2005/10 ongegrond onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

R.F.J. Jeekel, h.o.d.n. Autorijschool “R. Jeekel”

tegen

de hoofdredacteur van De Dordtenaar

Bij brief van 16 december 2004 met vijf bijlagen heeft R.F.J. Jeekel, h.o.d.n. Autorijschool “R. Jeekel”, te Papendrecht (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Dordtenaar (verweerder). Hierop heeft H. Kerstiens, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 3 januari 2004 (lees: 2005) met vijf bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 februari 2005, in aanwezigheid van klager en diens echtgenote M.M. Jeekel-Prummel.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, heeft klager desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 11 december 2004 is op de voorpagina van de Stad & Streek-bijlage van De Dordtenaar een artikel verschenen onder de kop “Geldklopperij in de wereld van rijscholen - Instructeurs laken ‘rommelende’ collega’s”. De intro van dit artikel luidt:
Een groot deel van de rijscholen in de regio lokt klanten met stuntprijzen en geeft vervolgens slecht les. Iedereen die het instructeurbewijs weet te halen, kan een eigen verkeersschool beginnen; de kwaliteit is daardoor lang niet altijd gewaarborgd. Dat leidt ertoe dat veel instructeurs rondrijden met slechts één doel: mensen geld uit de zak kloppen.
Het artikel is op pagina 17 vervolgd onder de kop “’Branche is zo lek als een mandje’”. Dit vervolgartikel, waarin rijschoolhouder A. de Jong aan het woord wordt gelaten, bevat onder meer de volgende passage:
Arnold de Jong van de gelijknamige verkeersschool uit Heerjansdam maakt zich boos om de ‘wantoestanden’ in de rijschoolwereld. Volgens hem zijn er veel rijscholen die kwalitatief slecht zijn en is dat voor de consument helemaal niet duidelijk. ,,Iedere rij-instructeur kan zijn slagingspercentage dagelijks op de site van het CBR nakijken”, zegt De Jong. ,,De consument kan eisen dat een rijschool die cijfers opstuurt, maar weet dat niet. Mensen kunnen ook zelf op de site kijken www.rijschoolgegevens.nl voor het gemiddelde slagingspercentage van de afgelopen vijf kwartalen. Veel mensen weten dat niet en bellen op naar rijscholen die beweren hele hoge percentages te hebben terwijl dat niet zo is.”
Bij het vervolgartikel zijn in een kader vijftien autorijscholen genoemd, waaronder die van klager, onder de kop “Welke rijscholen uit de regio presteerden de afgelopen kwartalen het slechtst? De slagingspercentages op een rij:”. Onder de lijst van vijftien rijscholen is vermeld:
De gegevens zijn afkomstig van www.rijschoolgegevens.nl. Alleen de percentages van rijscholen uit de regio die minstens tien examens hebben afgelegd bij het CBR in Dordrecht zijn meegenomen.
Onder dit kader is, eveneens in een kader, onder de kop “Hoe lichten rijscholen in de regio toekomstige klanten voor? De Dordtenaar nam de proef op de som.” een aantal reacties opgenomen. Over de rijschool van klager wordt als volgt bericht:
Bij autorijschool R. Jeekel slaagt volgens het CBR tussen de elf en vijftien procent van de leerlingen de eerste keer. Aan de telefoon beweert de rijschool een slagingspercentage van maar liefst zestig procent te hebben. Later zegt een medewerker van de rijschool dat nooit gezegd te hebben: ,,Ik heb gezegd: als ik zestig procent zou zeggen, zou ik liegen.” Reden van het lage percentage ligt volgens de rijschool aan het feit dat er een aantal mensen bij de rijschool lest dat minder goed kan leren en daardoor het gemiddelde omlaag haalt. ,,Maar eigenlijk moet je niet naar die cijfers kijken, ze kloppen niet. Die hoge percentages zijn onmogelijk, daar wordt mee gesjoemeld. En die elf procent van ons klopt ook niet.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat ten onrechte de indruk is gewekt dat in het kader de top vijftien van beunhazen in de branche is opgenomen. Hij stelt dat het feit dat er beunhazen in de branche zijn, los staat van de slagingspercentages. Door deze onjuiste suggestie (door klager aangeduid als onvolledige journalistiek) is de naam van zijn rijschool geschaad, aldus klager.
Verder stelt hij dat een verslaggever van De Dordtenaar zich tot zijn rijschool heeft gewend met een verzoek om informatie over de lesprijs en het slagingspercentage van de rijschool, waarbij hij ten onrechte zijn hoedanigheid niet bekend heeft gemaakt. Bovendien zijn de woorden van zijn echtgenote verdraaid weergegeven en is ten onrechte de indruk gewekt dat zij in eerste instantie zou hebben gelogen, aldus klager.
Hij stelt voorts dat verweerder, door geen medewerking te verlenen aan het plaatsen van een weerwoord van een branchegenote, onvoldoende wederhoor heeft toegepast. Klager wijst in dit verband op een ingezonden brief van een andere rijschoolhouder, die wél is gepubliceerd.
Ten slotte stelt klager dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door zijn naam te noemen

