2004/98 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X en Y

tegen

de producent van ‘Opgelicht’ PS Media Producties B.V., P. Smolders, L. Wassink en omroepvereniging TROS

Bij brief van 8 juli 2004 met drie bijlagen hebben X en Y (klagers) een klacht ingediend tegen de producent van het televisieprogramma ‘Opgelicht’ PS Media Producties B.V., tegen P. Smolders en L. Wassink – onderscheidenlijk directeur en voormalig werknemer van PS Media – alsmede tegen omroepvereniging TROS (verweerders). Hierop heeft mr. B.P. Aalberts, TROS Juridische Zaken, namens verweerders gereageerd in een schrijven van 5 oktober 2004 met zes bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 oktober 2004. Namens klagers is daar Z verschenen, die de klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een video-opname van de gewraakte uitzending bekeken.

Naar aanleiding van de zitting heeft de Raad bij brief van 11 oktober 2004 aan partijen verzocht een kopie over te leggen van een e-mailbericht van mr. M. Mulder, raadsvrouwe van klagers, aan P. Smolders van 15 januari 2003 18.38 uur, waarnaar in bijlage 6 bij het verweerschrift wordt verwezen. Bij schrijven van 13 oktober 2004 heeft mr. B.P. Aalberts aan de Raad bericht dat de TROS niet beschikt over een kopie van het bedoelde e-mailbericht. Namens klagers heeft Z op het verzoek gereageerd in een brief van 18 oktober 2004 met een bijlage. Partijen hebben over en weer nog op elkaars brieven gereageerd; Z per e-mail van 3 november 2004 en Aalberts bij brief van 5 november 2004.

DE FEITEN

Op 16 januari 2003 heeft de TROS een aflevering van het televisieprogramma ‘Opgelicht’ uitgezonden (hierna: de uitzending). Daarin is aandacht besteed aan klachten over werkzaamheden van klagers op het gebied van het aanbrengen van zogeheten ‘hairextentions’. In dat verband zijn een vrouw en haar dochter aan het woord gelaten en zijn beelden van mislukte kapsels getoond. Verder is een vrouw aan het woord gelaten die erover klaagt dat zij van klagers een ondeugdelijk nagelverzorgingspakket heeft ontvangen. Tevens zijn enkele beelden getoond van een onaangekondigd bezoek van Wassink aan het adres van klagers.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat zij in de uitzending ten onrechte zijn neergezet als bedriegers en oplichters. Volgens klagers hebben verweerders ten onrechte nagelaten de aan hun adres geuite beschuldigingen deugdelijk te onderbouwen en te verifiëren. Uit een uitspraak van de Rechtbank Arnhem Sector Kanton van 3 mei 2004 volgt dat de vrouw en haar dochter die in de uitzending aan het woord komen, op geen enkele wijze door hun toedoen zijn gedupeerd, aldus klagers. Klagers hebben gemeend er goed aan te doen om alvorens een klacht bij de Raad in te dienen, de uitspraak van de kantonrechter af te wachten. Dat is de reden waarom zij zich eerst nu tot de Raad hebben gewend.
Verder stellen klagers dat verweerders bewust eenzijdig en negatief over hen hebben bericht. Er zijn alleen fragmenten getoond waarin klagers boos en teleurgesteld op de aantijgingen reageerden. Die fragmenten vormen een onjuiste compilatie van het hele gesprek dat klagers met Wassink hebben gevoerd. Door geen beelden uit te zenden van het weerwoord van klagers, is ten onrechte de suggestie gewekt dat zij geen weerwoord hebben gegeven.
Volgens klagers hebben verweerders onvoldoende wederhoor toegepast. Zij stellen dat telefonisch tussen mr. Mulder en Smolders was afgesproken dat X op de dag van de uitzending in het bijzijn van haar raadsvrouwe tussen 17.00 en 18.00 uur zou worden gebeld, maar dat dat niet is gebeurd. Toen mr. Mulder om 17.45 uur zelf trachtte telefonisch contact op te nemen, kreeg zij geen gehoor.
Wat betreft het door hen overgelegde e-mailbericht van 15 januari 2003 19.38 uur van hun raadsvrouwe aan Smolders merken klagers het volgende op. In dat bericht staat dat X op de avond van 15 januari contact zou opnemen met Smolders. Echter, mr. Mulder heeft vervolgens aan Smolders verzocht te bevestigen dat hij het weerwoord van X pas zou opnemen op het moment dat zij daarmee akkoord zou gaan. Daarom eindigt het e-mailbericht met de zin “Kunt u mij dat nog even bevestigen?” Smolders heeft dat echter nooit gedaan. Verweerders zijn derhalve op dit punt in gebreke gebleven, aldus klagers. Niettemin heeft X geprobeerd contact op te nemen, maar zonder succes. Op verschillende telefoonnummers kreeg zij geen gehoor en bij de TROS kreeg zij een bandje te horen met daarop de kantoortijden. Smolders had geen telefoonnummer doorgegeven, waarnaar X zou moeten bellen.
Klagers zouden erbij gebaat zijn geweest als X haar verklaring, die zij op schrift had klaarliggen, had kunnen voordragen. Zij hebben de indruk dat verweerders bewust hebben bewerkstelligd dat X haar weerwoord niet heeft kunnen doen, omdat dat weerwoord de uitzending niet ten goede zou zijn gekomen.
Klagers stellen verder nog dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten tevreden klanten te interviewen en dat zonder hun toestemming beelden zijn getoond van hun woonomgeving, waardoor hun privacy is aangetast.
Ten gevolge van de uitzending zijn zij in hun eer en goede naam aangetast, aldus klagers. Weliswaar vergaat het hen inmiddels zowel zakelijk als privé zeer goed, maar zij zijn door de uitzending gestigmatiseerd en ondervinden nog altijd de negatieve gevolgen daarvan, doordat bepaalde bedrijven geen zakelijke relaties met hen willen aangaan.

