2005/13

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X en Y
 
tegen
 
B. van Sluis (Algemeen Dagblad)
 
Bij brief van 26 januari 2005 met twee bijlagen hebben X en Y (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen B. van Sluis (hierna: verweerder). Hierop heeft verweerder geantwoord in een schrijven van 27 februari 2005.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 maart 2005 in aanwezigheid van klagers, verweerder en A. Prins, chef binnenlandredactie van het Algemeen Dagblad.
 
DE FEITEN
 
Op 21 december 2004 is in het Algemeen Dagblad een artikel van de hand van verweerder verschenen onder de kop “Familie vreest volksgericht tijdens jaarwisseling. De intro van het artikel luidt:
De familie (…) uit Stuifzand gaat met angst en beven de feestdagen tegemoet. Het gezin is niet gewenst in het Drentse dorp en zegt zelfs voor ‘zijn leven te vrezen’. Veel dorpsgenoten vinden dat het gezin het volksgericht over zichzelf heeft afgeroepen.
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages:
Vader (X) en zoon (Y) hebben in de dertien maanden die ze in het 350 inwoners tellende dorp wonen al heel wat meegemaakt. Ingegooide ruiten, besmeurde muren en de meest vreselijke verwensingen. Ze doorstonden het - hoewel ze naar eigen zeggen er geestelijk aan onderdoor gaan - allemaal. Maar nu is hun een volksgericht met oud en nieuw in het vooruitzicht gesteld: vader en zoon moeten dood.
en
,,Wij zijn doodsbang. Die mensen zijn tot alles in staat”, zegt (X). ,,Wij zitten momenteel niet met een lekker gevoel in ons eigen huisje. Mijn zoon en ik voelen constante angst. Bij de vorige jaarwisseling is er met een vuurwerkpistool op ons huis geschoten.”
De twee staan volgens inwoners van Stuifzand garant voor asociaal gedrag en ellende. Het duo zou kinderen en ouderen belagen, mensen uitschelden en er zou zelfs iemand zijn geslagen. Volgens de (…) is daar niets van waar. ,,Wij zijn geen geboren Stuifzanders. Dan moeten sommigen je hier niet”, zegt de onthutste vader. ,,Ze proberen ons kapot te krijgen. Laatst is ons een ultimatum gesteld. We konden oprotten of anders onze doodskist bestellen.”
en
Eén van de inwoonsters uit Stuifzand is bang voor de vader en zijn zoon. ,,Ik ben bang dat ze de kinderen wat aandoen. Van het zomer hebben ze al twee kleine meisjes belaagd. In Veenoord, waar ze eerder zijn weggepest, hebben ze een meisje in een vuilniscontainer opgesloten.”
Op 28 december 2004 is in het Algemeen Dagblad in de rubriek ‘Correctie’ onder de kop “Stuifzand” de volgende tekst geplaatst:
In een artikel over een ruzie in het Drentse Stuifzand vermeldden wij onlangs dat de familie (…) afgelopen zomer twee meisjes in het dorp heeft lastiggevallen en in Veenoord een meisje in een container had opgesloten. De familie laat weten deze beschuldigingen te weerspreken. Bij de politie is nooit aangifte gedaan van voornoemde feiten.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen dat verweerder hen december vorig jaar telefonisch benaderde naar aanleiding van een artikel over klagers dat in De Telegraaf was verschenen. Nadat verweerder het verhaal van klagers had gehoord, vertelde hij dat hij nog een aantal buurtbewoners wilde spreken. Zij spraken met verweerder af dat hij hen op de hoogte zou brengen van hetgeen de buurtbewoners hem hadden verteld, zodat zij daarop zouden kunnen reageren, om misverstanden en fouten in de berichtgeving te voorkomen. Volgens klagers hebben zij vervolgens telefonisch contact gehad met verweerder, die hen vertelde dat hij inderdaad contact had gelegd met buurtbewoners. Daarbij noemde hij één van de bewoners bij naam en vertelde hij wat diegene had gezegd. Verder zei verweerder dat hij niets bijzonders te horen had gekregen.
Klagers zijn enorm geschrokken toen zij het artikel lazen. In het artikel is beweerd dat klagers meisjes in de buurt hadden belaagd en een meisje in Veenoord hadden opgesloten in een vuilniscontainer, terwijl dat nooit is gebeurd. Verweerder heeft volgens klagers niet laten weten dat dit hem was verteld door één van de buurtbewoners. Toen klagers verweerder hiermee telefonisch confronteerden en een rectificatie vroegen, antwoordde verweerder volgens klagers dat hij bepaalde wat er wel of niet in de krant kwam en dat hij niet zou rectificeren. Tevens meldde hij dat hij teleurgesteld was in klagers, omdat hij goed zijn best voor hen had gedaan, waarna hij de verbinding verbrak, aldus klagers.
Alhoewel na telefonisch contact met de redactie van het Algemeen Dagblad toch een rectificatie is geplaatst, zijn klagers niet tevreden over de werkwijze van verweerder. Volgens klagers heeft verweerder foutieve berichtgeving in de krant laten zetten, zonder een onderzoek te doen naar de juistheid van de beweringen. Verweerder had naar het oordeel van klagers bijvoorbeeld bij de politie kunnen informeren, zodat de politie had kunnen bevestigen dat de beschuldigingen niet klopten. Voorts stellen klagers dat verweerder met de zinsnede “vader en zoon moeten dood” zijn eigen mening heeft weergegeven, omdat hij niemand heeft geciteerd. Klagers vinden dit bedreigend.
Klagers betogen dat hun naam is aangetast en dat zij wellicht, als zij verhuizen, nergens meer geaccepteerd zullen worden.
 