Verweerder stelt dat het artikel gaat over beunhazerij, slechte slagingspercentages en het verstrekken van onjuiste informatie. Er bestaat wel degelijk een verband tussen een en ander, aldus verweerder. Overigens is benadrukt dat de beunhazen waarop de geciteerde rijschoolhouders doelden niet dezelfde rijscholen zijn die werden genoemd in het staatje met slagingspercentages. Dit is nogmaals onder de aandacht van de lezers gebracht in een naschrift bij een ingezonden brief op 16 december 2004.
Voorts stelt verweerder dat verslaggever Vermeulen zich heeft voorgedaan als potentiële klant. Hij wilde op die manier zo goed mogelijk het verwijt controleren dat sommige rijscholen via de telefoon andere slagingspercentages opgeven dan de officiële cijfers die het CBR registreert en publiceert. Dat Vermeulen zich niet heeft voorgesteld als journalist was in dit geval gerechtvaardigd om een maatschappelijke misstand aan de kaak te kunnen stellen, aldus verweerder. Als Vermeulen zich wél direct als journalist had voorgesteld, had hij waarschijnlijk andere informatie gekregen. Overigens is deze handelwijze toegelicht, toen de rijscholen later door verslaggeefster Mous met hun uitspraken werden geconfronteerd.
Verweerder stelt verder dat klager heeft kunnen reageren in het artikel over de voorlichting aan toekomstige klanten. Verweerder meent dat daarin de woorden van klager juist zijn weergegeven.
Aan de branchegenote op wie klager doelt, is verzocht haar ingezonden brief in te korten, maar een reactie is uitgebleven. De rijschool van klager heeft vervolgens de krant uitgenodigd voor een actievergadering. Een verslaggever was van plan die bijeenkomst bij te wonen, toen klager zelf liet weten dat de vergadering niet zou doorgaan. Daarna heeft verweerder niet meer van klager vernomen.
Ten slotte stelt verweerder dat de echtgenote van klager heeft ingestemd met vermelding van de term ‘medewerker van rijschool Jeekel’. Het noemen van de naam van de autorijschool van klager was niet te vermijden; het was juist het doel van het artikel om namen van rijscholen te openbaren die lage slagingspercentages halen en daarover onjuiste informatie verstrekken, aldus verweerder. Naar zijn mening heeft klager zichzelf schade toegebracht door onjuiste informatie over zijn slagingspercentages te verstrekken.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
1. in het artikel is ten onrechte een verband gelegd tussen ‘beunhazen’ in de branche van autorijscholen en autorijscholen met een laag slagingspercentage;
2. een verslaggever van De Dordtenaar heeft zich tot de rijschool van klager gewend zonder zijn hoedanigheid bekend te maken;
3. het weerwoord van klager is niet goed weergegeven en verweerder heeft overigens onvoldoende wederhoor toegepast;
4. de naam van klager is ten onrechte vermeld.

