2005/18 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Janssens, h.o.d.n. Apotheek St.-Lambertus

tegen

mr. M.M.S. Ubags, hoofdredacteur van de Ster

Bij brief van 4 februari 2005 met zes bijlagen heeft mr. G.J.J.A. van Zeijl, advocaat te Maastricht, namens A. Janssens (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen mr. M.M.S. Ubags (hierna: verweerder). Vervolgens heeft mr. Van Zeijl de klacht nader toegelicht in een schrijven van 11 februari 2005. Verweerder heeft op de klacht gereageerd in een brief van 17 februari 2005.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 maart 2005 in aanwezigheid van klaagster en haar raadsman, die de klacht heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Verweerder is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 29 oktober 2004 is op de voorpagina van de Ster, die huis-aan-huis in Maastricht wordt verspreid, een artikel verschenen onder de kop “St. Lambertus-bende goed voor 12 miljoen XTC-pillen”. De intro van het artikel luidt:
Maar liefst vijf zittingsdagen voor de rechtbank in Maastricht zijn er voor uitgetrokken. De officier van justitie sprak al eerder van een “mega”-zaak. De Maastrichtse XTC-bende St. Lambertus die sinds mei van dit jaar in voorarrest zit, heeft naar schatting tien tot twaalf miljoen MDMA-pillen, beter bekend als XTC, geslagen.
Verder bevat het artikel de volgende passages:
De naam van de bende is afgeleid van de naam van de apotheek in Neerharen/Lanaken, waar de grondstoffen voor de XTC-productie openlijk en legaal ingekocht konden worden.
en
Dat spul werd net als andere XTC-grondstoffen (...) in grote hoeveelheden simpel afgehaald bij de apotheek. Indien nodig werkte de apotheek mee aan spoedbestellingen. Saillant detail: In België mag een apotheker dat allemaal leveren aan het publiek.
Pech evenwel voor de St. Lambertus-bende dat de groothandel in farmaceutische producten Febelco uit Hasselt (die aan de apotheek leverde) gehoor had gegeven aan een verzoek van de Belgische politie om ongebruikelijke bestellingen te tippen. De bestellingen van honderden kilo’s en liters grondstoffen waren zéér ongebruikelijk.

Bij het artikel is een foto van de apotheek van klaagster geplaatst.

Vervolgens is op 3 december 2004 op pagina 5 van de Ster een artikel verschenen onder de kop “Burgerzin leidt tot drugsimago”, waarvan de lead luidt:
Ze kan er nog niet over uit. Aldegonde Janssens, houdster van apotheek St. Lambertus in Neerharen, Lanaken. “Ik ben slachtoffer geworden van mijn burgerzin om de politie te helpen. Ineens stond ik in De Ster als leverancier van de naar mijn zaak genoemde St. Lambertusbende, die 12 miljoen XTC-pillen maakte. Je moest eens weten hoeveel mensen mij daarop aangesproken hebben.” Ze wil haar verhaal doen, om dat beeld recht te zetten.
Het slot van dit artikel luidt:
Het gaat mis als De Ster op 29 oktober een verhaal publiceert over de St. Lambertusbende uit Maastricht die keurig bevoorraad werd door een apotheker net over de grens. Janssens: “Dat verhaal klopte, maar het is niet de hele waarheid. Die is dat ik juist op verzoek van de politie doorging met leveren. Ik heb willen helpen, met als resultaat dat ik nu een drugs-imago heb en dat ik ook nog bang moet zijn voor represailles.” Het is voor haar de reden om dit verhaal te vertellen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de publicatie van 29 oktober 2004 onjuist en onnodig grievend is. Verweerder heeft de XTC-bende met de naam van haar apotheek aangeduid en daardoor ten onrechte de indruk gewekt dat haar apotheek deel is van een criminele organisatie, aldus klaagster. Verder betoogt zij dat haar apotheek ten onrechte is neergezet als een die uit winstbejag en zonder moraliteitsbesef en verantwoordelijkheidsgevoel heeft meegewerkt aan de productie van harddrugs. Volgens klaagster is ten onrechte de indruk gewekt dat zij zich ‘zienderogen blind’ heeft opgesteld, waar anderen aan de bel hebben getrokken. Door de combinatie met de naamgeving van de bende heeft haar apotheek ten onrechte het odium gekregen van een gewetenloze, zich met criminelen inlatende onderneming. Verweerder had moeten begrijpen dat vertrouwen, integriteit en moraliteit voor een apotheker van wezenlijk belang zijn, aldus klaagster. Zij betoogt dat zij door de publicatie aanzienlijk in haar belangen is geschaad. Haar apotheek is duidelijk herkenbaar in de publicatie en zij is door veel personen daarop aangesproken.
Klaagster stelt voorts dat verweerder haar ten onrechte geen wederhoor heeft geboden. Als verweerder zich vóór de publicatie tot haar had gewend, dan had zij hem kunnen meedelen dat zij de Belgische politie juist van de opvallende bestellingen op de hoogte heeft gesteld. Verder had zij verweerder in dat geval kunnen berichten dat zij op uitdrukkelijk verzoek van de politie is doorgegaan met de leveringen aan de bende, en dat die door de politie werden geobserveerd.
Bovendien heeft verweerder onvoldoende onderzoek verricht, aldus klaagster. Zij betwijfelt of verweerder, zoals door hem gesteld, de beschikking heeft gehad over het strafdossier. Als dat evenwel het geval was, dan had hij niet alleen daarop mogen afgaan, te minder omdat het onderzoek ten tijde van de publicatie nog niet was afgerond. Pas na de publicatie is zij door de rechter-commissaris gehoord. De zaak is nog niet eens ter zitting behandeld. Het strafrechtelijk onderzoek verkeerde derhalve in een zodanig pril stadium, dat verweerder had kunnen weten dat in het dossier nog niet alle informatie voorhanden was. Klaagster stelt dat dit bij verweerder, die bovendien juridisch onderlegd is, tot het in acht nemen van extra zorgvuldigheid en terughoudendheid had moeten leiden. In ieder geval had verweerder haar in de gelegenheid moeten stellen haar versie van de zaak te geven, hetgeen hij ten onrechte heeft nagelaten, aldus klaagster.
Zij stelt verder dat zij na de publicatie haar bezwaren daartegen aan verweerder kenbaar heeft gemaakt. Verweerder heeft haar toen toegezegd de publicatie te zullen rectificeren. Volgens klaagster heeft zij met verweerder afgesproken dat de rectificatie, net als de gewraakte publicatie, op de voorpagina zou verschijnen, althans daar zou beginnen. Klaagster wijst in dit verband op een verklaring van een getuige betreffende de afspraken die zij met verweerder heeft gemaakt. Klaagster stelt dat verweerder zich ten onrechte niet aan die afspraken heeft gehouden: de rectificatie is op pagina 5 verschenen en is bovendien niet als zodanig herkenbaar. Volgens klaagster is haar aldus geen recht gedaan.

