2005/15 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Z. Dogan

tegen

F. Dekkers en de hoofdredacteur van HP/De Tijd

Bij brief van 26 januari 2005 met vier bijlagen heeft Z. Dogan te Eindhoven (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen F. Dekkers en de hoofdredacteur van HP/De Tijd (hierna: verweerders), zulks onder begeleidend schrijven van M. de Graauw van Agea Verzekeringen BV. Naar aanleiding daarvan heeft de secretaris van de Raad klaagster bij brief van 1 februari 2005 in de gelegenheid gesteld haar klacht aan te vullen. Onder begeleidend schrijven van 22 februari 2005 van voornoemde De Graauw heeft klaagster gereageerd in een brief die kennelijk abusievelijk is gedateerd op 26 januari 2005. Onder begeleidende brieven van 11 en 17 maart 2005 heeft klaagster nog de volledige gewraakte publicatie overgelegd, alsmede een publicatie van Dekkers in Nieuwe Revu. Verweerders hebben niet op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 maart 2005 in aanwezigheid van klaagster, die haar klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerders zijn daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 9 april 2004 is in HP/De Tijd een artikel verschenen onder de kop “Het prijskaartje van correcte politiek”, aan de totstandkoming waarvan Dekkers heeft meegewerkt. De intro van het artikel – dat met name gaat over N. Dogan, een zuster van klaagster – luidt:
Om geen allochtonen te kwetsen, liet de gemeente Eindhoven een Turkse stichting jarenlang aanmodderen met subsidies. Een casestudy over dubieuze facturen, familiebelangen en een al te voorzichtig stadsbestuur.
Volgens het artikel zou N. Dogan als extern consultant van de bedoelde stichting ten onrechte subsidiegelden hebben verkregen, voor werkzaamheden die niet in boeken zijn terug te vinden. Klaagster, die volgens het artikel penningmeester van de stichting was, is als volgt geciteerd:
Zuster Zuhal Dogan verklaarde dat Nihal regelmatig in het Holland Casino kwam. ‘Gokken is geen schande in de Turkse gemeenschap; het heeft zelfs een bepaalde status.’

Eerder, op 2 juli 2003, is in Nieuwe Revu een artikel van Dekkers verschenen onder de kop “De val van een troetelturkse”, dat eveneens over N. Dogan gaat en waarin klaagster veelvuldig sprekend wordt aangehaald.

HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER

Klaagster stelt dat zij ten onrechte in het artikel is geciteerd. Volgens klaagster heeft zij in 2003 een onderhoud gehad met Dekkers ten behoeve van een publicatie in Nieuwe Revu. Omdat zij de Nederlandse taal niet voldoende machtig was, heeft zij zich tijdens dat gesprek laten vergezellen door een kennis die namens haar het woord heeft gevoerd. Zijzelf is niet aan het woord geweest. Haar kennis heeft aan Dekkers meegedeeld hoe binnen de Turkse cultuur wordt gedacht over gokken. Op een vraag van Dekkers of de zuster van klaagster in het casino komt, heeft de kennis toen geantwoord dat klaagsters zuster misschien haar gasten uit Turkije naar het casino had gebracht. De reden daarvoor zou kunnen zijn dat in die periode in Turkije een gokverbod bestond, maar dat wisten ze niet zeker. Dit, en niets anders, heeft haar kennis destijds aan Dekkers verteld. Het citaat is dus niet van haar afkomstig en is bovendien onjuist, aldus klaagster. Ter staving van haar stelling legt zij een verklaring van haar kennis over, een verklaring van haar neef, gespreksaantekeningen van Dekkers en de publicatie in Nieuwe Revu van 2 juli 2003.
Klaagster betoogt dat verweerders onzorgvuldig hebben gehandeld door ten onrechte te doen voorkomen alsof zij tegenover Dekkers zou hebben verklaard dat haar zuster in het casino komt. Ten gevolge van de publicatie is de verhouding met de zuster ernstig verstoord, aldus klaagster.
Ter zitting heeft klaagster desgevraagd hieraan toegevoegd dat in het artikel in Nieuwe Revu citaten zijn opgenomen als ware die van haar zelf afkomstig, omdat de kennis niet wilde dat haar naam zou worden gepubliceerd. Ter zitting heeft klaagster verder verklaard dat zij heeft ingestemd met hetgeen haar kennis aan Dekkers heeft meegedeeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens klaagster hebben verweerders jegens haar onzorgvuldig gehandeld, door haar ten onrechte te citeren. De Raad overweegt daarover het navolgende.

Tijdens het onderhoud dat klaagster in 2003 met Dekkers heeft gehad ten behoeve van een publicatie in Nieuwe Revu, heeft een kennis namens klaagster het woord gevoerd. Uit hetgeen klaagster ter zitting heeft verklaard, maakt de Raad voorts op dat klaagster destijds met Dekkers heeft afgesproken dat zij, en niet haar kennis, sprekend in Nieuwe Revu zou worden opgevoerd. Aldus heeft klaagster in het onderhoud met Dekkers zelf bewerkstelligd dat de door de kennis gedane uitspraken aan haar werden toegeschreven. In dat licht acht de Raad het niet journalistiek ontoelaatbaar dat verweerders thans het gewraakte citaat in HP/De Tijd evenzeer aan klaagster hebben toegeschreven.

In het gesprek met Dekkers is kennelijk aan de orde gesteld of de zuster van klaagster het casino zou bezoeken. In de door klaagster overgelegde aantekeningen van Dekkers staat onder meer: “N. gokprobleem / Holland Casino – T. mensen zagen haar daar ook / zeiden er niets van. – Gokken geen schande in T. gemeenschap / heeft bepaalde status.
Volgens klaagster zou haar kennis slechts aan Dekkers hebben meegedeeld dat de zuster wellicht Turkse gasten naar het casino heeft gebracht, maar niets hebben verklaard over mogelijk casinobezoek door de zuster zelf.

Weliswaar kan de Raad niet vaststellen wat de kennis van klaagster destijds in het gesprek met Dekkers precies heeft gezegd. Echter ook al zou het citaat “verklaarde dat Nihal regelmatig in het Holland Casino kwam”, zoals klaagster stelt, niet geheel juist zijn, dan nog is die omissie – bezien in de context van het artikel en gelet op de handelwijze van klaagster en haar kennis – niet van zodanige aard dat daarmee de conclusie is gerechtvaardigd dat verweerders jegens klaagster journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in HP/De Tijd te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 april 2005 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, drs. C.M. Buijs, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.