Ad 1.
Voor zover klager naar voren heeft gebracht dat verweerder ten onrechte een link heeft gelegd tussen beunhazerij en de gepubliceerde slagingspercentages faalt dit betoog. Hoewel de Raad van oordeel is dat de kop “Welke rijscholen uit de regio presteerden de afgelopen kwartalen het slechtst? De slagingspercentages op een rij:” niet helemaal gelukkig is gekozen, acht de Raad de combinatie van het artikel “’Branche is zo lek als een mandje’” en de publicatie van de slagingspercentages niet journalistiek onaanvaardbaar. Het gaat hier immers om publicatie van algemeen aanvaardbare en toegankelijke gegevens van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. De Raad leidt uit het registreren en publiceren van deze gegevens door het CBR af dat die gegevens wel degelijk in zekere mate van belang zijn voor de beoordeling van de kwaliteit van autorijscholen, en daarmee voor de consument relevant zijn bij de keuze voor een rijschool. Dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.

Ad 2.
Ook dit onderdeel van de klacht slaagt niet. Volgens het vaste oordeel van de Raad behoort een journalist degene over wie hij publiceert met ‘open vizier’ tegemoet te treden, dat wil zeggen zijn hoedanigheid aan hem bekend te maken. Slechts indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden kan rechtvaardiging bestaan voor het niet naleven van deze regel.
Dergelijke omstandigheden kunnen zijn gelegen in het maatschappelijk belang dat met een publicatie wordt gediend. Dit belang betreft niet alleen het aan de kaak stellen van misstanden, teneinde te bewerkstelligen dat zij onderzocht worden, doch tevens het informeren van het publiek over feiten en bijzonderheden die de ernst van een situatie scherper naar voren doen komen en die zonder de gevolgde werkwijze niet aan het licht gebracht zouden kunnen worden (vgl. onder meer: Kuiper-De Haan en de ChristenUnie Barneveld tegen de hoofdredacteur van Panorama, RvdJ 2004/37 en Bungalowpark Het Grootslag tegen Blank, Vermeulen en Noordhollands Dagblad, RvdJ 2002/34).
Verweerder heeft met de publicatie beoogd zijn lezers te informeren omtrent misstanden in de branche van autorijscholen. Deze misstanden zouden onder meer erin zijn gelegen dat sommige rijscholen via de telefoon andere slagingspercentages opgeven aan potentiële klanten dan de officiële cijfers die het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen registreert en op zijn website publiceert. De Raad acht het aannemelijk dat verweerder zonder toepassing van de gevolgde werkwijze niet aan het licht had kunnen brengen of bedoelde misstanden al dan niet bestaan. Naar het oordeel van de Raad is aldus sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat verslaggever Vermeulen zijn hoedanigheid niet bekend heeft gemaakt. Bovendien heeft verweerder de door Vermeulen benaderde rijscholen vóór publicatie met hun uitspraken geconfronteerd, de handelwijze toegelicht en gelegenheid geboden een reactie te geven.

Ad 3.
Voor zover de klacht is gericht tegen de weergave van hetgeen door de echtgenote van klager telefonisch is medegedeeld aan verweerder, onthoudt de Raad zich van een oordeel. De lezingen van partijen ter zake staan lijnrecht tegenover elkaar, terwijl geen materiaal voorhanden is op grond waarvan de Raad kan vaststellen welke lezing de juiste is.
De klacht dat ten aanzien van klager onvoldoende wederhoor is toegepast is evenzeer ongegrond. Vóór de publicatie is klager om een reactie gevraagd. Die werd door zijn echtgenote gegeven en is in de publicatie opgenomen. Het feit dat verweerder heeft geweigerd een ingezonden brief van een branchegenote van klager in zijn geheel te plaatsen – waarna verweerder nooit meer een door haar ingekorte versie van die brief ontving – betekent niet dat verweerder ten aanzien van klager geen wederhoor heeft toegepast.

Ad 4.
Ook de klacht dat de naam van klager niet in het artikel vermeld had mogen worden, is ongegrond. Klager heeft zijn naam verbonden aan zijn rijschool. Gelet op de aard en inhoud van het artikel is de vermelding van de naam van klagers rijschool naar het oordeel van de Raad relevant en functioneel, en niet ontoelaatbaar.

Alles overwegend komt de Raad tot het oordeel dat in dit geval geen grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Ten overvloede overweegt de Raad het te betreuren dat verweerder niet ter zitting is verschenen.

BESLISSING

Voor zover de klacht is gericht tegen de weergave van het weerwoord van klager onthoudt de Raad zich van een oordeel. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Dordtenaar te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 25 februari 2005 door mr. A. Herstel, voorzitter, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. E.H.C. Salomons, en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.