Verweerder stelt zich te hebben gebaseerd op het dossier in de strafzaak, dat volgens hem een uitputtende weergave bevatte van het onderzoek naar de XTC-bende. Volgens verweerder mag een journalist zich op een dergelijk dossier baseren.
Verder stelt hij dat hij wederhoor heeft toegepast door de verklaring van klaagster, zoals die in het dossier zat, te gebruiken. In die verklaring vermeldt zij waarom zij grondstoffen voor XTC is blijven leveren aan de bende. Die verklaring bevatte aldus voor hem het antwoord op de vraag die hij anders aan haar zou hebben gesteld. Hij zag geen reden om aan de verklaring van klaagster te twijfelen, te minder omdat zij geen verdachte is, maar getuige, aldus verweerder. Volgens hem heeft klaagster willens en wetens spullen aan de bende geleverd en heeft hij dat in de publicatie van 29 oktober 2004 beschreven.
Verweerder betwist dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt, dan wel een verkeerde suggestie heeft gewekt. Verder betwist hij dat hij een onnodig grievend beeld van klaagster heeft geschetst door de naam van de apotheek aan de criminele organisatie te verbinden. Immers, de XTC-bende kon eenvoudig grondstoffen inslaan bij klaagster en zij werkte zelfs mee aan spoedbestellingen. Het vermelden van die feiten kan weliswaar schade toebrengen aan haar goede naam, maar dat betekent niet dat hij op een journalistiek onaanvaardbare wijze over de zaak heeft bericht. Klaagster heeft het risico aanvaard dat een en ander in de publiciteit zou komen. Die publiciteit was voorzienbaar en de Ster was slechts de boodschapper, aldus verweerder.
Hij betoogt dat de feiten voor zich spreken. Die feiten kloppen, en hij mocht daarop afgaan. Van onvoldoende onderzoek is derhalve volgens hem geen sprake.
Verweerder stelt voorts dat, als sprake is van beschuldigingen, hij altijd vooraf wederhoor toepast bij de beschuldigde. Klaagster is echter niet als beschuldigde opgevoerd; wat zij heeft gedaan, is legaal. In het artikel is dat ook vermeld.
Na de publicatie van 29 oktober 2004 bleek dat klaagster op verzoek van de politie had gehandeld. Dit was zodanig nieuwe informatie, dat hij daarover een nieuw artikel wilde schrijven, zodat de exacte rol van klaagster voor de lezer duidelijk zou worden. Wederhoor heeft toen geleid tot de publicatie van 3 december 2004. Volgens verweerder is dat een juiste journalistieke benadering. Van een rectificatie is nooit sprake geweest, aldus verweerder. Hij betwist dat hij met klaagster afspraken heeft gemaakt over de wijze van plaatsing. Het is dan ook niet ontoelaatbaar dat hij het tweede artikel op pagina 5 heeft geplaatst. Overigens heeft hij toen ook foto’s van klaagster gemaakt, maar op haar verzoek heeft hij die uiteindelijk niet geplaatst. Het tweede artikel heeft hij bovendien vooraf ter inzage aan klaagster doen toekomen, die met de inhoud daarvan akkoord was.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
1. Verweerder heeft in de publicatie van 29 oktober 2004 onjuist bericht, althans een verkeerde indruk gewekt over klaagster c.q. haar apotheek.
2. Verweerder heeft een onnodig grievend beeld van klaagster c.q. haar apotheek geschetst, met name door de naam van klaagsters apotheek te verbinden aan een criminele organisatie.
3. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan.
4. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten klaagster wederhoor te bieden ten aanzien van het artikel van 29 oktober 2004.
5. Verweerder heeft onbehoorlijk gerectificeerd.

