2005/14 niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

R.J.D. de Jong

tegen

de hoofdredacteur van ‘Kassa’ (VARA)

Bij brief van 24 november 2004 heeft R.J.D. de Jong te Bunschoten (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het televisieprogramma ‘Kassa’ (hierna: verweerder). Naar aanleiding daarvan heeft de secretaris van de Raad klager bij brief van 7 december 2004 in de gelegenheid gesteld zijn klacht aan te vullen. Daarop heeft klager gereageerd in een brief van 12 januari 2005 met een bijlage en in een brief van 20 februari 2005. Bij schrijven van 1 maart 2005 heeft de secretaris van de Raad aan klager bericht dat de Raad zich eerst over de ontvankelijkheid van klager zal uitspreken. In een brief van 9 maart 2005 heeft R. Veenstra, eindredacteur van ‘Kassa’, zich namens verweerder uitgelaten over de ontvankelijkheid van klager.

De ontvankelijkheidsvraag is behandeld ter zitting van de Raad van 18 maart 2005 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 13 maart 1999 is in het televisieprogramma ‘Kassa’ aandacht besteed aan een geschil tussen klager en een fietsenhandelaar over de aan- c.q. verkoop van een fiets.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat verweerder bij die gelegenheid op onjuiste, misleidende wijze heeft bericht over zijn dispuut met de fietsenhandelaar. Volgens klager heeft verweerder de uitzending gemanipuleerd door teksten te gebruiken en locaties te tonen alsof daarmee de feiten werden weergegeven, hetgeen niet zo was. Klager voelt zich daardoor als figurant misbruikt. Bovendien heeft verweerder afspraken en beloften verbroken, aldus klager.
Hij heeft verder de indruk dat verweerder afspraken heeft gemaakt met de fabrikant van de fiets, waardoor geen sprake is van onafhankelijke journalistiek.
Klager betoogt dat hij door de uitzending is geschaad.

Verweerder stelt dat de Raad om begrijpelijke redenen een termijn van zes maanden heeft ingesteld, waarbinnen een klacht bij de Raad moet worden ingediend. Verweerder hoopt dat de Raad deze zaak niettemin nog op zijn merites zal willen beschouwen.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Op 1 februari 2005 is in het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek artikel 2a ingevoerd, waarin in lid 1 is bepaald dat een klacht bij de Raad moet worden ingediend binnen zes maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden. In beginsel is een klager in zijn klacht niet-ontvankelijk indien hij het klaagschrift niet tijdig heeft ingediend. Niet-ontvankelijkverklaring op deze grond blijft achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de desbetreffende klager in verzuim is geweest.

Aangezien de onderhavige klacht is ontvangen vóór de inwerkingtreding van de hiervoor vermelde wijziging van het Reglement, overweegt de Raad ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager het volgende.

Soms kan in verband met tijdsverloop het ingevolge artikel 2 lid 2 onder d van het Reglement vereiste rechtstreeks belang van een klager bij een oordeel van de Raad zijn komen te ontbreken of belemmert tijdsverloop een juiste beoordeling van de klacht. In beide gevallen blijft een oordeel over de klacht achterwege.
Naar het oordeel van de Raad doet eerstbedoelde situatie zich hier voor. De gewraakte uitzending dateert van 19 maart 1999. Niet is gebleken van omstandigheden in verband waarmee geconcludeerd moet worden dat klager zijn bezwaren tegen die uitzending niet eerder aan de Raad kon voorleggen. Dat hij dat niet heeft gedaan, leidt tot het oordeel dat klager op dit moment geen rechtstreeks belang meer heeft bij een oordeel van de Raad, zodat hij in zijn klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

(vgl. onder meer: Amzand tegen Nourhussen en Contrast, RvdJ 2004/35).

BESLISSING

Klager is in zijn klacht niet-ontvankelijk.

De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Kassa’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 april 2005 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, drs. C.M. Buijs, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.