over te gaan alvorens zijn gesprekspartner daartoe uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven. Uitdrukkelijke toestemming valt, anders dan verweerder meent, in klagers woorden (“Ik hoop dat het goed overgekomen is. Mocht u daar ergens een verslag van maken, of weet ik veel, dat u dan ook vertelt wat ik feitelijk heb verteld”) niet te lezen. Door desondanks tot uitzending over te gaan heeft verweerder grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Onderdeel c van de klacht is dus gegrond.

BESLISSING

1. ten aanzien van onderdeel a) onthoudt de Raad zich van een oordeel;
2. onderdeel b) is ongegrond.
3. onderdeel c) is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van NOVA en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 mei 2005 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, drs. C.M. Buijs, mw. C.J.E.M. Joosten en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.