2005/16 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J.A. Blaauw, oud-hoofdcommissaris van politie

tegen

de hoofdredacteur van het televisieprogramma ‘Zembla’ (VARA)

Bij brief van 30 december 2004 met vijf bijlagen heeft J.A. Blaauw, oud-hoofdcommissaris van politie, te Berkel en Rodenrijs (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het televisieprogramma ‘Zembla’ (hierna: verweerder). Hierop heeft mr. drs. M.F. Hartstra, bedrijfsjuriste van de VARA, namens verweerder geantwoord in een schrijven van 25 januari 2005 met twee bijlagen, waaronder een video-opname van de gewraakte uitzending.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 maart 2005. Klager is daar verschenen en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Namens verweerder waren voornoemde Hartstra, K. Driehuis (eindredacteur), J. van Dongen (samensteller) en M. van Essen (researcher) aanwezig. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de video-opname van de uitzending bekeken.

DE FEITEN

Op 18 november 2004 is in het televisieprogramma ‘Zembla’ een documentaire uitgezonden met als onderwerp “Vermoorde kinderen” (hierna: de uitzending). In het programma is onder meer de heer Grishaver geïnterviewd over de moord op zijn dochtertje, 18 jaar geleden. Volgens Grishaver waren zowel artsen uit het Sophia Kinderziekenhuis als politieambtenaren ervan op de hoogte dat zijn dochtertje werd mishandeld.
In de uitzending zijn door een zogeheten ’voice-over’ onder meer de volgende passages uitgesproken:
De vader doet aangifte tegen de twee politieambtenaren, tegen de toenmalige hoofdcommissaris Blaauw en tegen twee artsen van het Sophia Kinderziekenhuis. Uniek in Nederland.
en
Het wordt een langdurige procedure. Eerst wordt de aangifte afgedaan als ‘reeds verjaard’. Grishaver gaat in beroep bij het gerechtshof, met als hoofdadvocaat-generaal Van Capelle. Hij schrijft dat de zaak verjaard is. Maar dat er wel een moreel verwijt te maken valt: “Het is ook niet uit te leggen dat (oud-)politieambtenaren (waaronder zich als gerenommeerd deskundige en strafrechtelijk ethisch geweten van de Nederlandse politie presenterende oud-hoofdcommissaris Blaauw) en artsen niet ingrijpen terwijl ze de wetenschap hebben van voortdurende ernstige mishandelingen van een onschuldig, weerloos kind.
en
Je zou dus excuses verwachten, maar in plaats daarvan dient de politie Rotterdam, Blaauw en het ziekenhuis een klacht in tegen Van Capelle, want hij had het niet zo mogen schrijven. Het vervolg is verbijsterend. De klacht is gegrond en Van Capelle moet excuses aanbieden, want de rechter had moeten beslissen. Maar omdat de zaak verjaard is, zal er nooit een rechter aan te pas komen.
en
De artsen van het Sophia Kinderziekenhuis zeggen dat ze een vertrouwensarts hebben ingeschakeld en dat hun dus niets te verwijten valt. Ze willen, net als politie Rotterdam en oud-hoofdcommissaris Blaauw, niet reageren.

Voor de uitzending, op 10 november 2004, heeft het Openbaar Ministerie onder de kop “College acht klachten tegen hoofd-AG gegrond” het volgende persbericht verspreid:
Het College van procureurs-generaal heeft klachten tegen hoofdadvocaat-generaal M.A.A. van Capelle gegrond verklaard. Oud-hoofdcommissaris J.A. Blaauw en het Erasmus Medisch Centrum (Erasmus MC) in Rotterdam dienden een klacht in tegen de hoofd-AG vanwege grievende opmerkingen in een ambtsbericht aan het Gerechtshof in Den Haag.
Van Capelle maakte het ambtsbericht ten behoeve van een “art.12 Sv-procedure”, een procedure waarin mensen kunnen klagen over een sepotbeslissing van de officier van justitie. De art.12Sv-procedure was gestart door de vader van een driejarig meisje dat in 1986 door geweld om het leven is gekomen. De moeder van het meisje en haar vriend zijn in deze zaak veroordeeld tot gevangenisstraffen. De vader van het meisje was van mening dat niet alleen de moeder en haar vriend verantwoordelijk waren, maar ook een aantal politiemensen die bij het onderzoek betrokken waren, hun leidinggevende en artsen die de peuter in verband met kindermishandeling onder behandeling zouden hebben gehad, hetgeen niet het geval was. De vader deed daartoe in 2002 aangifte van uitlokking en/of medeplegen van doodslag tegen onder andere Blaauw en de twee artsen van het Erasmus MC. De officier van justitie in Rotterdam besloot geen vervolging in te stellen, waarop de vader een art.12Sv-procedure startte bij het gerechtshof. In elke art.12Sv-procedure maakt een advocaat-generaal van het ressortparket een ambtsbericht, dat dient als advies voor het gerechtshof. In de bewuste zaak werd het ambtsbericht gemaakt door hoofdadvocaat-generaal Van Capelle. Daarin concludeerde hij – net als eerder de officier van justitie en later het gerechtshof in de art.12Sv-procedure – dat de betrokkenen geen strafrechtelijk verwijt kon worden gemaakt. In zijn advies aan het hof schreef Van Capelle echter wel dat de betrokkenen de nodige morele verwijten konden worden gemaakt. In dat verband maakte hij onnodige en grievende opmerkingen aan het adres van de beide artsen en de oud-hoofdcommissaris. Het gerechtshof stuurde op zijn verzoek dit ambtsbericht aan de vader, die er vervolgens mee naar de Telegraaf stapte.
Het College van procureurs-generaal heeft geconcludeerd dat de gewraakte opmerkingen niet konden worden gebaseerd op de feiten, zoals deze in het dossier van deze zaak of anderszins zijn weergegeven. Een en ander houdt in dat op feitelijke noch op juridische gronden er in het dossier argumenten te vinden zijn voor het morele verwijt dat betrokkenen is gemaakt.
Het College acht de klachten van de drie betrokkenen hierover dan ook gegrond. M.A.A. Van Capelle heeft aan de klagers zijn excuses aangeboden. Zij hebben de excuses aanvaard.


DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de uitzending ten onrechte het verwijt, althans de suggestie bevat dat hij moreel mede verantwoordelijk is voor de dood van de dochter van Grishaver door nalatigheid in zijn functie. In de uitzending is op onjuiste wijze aandacht besteed aan het feit dat zijn klacht tegen Van Capelle – over het verwijt dat deze hem heeft gemaakt – door het College van procureurs-generaal gegrond is verklaard. Verweerder heeft ten onrechte de indruk gewekt dat die gegrondverklaring is gebaseerd op het feit dat de zaak verjaard was, aldus klager.
Verder stelt hij dat verweerder in de uitzending ten onrechte heeft bericht dat hij niet heeft willen reageren op de zaak. Toen hij werd benaderd voor een reactie heeft hij verwezen naar het door het College van procureurs-generaal opgestelde persbericht, dat hem vooraf in concept was toegezonden, en gezegd dat hij daaraan niets had toe te voegen. Volgens klager had verweerder dat niet anders mogen en kunnen opvatten dan dat hij het eens was met de inhoud van dat persbericht, dat naar zijn mening aan duidelijkheid niets te wensen overliet. Klager voelde zich door dat persbericht volledig en publiekelijk van alle blaam gezuiverd. Hij verwachtte niet anders dan dat het persbericht ook voor verweerder ter zake voldoende helderheid had verschaft en hij nam daarom aan dat verweerder op de juiste wijze aan een en ander aandacht zou besteden. Dat is echter niet gebeurd, aldus klager.
Hij betoogt dat verweerder hem aldus ernstig in zijn belangen heeft geschaad door het verwijt dat Van Capelle hem heeft gemaakt in stand te laten.