Verweerders vragen zich allereerst af of, gelet op het tijdsverloop na de uitzending, klagers wel in hun klacht kunnen worden ontvangen. Zij stellen dat een journalistiek medium er belang bij heeft niet tot in lengte van dagen in onzekerheid te moeten verkeren over de vraag of het nog een klacht kan verwachten. Het lijkt hun gerechtvaardigd als de Raad een verjaringstermijn van een jaar zou hanteren. Verder vragen zij zich af of klagers gebaat zijn bij hernieuwde aandacht voor de kwestie, die door de uitspraak van de Raad wordt gegenereerd.
Verder menen verweerders dat Y geen rechtstreeks belanghebbende is, nu de uitzending gaat over de activiteiten van X als kapster. De naam van Y wordt niet genoemd en hij komt niet herkenbaar in beeld. Er is alleen melding gemaakt van het feit dat uit de registers van de Kamer van Koophandel blijkt dat de bedrijven van X op naam van haar vriend staan.
Verweerders stellen voorts dat elke feitelijke onderbouwing van de stellingen van klagers ontbreekt en dat die stellingen innerlijk tegenstrijdig zijn. Het is niet aannemelijk dat zij schade lijden, terwijl het hen ‘zeer goed vergaat’.
Volgens verweerders hebben klagers de feiten onjuist en onvolledig weergegeven. Voor het volledige feitencomplex verwijzen verweerders naar de correspondentie die zij destijds met mr. Mulder, de raadsvrouwe van klagers, hebben gevoerd.
Verweerders menen dat PS Media voldoende betrouwbare bronnen heeft geraadpleegd en nagetrokken en aldus haar onderzoek gedegen heeft uitgevoerd. Bovendien is X diverse malen benaderd – zowel voor, tijdens als na de opnamen – en in de gelegenheid gesteld haar kant van het verhaal te doen. Naar aanleiding van een sommatie van mr. Mulder is op 15 januari 2003 een schikking bereikt, die is vastgelegd in diverse faxberichten. Verweerders hebben zich aan de gemaakte afspraken gehouden, maar X niet. Zij kreeg op 15 januari 2003 nogmaals de gelegenheid haar reactie te geven, zodat die reactie nog in de uitzending verwerkt kon worden, maar zij heeft niets van zich laten horen. De stelling van klagers dat X niet zou weten naar welk telefoonnummer ze moest bellen, is onbegrijpelijk. In de aanloop naar de uitzending heeft zij herhaaldelijk gebeld met onder andere de (eind)redactie, TROS persdienst en TROS directie. Om die reden is het dan ook niet vreemd dat mr. Mulder in haar e-mailbericht van 15 januari 2003 niet vraagt naar een telefoonnummer. Dat had ze ongetwijfeld gedaan, als X werkelijk niet had geweten welk nummer ze moest bellen. De suggestie dat Smolders bewust niet op de e-mail zou hebben gereageerd, is onjuist. Hij zat simpelweg te wachten op een telefoontje van X. Op de e-mail hoefde hij niet te reageren, omdat in de uren daarvoor een schikking was bereikt, waarin alle afspraken waren opgenomen. Dat in de uitzending uiteindelijk geen weerwoord van klagers is opgenomen, kan verweerders dus niet worden verweten. Overigens hebben zij na de uitzending niets meer van klagers vernomen.
Verweerders zien niet in hoe de uitspraak van de kantonrechter te Arnhem de stellingen van klagers zou kunnen ondersteunen. Die uitspraak betreft een zaak tussen klagers en enkele gedupeerden, zodat dit verweerders niet regardeert. Verder blijkt uit het vonnis dat de gedupeerden niet meer in staat waren een conclusie van repliek in te dienen. Dat heeft tot gevolg gehad dat de stellingen van klagers als onweersproken gelden en dat daarom de vorderingen van de gedupeerden zijn afgewezen. De rechter heeft daarmee echter niets beslist over de deugdelijkheid van die vorderingen.
Verweerders concluderen dat hun geen enkel verwijt van journalistieke onzorgvuldigheid kan worden gemaakt.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Wat betreft de ontvankelijkheid van klagers overweegt de Raad in de eerste plaats dat zijn Reglement geen termijn kent, waarbinnen een klacht op straffe van niet-ontvankelijkheid moet zijn ingediend. Het is niet aan de Raad bij wijze van algemene regel zodanige termijn te stellen.
Soms kan tijdsverloop ertoe leiden dat het ingevolge artikel 2 lid 2 onder d van het Reglement vereiste rechtstreeks belang van een klager bij een oordeel van de Raad is komen te ontbreken of dat een juiste beoordeling van de klacht onmogelijk is. In beide gevallen blijft een oordeel over de klacht achterwege.
Geen van beide gevallen doet zich hier voor. (vgl. onder meer: Amzand tegen Van Engelen en Het Parool, RvdJ 2004/36).

