2005/1 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J. Kuijt (Joke Kaviaar)

tegen

J. Hoedeman en de hoofdredacteur van de Volkskrant

Bij brief van 14 oktober 2004 met een bijlage heeft J. Kuijt (Joke Kaviaar) te Amsterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen J. Hoedeman en de hoofdredacteur van de Volkskrant (verweerders). Hierop heeft P. Broertjes, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 3 november 2004. Bij brief van diezelfde datum heeft Hoedeman meegedeeld de reactie van Broertjes te onderschrijven.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 december 2004. Klaagster is daar verschenen vergezeld van F. Ronsmans, uitgever, en heeft haar klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van verweerders was Hoedeman aanwezig.

De voorzitter van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd geen bezwaren gemaakt tegen behandeling van de zaak door een der leden als waarnemend voorzitter tezamen met de resterende leden.

DE FEITEN

Op 9 oktober 2004 is in Volkskrant magazine een artikel van de hand van Hoedeman verschenen onder de kop “’Lach ik eens, is het weer niet goed’”, dat een interview met R. Verdonk, minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, bevat. Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
Ernstiger is de permanente zorg om haar veiligheid. Na het ‘ketchup-incident’ – de minister werd in juni besmeurd door twee actievoersters – bleek hoe kwetsbaar je kunt zijn, ondanks de beveiliging. ‘Het enige wat ik doe als ik uit de auto stap: ik check de eerste 20 meter. Dat deed ik niet bij dat incident, ik zag die mensen wel staan, maar schonk er verder geen aandacht aan. Het is een waanzinnig besef dat er mensen op uit zijn om je iets aan te doen. Je moet tegen jezelf zeggen: tot hier en niet verder. Als je erover doordenkt kun je niet functioneren. Ik praat erover met mijn man en kinderen. Er is geen weg terug, er is geen keus. Het helpt enorm dat mijn beveiliging in handen is van geweldige professionals.’
Op tafel komt een gedicht van ene Joke Kaviaar, van internet geplukt. Het is een ‘Dis op het nietszeggend ik’, bestaand uit vijftien coupletten.
‘Geef me kogels om te mikken/ zodat niemand hoeft te stikken (...) Word je boos Verdonk nu, bang?/ Nou, dat duurt niet meer zo lang/ want ik doe Pang! En kijk je rillen/ Ik doe Pang en kijk je gillen.’
Verdonk: ‘Ik kende dit niet. Ik ga erover praten met mijn veiligheidsadviseur en zal aangifte doen als daar aanleiding toe is. Op een bepaalde manier maakt dit me ook strijdbaarder. Als minister hoor ik me niet uit het veld te laten slaan. Zeker niet als je weet dat het grootste deel van de bevolking achter mijn beleid staat. Het geeft me een grote steun in de rug. Het blijft een fantastische baan.’


DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat zij publiceert onder de naam Joke Kaviaar en dat verweerders zonder haar toestemming hebben geciteerd uit haar gedicht ‘Dis Uit Het Nietszeggend Ik’, dat zij integraal op haar website heeft geplaatst. Volgens klaagster hebben verweerders suggestief en onjuist uit dat gedicht geciteerd door uit twee verschillende strofen van het gedicht te citeren en daarbij een belangrijke zin weg te laten, te weten de zin die komt na ‘Ik doe pang en kijk je gillen’ en die luidt: ‘Ik doe pang en dat is alles.’ Deze zin ontkracht en bespot de suggestie van een bedreiging, aldus klaagster. Bovendien zijn de aanhalingstekens om het woord ‘pang!’ weggelaten. Door die aanhalingstekens blijkt dat het woord wordt uitgesproken en dat niet wordt geschoten, en dat dus sprake is van spot. Klaagster betoogt dat zij en haar werk door de handelwijze van verweerders ten onrechte zijn gecriminaliseerd.
Verder stelt klaagster dat Hoedeman geen contact met haar heeft opgenomen om te vragen wat de bedoeling en achtergrond van het gedicht zijn. Bovendien heeft hij ten onrechte nagelaten haar in de gelegenheid te stellen om te reageren op hetgeen minister Verdonk heeft gezegd. Zij meent dat door de publicatie van de reactie van Verdonk, die in één zin de woorden ‘veiligheidsadviseur’ en ‘aangifte’ heeft gebruikt, is geprobeerd haar te intimideren. Volgens klaagster is ten onrechte de suggestie gewekt dat zij wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit.
Klaagster wijst erop dat zij al een half jaar bezig is met een schrijfactie tegen het beleid van minister Verdonk en dat zij daarbij openlijk handelt. Van een bedreiging kan naar haar mening dan ook geen sprake zijn. Op haar website heeft zij veel protestgedichten en proza gepubliceerd. Zij heeft bereikt dat er een benefietmanifestatie tegen het beleid van minister Verdonk wordt gehouden en dat haar protestgedichten worden uitgegeven. Overigens heeft zij herhaaldelijk werk gestuurd naar de Volkskrant en tevergeefs verzocht dat te publiceren.
Volgens klaagster hebben verweerders met hun publicatie politiek stelling genomen en is aldus geen sprake van onafhankelijke journalistiek.