Verweerder stelt dat hij op 10 september 2004 een nieuwsbericht heeft geschreven over de hond van klagers. Een week later belden klagers omdat zij graag hun licht op die gebeurtenis wilden laten schijnen. Verweerder is toen bij klagers thuis geweest en heeft daar een naar zijn zeggen prima gesprek gehad. Daarbij heeft hij klagers te kennen gegeven dat hij hoogstwaarschijnlijk geen vervolgverhaal zou schrijven, omdat daarvoor een aanwijsbare nieuwsaanleiding nodig was. Tevens heeft hij klagers gezegd dat als die aanleiding er zou zijn, klagers hem altijd konden bellen en dat hebben zij vanaf dat moment geregeld gedaan.
 
Toen kwam al ter sprake dat zij enorme problemen hadden met de buurt. Na herhaaldelijk telefoonverkeer is verweerder in november nogmaals bij de familie op bezoek geweest. Volgens verweerder gaven klagers in dat gesprek te kennen dat zij voor hun leven vreesden. Dit is door de vader herhaaldelijk gezegd. De zinsnede “vader en zoon moeten dood” komt dus van klagers zélf, aldus verweerder.
Hij stelt verder dat klagers tijdens dat gesprek zelf hebben gezegd dat zij door dorpsbewoners zijn beschuldigd van het belagen van kinderen en ouderen, en van het uitschelden van mensen. Klagers ontkenden toen dat zij zich daaraan schuldig hadden gemaakt en dat is ook in het artikel opgenomen.
De meeste buurtbewoners die verweerder heeft gesproken, wilden alleen anoniem reageren. Eén persoon kwam met het verhaal over de belaging en het opsluiten in een vuilniscontainer en dat heeft hij bewust als citaat opgeschreven. Hij wilde met dit citaat de ernst van de zaak benadrukken. Ter zitting heeft hij desgevraagd erkend dat hij, alhoewel hij de politie wel heeft gesproken over klagers, ter zake van deze concrete beschuldiging aan het adres van klagers geen navraag heeft gedaan. Overigens wilde de politie het merendeel alleen maar ‘off the record’ vertellen, aldus verweerder.
Ten slotte stelt hij dat het hem heeft verbaasd dat klagers ondanks de rectificatie de onderhavige klacht hebben ingediend. Hij blijft achter zijn artikel staan en heeft naar zijn oordeel gedegen journalistiek bedreven.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht is dat de berichtgeving van 21 december 2004 ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van klagers bevat, dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de waarheid van die – door een buurtbewoonster geuite – beschuldigingen en dat verweerder ten onrechte zelf de conclusie heeft getrokken dat klagers dood moeten.

