2004/99 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

P. Nebbeling

tegen

H. de Ree en de hoofdredacteur van BN/DeStem

Bij brief van 28 oktober 2004 met een bijlage heeft P. Nebbeling te Maarssen (klager) een klacht ingediend tegen H. de Ree en de hoofdredacteur van BN/DeStem (verweerders). Hierop heeft De Ree geantwoord in een brief van 22 november 2004, onder begeleidend schrijven van A. Rooms, adjunct-hoofdredacteur, van 23 november 2004.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 december 2004. Klager is daar verschenen, vergezeld van zijn echtgenote, en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van verweerders waren De Ree en P. Oosthoek, redactie manager, aanwezig.

DE FEITEN

Op 14 oktober 2004 is in BN/DeStem een artikel van de hand van De Ree verschenen onder de kop “Politie vermoedt moord Angel Rijen”. In het artikel is vermeld dat de broer van klager in november 2000 is verdwenen en het vermoeden bestaat dat hij is omgebracht door leden van zijn eigen motorclub. Verder is onder meer vermeld dat de broer van klager ‘een of meerdere liquidaties in opdracht van de criminele organisatie zou hebben uitgevoerd en dat hij daardoor mocht toetreden tot de ‘filthy few’, een geuzennaam voor Angels en Nomads die iemand hebben vermoord’. De volledige naam, leeftijd en woonplaats van de broer van klager zijn in het artikel vermeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in het artikel vermoedens worden geuit, zonder dat daarvoor voldoende grond bestaat, te weten dat zijn broer een vooraanstaand lid van de Nomads was en een moord zou hebben gepleegd. Zijn broer is nimmer veroordeeld voor hetgeen waarvan hij in het artikel wordt beschuldigd, aldus klager.
Hij wijst erop dat in het televisieprogramma ‘Vermist’ aandacht is besteed aan de vermissing van zijn broer. In dat programma is vermeld dat zijn broer slechts een aspirant-lid van de Hells Angels was. Volgens klager is uit het onderzoek dat door een medewerker van het programma ‘Vermist is verricht, op geen enkele wijze gebleken dat zijn broer vol lid was van de Hells Angels en evenmin dat hij in hun opdracht moorden heeft gepleegd.
Klager maakt er verder bezwaar tegen dat de volledige naam van zijn broer is vermeld en dat het artikel op de voorpagina is gepubliceerd.

Verweerders stellen dat er een journalistiek en maatschappelijk belang is om over de kwestie te publiceren, omdat de Hells Angels/Nomads organisatie ten tijde van de publicatie publiekelijk ontmaskerd werd als een nietsontziende criminele bende. De gepubliceerde informatie is afkomstig van diverse betrouwbare bronnen, die bekend zijn bij de hoofdredactie en aan wie in het belang van hun veiligheid geheimhouding is toegezegd. Verweerders wijzen erop dat zij door het gebruik van termen als ‘zou’ en ‘vermoeden’ voldoende terughoudend over de kwestie hebben bericht.
Verweerders hebben besloten de volledige naam van klagers broer te vermelden, omdat zij dat bij slachtoffers en vermisten altijd doen. De door hen gehanteerde hoofdregel is dat zij altijd zo volledig mogelijk berichten en daarbij namen noemen. Een uitzondering op deze regel wordt slechts gemaakt bij verdachten en veroordeelden. Weliswaar wordt de broer van klager van het plegen van strafbare feiten verdacht, maar zijn privacy behoeft in dit geval niet te worden beschermd, omdat hij vermist is en vermoedelijk overleden. Bovendien was de naam al openbaar gemaakt in het televisieprogramma ‘Vermist’.
Ter zitting voegt De Ree hieraan toe dat hij vanwege de privacy van de familie van klagers broer het artikel vóór de publicatie ervan heeft voorgelegd aan de advocaat van de partner van klagers broer. Deze heeft daarop laten weten geen bezwaren te hebben tegen publicatie.
Het spijt verweerders dat klager en zijn familie door de publicatie zijn gegriefd. Niettemin zijn zij van mening dat ze zorgvuldig over de kwestie hebben bericht.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het de lezer mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat, volgens het vaste oordeel van de Raad, de journalistieke verantwoordelijkheid met zich brengt dat de persoonlijke levenssfeer van degene over wie wordt gepubliceerd, niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is. Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, ten aanzien van het vermelden van persoonlijke gegevens van verdachten c.q. veroordeelden bijzondere terughoudendheid geboden. Een journalist dient zoveel mogelijk te voorkomen dat hij gegevens publiceert met behulp waarvan een verdachte of veroordeelde op eenvoudige wijze kan worden geïdentificeerd. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van deze regel worden afgeweken.

In dit geval is de naam van de broer van klager al in de publiciteit geweest in het televisieprogramma ‘Vermist’. Bovendien hebben verweerders het artikel vooraf voorgelegd aan de advocaat van de partner van klagers broer, die kennelijk geen bezwaren had tegen publicatie. Aldus is er geen grond voor het oordeel dat verweerders het belang van de gewraakte publicatie niet of op onjuiste wijze hebben afgewogen tegen dat van klager bij het niet bekend maken van de naam van zijn broer. Daarbij is nog van belang dat klager slechts voor zijn eigen belang kan opkomen, niet voor het privacy-belang van zijn broer (vgl. onder meer: Hensen tegen Dagblad De Limburger, RvdJ 2004/78).

De wijze waarop verweerders het artikel hebben gepubliceerd, te weten op de voorpagina, is voorts niet ongebruikelijk of ontoelaatbaar. Een redactie heeft ter zake een grote vrijheid van handelen. Bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat verweerders op dit punt de grenzen van die vrijheid hebben overschreden, zijn gesteld noch gebleken (vgl. onder meer: St. Interconfessioneel (PC/RK) Basisonderwijs Naarden tegen de Gooi- en Eemlander, RvdJ 2004/87).

Hoewel er begrip bestaat voor het feit dat de publicatie voor klager onaangenaam is, kan niet worden geconcludeerd dat verweerders hierdoor grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in BN/DeStem te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 december 2004 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, drs. C.M. Buijs, mw. A.C. Diamand, en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.