Verweerders stellen dat in de serie gesprekken die hebben geleid tot het interview met minister Verdonk, het onderwerp van haar veiligheid ter sprake gekomen. Bewindspersonen die tekenen voor omstreden beleid, moeten heftige reacties vrezen, hetgeen persoonlijke beveiliging vergt, aldus verweerders.
In die context van fysieke en verbale bedreigingen heeft Hoedeman de minister geconfronteerd met citaten uit klaagsters gedicht, waar de suggestie van schieten op de minister is geuit. Dat in de publicatie de volgens klaagster cruciale zin ‘Ik doe pang en dat is alles’ is weggelaten, neemt niet weg dat de minister, die het hele gedicht heeft gelezen, in die strofe geen enkele geruststelling bespeurt en aangifte overweegt.
Hoedeman heeft aan bronvermelding gedaan en heeft om die reden geen toestemming voor publicatie aan klaagster gevraagd. Gezien de omvang van het gedicht moest een selectie worden gemaakt. Gegeven de helderheid van het gedicht bestond er geen reden om wederhoor toe te passen. Evenmin was er een dringende reden om klaagster van tevoren in te lichten over de publicatie van het interview met minister Verdonk.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht is, zo heeft klaagster ter zitting benadrukt, dat verweerders suggestief uit het gedicht van klaagster hebben geciteerd en vervolgens hebben nagelaten wederhoor toe te passen.

Met het plaatsen van haar gedicht op haar website heeft klaagster zelf haar ideeën over onder andere het beleid van minister Verdonk in de publiciteit gebracht. Zij heeft aldus het risico aanvaard dat aan haar gedicht aandacht zou worden besteed op een wijze als door verweerders is gedaan, te weten het onder de aandacht brengen van het gedicht bij en het vragen van een reactie daarop aan minister Verdonk, en wel in het kader van een interview over onder meer haar veiligheid.

Volgens klaagster zou sprake zijn van een tendentieuze, haar criminaliserende publicatie, maar bij objectieve beschouwing is dat niet het geval. Klaagsters standpunt dat de door verweerders niet opgenomen zin ‘Ik doe pang en dat is alles.’ cruciaal is voor een juist begrip van haar gedicht, deelt de Raad niet. Klaagster lijkt uit het oog te verliezen dat over de diepere betekenis van publicaties als de hare nu eenmaal zeer verschillend kan worden gedacht.

Ook de klacht dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten klaagster in de gelegenheid te stellen te reageren, is ongegrond. Bij het citeren uit een openbare bron is hoor en wederhoor in beginsel geheel niet aan de orde. Bijzondere omstandigheden die voor verweerders aanleiding hadden moeten zijn in dit geval klaagster wél om een reactie te vragen, zijn niet gebleken. Dat het horen van klaagster mogelijk tot een vollediger beeld van haar bedoelingen zou hebben geleid, kan daaraan niet afdoen, omdat het ook dan verweerders vrij zou hebben gestaan het gedicht in het interview te gebruiken en daaruit in de publicatie te citeren op de wijze als zij hebben gedaan. Het is immers evident dat klaagster, afgezien van haar overige bedoelingen, met haar gedicht heeft willen provoceren en shockeren, hetgeen zij ook ter zitting heeft erkend. Mede in dat licht beschouwd, kan niet worden geconcludeerd dat verweerders met de publicatie jegens klaagster journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Volkskrant magazine te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 28 januari 2005 door prof. mr. W.D.H. Asser, waarnemend voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. A.C. Diamand en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.