Ook wat betreft het rechtstreeks belang van Y, is het gelijk niet aan de zijde van verweerders. De door hen erkende betrokkenheid van Y bij het bedrijf van X – blijkens het overgelegde vonnis van de kantonrechter in Arnhem is Y vennoot van X – is voldoende om dat belang aan te nemen (vgl. X en Y tegen Van der Graaf en De Telegraaf, RvdJ 2004/54).

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht bestaat uit twee onderdelen:
1. In de uitzending zijn beschuldigingen aan het adres van klagers geuit zonder dat deze deugdelijk onderbouwd en geverifieerd zijn.
2. Verweerders hebben onvoldoende wederhoor toegepast.
De Raad zal zich tot deze kern beperken.

Wat betreft onderdeel 1. stelt de Raad voorop dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de mogelijke betrokkenheid van klagers bij onoorbare praktijken. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen. Dat neemt niet weg, dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan en dat door hem gepubliceerde feiten moeten zijn gebaseerd op voldoende deugdelijk materiaal.
De vormgeving van de gewraakte uitzending – de wijze van presenteren van feiten en meningen in combinatie met de montage van de beelden – laat de kijker weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat klagers, althans X, er een gewoonte van maken zich te laten betalen voor het aanbrengen onderscheidenlijk leveren van hairextentions en nagelpakketten die niet deugen. Door deze beschuldigingen, geuit in een programma dat gevallen van ‘oplichting’ aan de kaak wil stellen, worden klagers in hun bedrijfsuitoefening ernstig gediskwalificeerd.
Ten aanzien van elk van beide beschuldigingen is in de uitzending slechts één enkele bron opgevoerd: de vrouw en haar dochter die zich uitlaten over de hairextentions kunnen niet als twee van elkaar onafhankelijke bronnen worden beschouwd. Uit de door verweerders overgelegde stukken is niet gebleken dat de aan het adres van klagers geuite beschuldigingen worden ondersteund door andere (in voldoende mate representatieve) bronnen, zodat moet worden geconcludeerd dat voor die beschuldigingen onvoldoende grond bestaat. Dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond (vgl. onder meer Buitendijk tegen EO, RvdJ 2004/86).

