2004/94 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

ir. P.J. de Lint

tegen

de hoofdredacteur van De Ingenieur

Bij brief van 28 september 2004 met diverse bijlagen heeft ir. P.J. de Lint te Wassenaar (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Ingenieur (verweerder). Hierop heeft E. van den Brink, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 19 oktober 2004.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 oktober 2004 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 9 juli 1997 heeft klager verweerder een ingezonden stuk gestuurd met de titel “De luchtledige luchtballon, redding voor de uitstervende Zeppelin en de vleugellamme luchtvaartindustrie in Nederland”. Klagers artikel eindigt met vier conclusies, kort samengevat:
- de luchtledige luchtballon is een welkom alternatief voor het vrachtverkeer door de lucht;
- er kan een luchtschip worden gebouwd zonder gebruik te maken van het schaarse en kostbare helium;
- door zijn grote veiligheid, milieuvriendelijkheid en duurzaamheid leent de luchtledige luchtballon zich bij uitstek voor alle luchtvaartactiviteiten;
- het is van nationaal belang dat regering en industrie de verdere ontwikkeling van de luchtledige luchtballon stimuleren om de luchtvaartindustrie in Nederland nieuw leven in te blazen.
Klagers stuk is in verkorte versie gepubliceerd in De Ingenieur nr. 21 van 10 december 1997, zonder de vier conclusies. Zijn verzoek om de weggelaten conclusies alsnog te publiceren is niet gehonoreerd.

Op 19 december 1997 verscheen in De Telegraaf een artikel onder de kop “Kok wil ov-zeppelin”. Naar aanleiding daarvan heeft klager toenmalig minister-president Kok bij brief van 19 december 1997 zijn ingezonden stuk van 9 juli 1997 gestuurd, met het verzoek de luchtledige luchtballon te betrekken in het door hem aangekondigde onderzoek naar de haalbaarheid van de bouw van bruikbare zeppelins voor openbaar vervoer. Bij brief van 30 januari 1998 heeft de minister-president aan klager bericht dat hij diens brief onder de aandacht heeft gebracht van de minister van Verkeer en Waterstaat.

Op 8 april 1998 is in De Ingenieur een artikel van ir. J.B. Kuipers verschenen onder de kop “Luchtledige luchtballon klapt meteen in elkaar”. Klager heeft daarop gereageerd in een ingezonden brief van 22 april 1998 met de kop “Mogelijk kan al in 2000 de eerste luchtledige luchtballon worden opgelaten”. Die brief is, ondanks herhaaldelijk verzoek daartoe van klager, niet gepubliceerd.

Op 2 februari 2000 is in De Ingenieur een interview met klager verschenen onder de kop “De luchtsigaar van P.J. de Lint”. De intro van dit artikel luidt:
Is de zeppelin de oplossing van alle transportproblemen? Een luchtschip is veilig, milieuvriendelijk, relatief goedkoop en geruisloos. Waterstof is uiterst brandbaar en helium is schaars en duur. Een vacuüm getrokken ballon dan maar? Ir. P.J. de Lint gelooft er heilig in.”
Naar aanleiding van die publicatie heeft klager op 10 februari 2000 een brief gestuurd naar De Ingenieur. Op 29 maart 2000 is in De Ingenieur een ‘Erratum’ gepubliceerd.

Op 19 februari 2004 is in het Amerikaanse tijdschrift Machine Design een artikel verschenen onder de kop “Using gravity to get off the ground”. Klager heeft dat artikel, met een korte toelichting, toegestuurd aan verweerder.