Klaagster heeft gesteld dat zij op verzoek van de politie is doorgegaan met het leveren van grondstoffen aan de XTC-bende en dat deze informatie zich ten tijde van de publicatie van 29 oktober 2004 nog niet in het desbetreffende – naar verweerder stelt door hem als bron gebruikte – strafdossier bevond. Verweerder heeft deze stellingen niet weersproken.

Verweerder heeft de naam van klaagsters apotheek aan de XTC-bende verbonden, vermeld dat ‘de XTC-grondstoffen in grote hoeveelheden simpel afgehaald konden worden bij de apotheek van klaagster en zij, indien nodig, meewerkte aan spoedbestellingen’ en dat ‘de groothandel in farmaceutische producten gehoor heeft gegeven aan een verzoek van de Belgische politie om ongebruikelijke bestellingen te tippen’. Bovendien heeft verweerder bij het artikel een foto van de apotheek van klaagster geplaatst. Weliswaar is in het artikel ook vermeld dat de leveringen van klaagster aan de XTC-bende legaal waren, maar onvermeld is gebleven dat klaagster de leveringen nou juist heeft verricht teneinde de politie behulpzaam te zijn. Aldus heeft verweerder op een wezenlijk punt onvolledig en daardoor onjuist over klaagster bericht.

Door de wijze waarop over klaagster is bericht, zal de lezer zich moeilijk aan de indruk kunnen hebben onttrekken dat klaagster weliswaar mogelijk niet illegaal, maar in elk geval onfatsoenlijk heeft gehandeld, door als apotheker uit winstbejag grondstoffen aan een XTC-bende te leveren, zonder dat voor die levering een rechtvaardiging bestaat. Aldus is de integriteit van klaagster ten onrechte ernstig in twijfel getrokken en is de publicatie niet alleen onjuist, maar jegens klaagster ook onnodig grievend.

Verweerder had een en ander kunnen en derhalve behoren te voorkomen door zich niet alleen – zoals hij stelt – te baseren op het strafdossier, maar tevens nader onderzoek te verrichten dan wel klaagster wederhoor te bieden, maar heeft dat nagelaten. Gesteld noch gebleken is dat bijzondere omstandigheden deze handelwijze kunnen rechtvaardigen. (vgl. onder meer: Ruiter tegen Blank en het Noordhollands Dagblad, RvdJ 2004/81)

De vraag is vervolgens of de hiervoor geconstateerde onzorgvuldigheden door de publicatie van 3 december 2004 voldoende zijn hersteld. Bij zijn oordeel daarover laat de Raad in het midden of verweerder – zoals door klaagster gesteld – bepaalde afspraken niet is nagekomen, nu de standpunten van partijen ter zake lijnrecht tegenover elkaar staan en de Raad niet kan vaststellen welk standpunt juist is. Dat neemt evenwel niet weg dat klaagster, gelet op de onzorgvuldige berichtgeving van 29 oktober 2004, ook als zulke afspraken niet zijn gemaakt een adequate rectificatie mocht verwachten. Daarvan is echter naar het oordeel van de Raad geen sprake.

Weliswaar heeft klaagster in de publicatie van 3 december 2004 de gelegenheid gekregen haar versie van de kwestie te geven en heeft verweerder dit artikel vooraf aan klaagster voorgelegd, maar daarmee is het artikel van 29 oktober 2004 niet deugdelijk gerectificeerd.
Bij het rectificeren dient de journalist aan de lezer duidelijk te maken dat hij in de te rectificeren publicatie niet juist heeft bericht. Dat is hier echter niet gebeurd.
(vgl. onder meer Wolvers en gemeente Brunssum tegen Senden, RvdJ 2004/83 en Alizonne tegen Nieuwe Revu, RvdJ 2004/80)

Een en ander leidt tot de slotsom dat de klacht gegrond is en dat verweerder door te handelen en na te laten als hiervoor vermeld, grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Ster te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 22 april 2005 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, drs. C.M. Buijs, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.