Ten aanzien van de klacht inzake wederhoor gaat de Raad uit van de navolgende, door partijen overgelegde, stukken:
- een e-mailbericht van 13 januari 2003, 16.29 uur van Smolders aan X, dat onder meer de volgende passage bevat: “We hebben u vrijdag j.l. benaderd in de hoop dat u ter plaatse een weerwoord zou willen geven. Dat dat is misgegaan, is betreurenswaardig, maar uit de videobeelden van dat moment kan ik niet afleiden dat onze verslaggeefster u onheus zou hebben bejegend, zoals u en uw moeder suggereren. (...) Graag zouden we u nogmaals uitnodigen in alle rust uw reactie te formuleren op deze concrete verwijten, zonder daarbij al te veel zijwegen in te slaan.(...)
- een e-mailbericht van 14 januari 2003, 14.13 uur, van Smolders aan X, waarin onder meer staat: “Graag doe ik nogmaals een poging ons standpunt kort uit te leggen en uw vragen te beantwoorden. Ik wil daarbij een laatste keer aangeven dat het goed zou zijn om de communicatie te stroomlijnen. Het is weinig zinvol ons via twee zijden (uzelf en uw moeder, via PS Media en de Tros) te bestoken met steeds nieuwe mails en telefoontjes waarin u steeds nieuwe zaken en argumenten aanvoert. (...) We hebben u alle gelegenheid gegeven uw kant van het verhaal te vertellen, zelfs nadat u zelf al had aangegeven dat we ‘maar gewoon moesten uitzenden’. We doen dat niet ‘gewoon’, maar buitengewoon zorgvuldig. We zullen uw commentaar dan ook zeker verwerken in de reportage.
- een e-mailbericht van 14 januari 2003, 15.47 uur, van Smolders aan X, waarin Smolders onder meer schrijft: “Bij mijn terugkeer op kantoor zojuist, werd ik nogal overvallen door de lawine aan achtergelaten boodschappen die u betreffen. Ik begrijp dat u niet alleen veel mailt, maar ook blijft bellen met de redactie, de Tros persdienst, de Tros-directie en andere Tros-afdelingen.
- een faxbericht van 15 januari 2003 van mr. I.C. Roelands, TROS Juridische Zaken, aan mr. Mulder (advocaat van X), met daarin onder meer de volgende passage: “De recente correspondentie tussen uw cliënte en PS Media/TROS toont aan dat uw cliënte niet bereid is gezamenlijk naar een inhoudelijke oplossing voor het gerezen geschil te zoeken. (...) Per mail en mondeling heeft PS Media uw cliënte diverse malen uitvoerig laten weten hoe de redactie te werk is gegaan. Bovendien heeft PS Media uw cliënte steeds uitgenodigd voor een weerwoord. Nog steeds zijn PS Media en TROS bereid uw cliënte die gelegenheid te bieden.
- een faxbericht van 15 januari 2003 van mr. Mulder aan mr. Roelands, waarin mr. Mulder onder meer schrijft: “Naar aanleiding van ons telefoongesprek van vanmiddag en mijn telefoongesprek met de heer Smolders van zojuist bericht ik u als volgt. Wij spraken af: - dat cliënte haar weerwoord in de uitzending zal doen door middel van het telefonisch geven van een verklaring;