Ten slotte is op 24 september 2004 in De Ingenieur een artikel verschenen onder de kop “Vliegtuig op zwaartekracht”.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hij het artikel van 19 februari 2004 heeft ontvangen van ir. W. Kohler. In zijn begeleidende brief heeft Kohler aan hem geschreven ‘dat hij bij het lezen van dat artikel onmiddellijk aan klager dacht’ en dat ‘zijn idee van hydrogen/helium luchtvaart alles behalve een “klapsigaar” is, maar meer a rocket to success’. Volgens klager hebben R. Hunter, die in het artikel van 19 februari 2004 als uitvinder van de luchtledige ballon is opgevoerd, en Kohler kennelijk zijn publicaties in De Ingenieur gelezen. Een en ander heeft hij verweerder bericht. Ondanks zijn herhaald aandringen heeft verweerder echter geweigerd daaraan aandacht te besteden. Verweerder heeft echter wel op 24 september 2004 gepubliceerd over de uitvinding van Hunter, aldus klager.

Verweerder stelt dat klagers brief van 9 juli 1997 ingekort is gepubliceerd, zoals niet ongebruikelijk bij het plaatsen van ingezonden brieven. Omdat de conclusies in feite herhalingen waren van hetgeen klager eerder in zijn brief had betoogd en de brief voorts de beschikbare ruimte overschreed, heeft de eindredacteur de conclusies weggelaten. De aard en strekking van het betoog zijn overeind gebleven, aldus verweerder.
Hij acht het vergezocht dat het niet publiceren van de conclusies onder klagers brief, zou hebben geleid tot een kettingreactie waardoor klager nu geen gehoor vindt bij ‘de industrie’. Verweerder wijst erop dat een publicatie in De Ingenieur niet meetelt in de internationale citatie-index en dat De Ingenieur geen erkend wetenschappelijk tijdschrift is. De redactie vindt niet plaats door middel van peer review maar door hoor en wederhoor. De auteurs zijn geen vaktechnici, maar wetenschapsjournalisten.
Verder stelt verweerder dat ingezonden brieven een afwijkende journalistieke categorie vormen. Het eindredactionele beleid wordt telkenmale expliciet uitgelegd. Dat ingezonden brieven kunnen worden ingekort, wordt aan de lezers duidelijk gemaakt door vermelding van plaatsingscriteria in de brievenrubriek.
Verweerder heeft klagers ingezonden brief van 22 april 1998 niet gepubliceerd, omdat hij een eindeloze herhaling van voor- en tegenargumenten voorzag. Hij heeft ir. Van Baten gevraagd de propositie van een vacuümluchtschip op zijn haalbaarheid te beoordelen. Van Baten bevestigde de kritiek van ir. Kuipers, net als ir. Van Daalen van de Rijks Luchtvaart Dienst, hetgeen is te lezen in het artikel van 2 februari 2000.
Om de kwestie, of het idee van klager wel of niet te verwezenlijken valt, ten principale op te helderen, zal verweerder het bestuur van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs KIVI-NIRIA verzoeken een wetenschappelijke commissie in te stellen, die het concept van klager onderzoekt en de juistheid, dan wel de onjuistheid daarvan aantoont. De bevindingen van zo een commissie zal verweerder publiceren in De Ingenieur.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens het vaste oordeel van de Raad heeft een redactie in beginsel de vrijheid een reactie van een lezer op een artikel al dan niet te plaatsen, alsmede het recht om ingezonden brieven in te korten of te redigeren. Bij het gebruikmaken van dit recht dient te worden voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de inhoud of de strekking van de ingezonden brief. Verder is verweerder geheel vrij in zijn selectie van nieuws.
(vgl. onder meer: Van Zinderen tegen Leeuwarder Courant, RvdJ 2004/85, Braat tegen Legerkoerier, RvdJ 2004/01, Van den Heuvel tegen Brabants Dagblad, RvdJ 2003/51).

Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder jegens klagers journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door een verkorte versie van klagers ingezonden brief te plaatsen, dan wel door latere verzoeken van klager tot publicatie niet te honoreren.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Ingenieur te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 10 december 2004 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mr. A. Herstel, mw. E.H.C. Salomons en drs. P. Sijpersma, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-94