De Raad stelt voorop dat het artikel over het geheel genomen in balans is en een evenwichtige weergave bevat van over en weer geuite beschuldigingen. Klagers zijn in het artikel uitgebreid in de gelegenheid gesteld hun visie op de gebeurtenissen toe te lichten. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerder derhalve in zijn algemeenheid voldoende toepassing gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor.
 
Het standpunt van klagers dat verweerder met de zin “vader en zoon moeten dood” ten onrechte zijn eigen mening over de kwestie zou hebben gegeven, deelt de Raad niet. Voor de lezer is voldoende duidelijk dat verweerder met die zin kernachtig de ernst van de problematiek tussen klagers en hun dorpsgenoten heeft willen schetsen. Bovendien hebben klagers zelf blijkbaar aan verweerder meegedeeld dat zij met de dood worden bedreigd, hetgeen in het artikel is verwoord in de passages “Het gezin is niet gewenst in het Drentse dorp en zegt zelfs voor ‘zijn leven te vrezen’.” en “,,Ze proberen ons kapot te krijgen. Laatst is ons een ultimatum gesteld. We konden oprotten of anders onze doodskist bestellen.”” Op dit punt is de klacht derhalve ongegrond.

Met betrekking tot de geciteerde beschuldiging dat klagers twee kleine meisjes zouden hebben belaagd en een meisje zouden hebben opgesloten in een vuilniscontainer, stelt de Raad voorop dat het een ernstige beschuldiging betreft. Volgens het vaste oordeel van de Raad dient een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zouden zijn geuit door een geïnterviewde, maakt dat niet anders.
Uit hetgeen partijen ter zake hebben gesteld, kan de Raad niet vaststellen of verweerder op dit punt in eerste instantie wederhoor heeft toegepast. Dit blijkt ook niet uit het gewraakte artikel van 21 december 2004. Vaststaat wel dat in de ‘Correctie’ van 28 december 2004 alsnog expliciet is vermeld dat klagers de beschuldiging weerspreken.
De mogelijke onzorgvuldigheid bij de toepassing van wederhoor is naar het oordeel van de Raad door deze rectificatie voldoende hersteld.
 
Echter, de geuite beschuldiging is van zodanige ernst dat verweerder deze bovendien niet had mogen publiceren zonder voorafgaand nader onderzoek naar de gegrondheid ervan, hetgeen hij heeft nagelaten. Verweerder had bijvoorbeeld ter zake navraag kunnen doen bij de politie. Door zonder deugdelijke onderbouwing deze ernstige beschuldiging aan het adres van klagers te publiceren heeft verweerder grenzen overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is. Daaraan doet niet af dat in de ‘Correctie’ van 28 december 2004 is vermeld dat bij de politie geen aangifte is gedaan.
 
(vgl. onder meer: Scheurs tegen Quote, RvdJ 2004/100)
 
BESLISSING
 
Voor zover de klacht erop is gericht dat verweerder zonder voorafgaand nader onderzoek de door een buurtbewoonster geuite beschuldiging heeft gepubliceerd – inhoudend dat klagers twee kleine meisjes zouden hebben belaagd en een meisje in een vuilniscontainer zouden hebben opgesloten – is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te (laten) publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 maart 2005 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, mw. A.C. Diamand, T.R. Harkema, mr. A.H. Schmeink en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.