- een e-mailbericht van 15 januari 2003, 19.38 uur, van mr. Mulder aan Smolders, met de volgende inhoud: “Bianca zegde toe zich in haar reactie aan de concrete onderwerpen uit de uitzending te willen houden. Zij zal u in het komende uur bellen. Zij wenst dat u mij bevestigt dat u haar weerwoord pas opneemt op het moment dat zij daarmee akkoord gaat, m.a.w. dat het gesprek niet opgenomen wordt vanaf het moment dat de hoorn opgenomen wordt. Kunt u mij dat nog even bevestigen?
- een faxbericht van 16 januari 2003 van mr. Roelands aan mr. Mulder, waarin onder meer staat: “Dank voor uw bericht van gisteravond 15 januari. De heer P. Smolders van PS Media heeft gisteravond met u besproken dat uw cliënt via de telefoon haar weerwoord zou kunnen geven op de uitzending van hedenavond. U heeft de heer Smolders om 18.38 per mail doorgegeven dat uw cliënte binnen een uur zou bellen naar PS Media. Dat is niet gebeurd. De redactie van Opgelicht heeft tot 20.15 uur gewacht op een telefoontje van uw cliënte, maar vergeefs. (...) Dat uw cliënte gisteravond niet de mogelijkheid heeft benut om haar kant van het verhaal te doen, komt dat ook volledig voor haar eigen rekening. Vanavond wordt het programma Opgelicht uitgezonden met de toezeggingen die ik in mijn fax van gisteren 15 januari heb beschreven. Een weerwoord van uw cliënte kan zo kort voor uitzending onmogelijk worden gemonteerd.
Ter zake van de betekenis van het e-mailbericht van 15 januari 2003 staan de standpunten van partijen lijnrecht tegenover elkaar. Uit het bericht blijkt naar het oordeel van de Raad niet eenduidig wat tussen partijen is overeengekomen. Enerzijds zou uit dat bericht kunnen worden afgeleid dat hoe dan ook was afgesproken dat X binnen een uur naar Opgelicht zou bellen. Anderzijds kan het bericht ook zo worden uitgelegd dat het bellen afhankelijk was van de gevraagde bevestiging. Er is geen materiaal voorhanden op grond waarvan de Raad kan vaststellen welk standpunt juist is.
Klagers hebben verder nog gesteld dat hun raadsvrouwe vervolgens telefonisch met Smolders heeft afgesproken dat X op 16 januari 2003, de dag van de uitzending, tussen 17.00 en 18.00 uur zou worden gebeld en dan alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld commentaar te geven, maar voor het bestaan van die afspraak ontbreekt ieder aanknopingspunt.
De hierboven aangehaalde correspondentie tussen partijen overziende komt de Raad tot de slotsom dat verweerders voldoende gelegenheid tot wederhoor hebben geboden, maar dat klagers – die blijkens de gang van zaken in de aan de uitzending voorafgaande dagen verweerders echt wel wisten te vinden – die gelegenheid om welke reden dan ook onbenut hebben gelaten. De klacht is op dit punt ongegrond.

BESLISSING

Voor zover de klacht erop ziet dat in de uitzending beschuldigingen zijn geuit zonder deugdelijke onderbouwing is deze gegrond en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Opgelicht’ dan wel deze beslissing integraal of in samenvatting op hun website te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 december 2004 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, T.G.G. Bouwman, drs. G.H.J.M. Bueters, mr. A. Herstel en mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.