Verweerder stelt voorop dat hij met de uitzending een bijdrage heeft geleverd aan de ‘week van de kindermishandeling’. In de uitzending is naar voren gebracht dat jaarlijks veel kinderen door hun (stief)ouders worden mishandeld en vermoord, en dat hulpverlening en politie in veel gevallen adequater hadden kunnen reageren. Dit was ook het geval in de zaak Grishaver. Het unieke in die zaak is dat de vader de politie en het ziekenhuis heeft willen laten vervolgen voor hun nalatigheid. Helaas heeft hij daartoe besloten op een moment dat de zaak al verjaard was, aldus verweerder.
Volgens hem zijn in de uitzending de feiten van de zaak Grishaver weergegeven en heeft klager de juistheid van die feiten niet betwist.
Verweerder meent dat hij op juiste wijze heeft bericht over de afwikkeling van de klacht van klager tegen Van Capelle. Hij wijst erop dat de uitspraak van het College niet is openbaar gemaakt, maar dat alleen een persbericht is verspreid, dat kennelijk mede door klager is opgesteld. Verweerder acht het persbericht om verschillende redenen merkwaardig. Er staat in dat de officier van justitie ‘besloot geen vervolging in te stellen’ en dat Van Capelle concludeerde ‘dat de betrokkenen geen strafrechtelijk verwijt kon worden gemaakt’, maar de zaak was gewoon verjaard, aldus verweerder. Volgens hem ging de procedure inzake de klacht van klager alleen over de vraag of Van Capelle zijn overwegingen ten overvloede had mogen opnemen. Research van Zembla-medewerkers heeft uitgewezen dat onder meer het medisch dossier in de zaak Grishaver niet ter beschikking is gesteld aan het College van procureurs-generaal. Het College heeft niet over het verwijt (dat aan het adres van klager is gemaakt) op zichzelf kunnen oordelen, omdat een volledig onderzoek van het strafdossier van de moord niet heeft plaatsgevonden, aldus verweerder.
Hij meent dat kennisneming van het hele dossier tot geen ander oordeel kan leiden dan dat politie en hulpverleners wel degelijk een moreel verwijt kan worden gemaakt. In dat licht moet ook de passage “want de rechter had moeten beslissen” worden bezien. Daarmee heeft hij willen aangeven dat het goed zou zijn geweest als de rechter over de zaak had geoordeeld.
Verweerder stelt dat een aantal keren contact is opgenomen met klager om hem in de gelegenheid te stellen zijn visie op de zaak te geven, maar dat klager steeds verwees naar het persbericht dat zou worden verspreid. Toen dat persbericht er was, deelde klager mee dat hij daaraan niets had toe te voegen. Volgens verweerder heeft klager, die ervaring heeft met de media, nooit willen reageren op vragen. Overigens is de inhoud van het persbericht, en daarmee de reactie van klager, wel degelijk opgenomen in de uitzending, aldus verweerder.
Hij concludeert dat de uitzending zorgvuldig tot stand is gekomen en dat geen sprake is van misleidende of manipulerende journalistiek jegens klager.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht is dat klager in de uitzending wordt verweten moreel (mede) schuldig te zijn aan de dood van de dochter van Grishaver, ondanks het feit dat het College van procureurs-generaal heeft geconcludeerd dat klager een dergelijk verwijt niet kan worden gemaakt.

In de uitzending is uit het ambtsbericht van Van Capelle geciteerd als volgt:
Het is ook niet uit te leggen dat (oud-)politieambtenaren (waaronder zich als gerenommeerd deskundige en strafrechtelijk ethisch geweten van de Nederlandse politie presenterende oud-hoofdcommissaris Blaauw) en artsen niet ingrijpen terwijl ze de wetenschap hebben van voortdurende ernstige mishandelingen van een onschuldig, weerloos kind.
De uitzending bevat aldus een ernstige beschuldiging aan het adres van klager. Volgens het vaste oordeel van de Raad dient een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor (vgl. onder meer: Schreurs tegen Quote, RvdJ 2004/100).

Niet in geschil is dat klager de mogelijkheid is geboden te reageren op de voorgenomen uitzending en dat klager heeft afgezien van een reactie op persoonlijke titel onder verwijzing naar het persbericht van het College van procureurs-generaal. Geheel hiermee in lijn heeft verweerder het persbericht van voornoemd College in de uitzending verwerkt.
Naar het oordeel van de Raad heeft verweerder de inhoud en strekking van het persbericht echter onvolledig weergegeven. Verweerder heeft immers over de afwikkeling van de klacht van klager tegen Van Capelle bericht als volgt:
Het vervolg is verbijsterend. De klacht is gegrond en Van Capelle moet excuses aanbieden, want de rechter had moeten beslissen. Maar omdat de zaak verjaard is, zal er nooit een rechter aan te pas komen.
Uit het persbericht blijkt echter dat klagers klacht gegrond is verklaard omdat naar het oordeel van het College van procureurs-generaal “de gewraakte opmerkingen (van Van Capelle) niet konden worden gebaseerd op de feiten, zoals deze in het dossier van deze zaak of anderszins zijn weergegeven. Een en ander houdt in dat op feitelijke noch op juridische gronden er in het dossier argumenten te vinden zijn voor het morele verwijt dat betrokkenen is gemaakt.
Aldus heeft verweerder de juiste reden van de gegrondverklaring van klagers klacht niet vermeld en heeft hij ten onrechte de indruk doen ontstaan dat de klacht gegrond is verklaard vanwege het feit dat de zaak verjaard is.

Door de inhoud en strekking van het persbericht onvolledig en daardoor onjuist weer te geven heeft verweerder naar het oordeel van de Raad grenzen overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk schappelijk aanvaardbaar is.

Voor een goed begrip van de onderhavige uitspraak merkt de Raad op dat deze niet inhoudt – zoals door klager ter zitting naar voren is gebracht – dat het morele verwijt dat Van Capelle hem heeft gemaakt niet meer mag worden geciteerd, weergegeven of overgenomen. Het staat de journalist vrij een oordeel te hebben over de mate van verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van klager. Daarbij moet echter een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de (juiste) weergave van de feiten en de mening die men daarover heeft.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder bijvoorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Zembla’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 april 2005 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, mw. A.C. Diamand, T.R. Harkema, mr. A.H. Schmeink en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.