2004/90 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

V. Janssen (BN/DeStem)

In een brief met twee bijlagen, die door de Raad op 27 augustus 2004 is ontvangen, heeft X (klager) een klacht ingediend tegen V. Janssen (verweerster). Hierop heeft Janssen gereageerd bij brief van 21 september 2004.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 oktober 2004 in aanwezigheid van verweerster. Klager is daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 22 juli 2004 is in BN/DeStem een artikel van de hand van Janssen verschenen onder de kop “Zes jaar cel geëist voor verkrachting ex”, over een strafzaak tegen klager.
Vervolgens is op 6 augustus 2004 in BN/DeStem een artikel van de hand van Janssen verschenen onder de kop “Man niet schuldig aan serieverkrachting”. Blijkens dit artikel acht de rechtbank niet bewezen dat klager jarenlang zijn vriendin, later vrouw en ex-vrouw meermalen heeft verkracht en gedwongen heeft tot andere seksuele handelingen. Volgens het bericht is klager wel veroordeeld wegens een verkrachting van zijn ex-vrouw en voor het bezit van drugs. In het artikel is verder onder meer vermeld dat de rechtbank een combinatie van straffen heeft opgelegd omdat klager werkgever is, en dat de rechtbank voor een belangrijk deel het betoog van de advocaat van klager heeft gevolgd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hij in de artikelen onjuist is geciteerd. Verder stelt hij dat verweerster conclusies heeft geformuleerd die zijn gebaseerd op haar persoonlijke mening en niet berusten op feiten of gesproken woorden. Volgens klager is aldus op onjuiste wijze over de strafzaak tegen hem bericht en is hij daardoor ten onrechte in een verkeerd daglicht gesteld. Ten gevolge van de berichtgeving lijdt hij zowel persoonlijk als zakelijk verlies, hetgeen rechtstreeks verweerster is aan te rekenen, aldus klager.

Verweerster stelt dat zij de openbare zittingen, waarop de strafzaak tegen klager is behandeld en het vonnis is uitgesproken, heeft bijgewoond en daarvan zeer nauwkeurig aantekeningen heeft gemaakt. Zoals gebruikelijk bij rechtbankverslaggeving heeft zij in haar eerste artikel melding gemaakt van hetgeen klager ten laste is gelegd en van de eis van de officier van justitie. Verder heeft zij in dat artikel nadere argumenten van de officier van justitie alsmede relativerende opmerkingen van klager en zijn advocaat opgenomen. Verweerster betwist dat zij onjuiste citaten heeft gepubliceerd.
Verweerster merkt op dat zij, ter bescherming van de privacy van betrokkenen en om lezers niet erg te shockeren, geen melding heeft gemaakt van de gedetailleerde beschrijvingen van wat zich tussen klager en zijn ex-vrouw zou hebben afgespeeld. Verder wijst zij erop dat ze geen melding heeft gemaakt van de aard en de vestigingsplaats van het bedrijf van klager.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klager heeft gesteld dat hij onjuist is geciteerd en dat de berichtgeving conclusies bevat die niet op feiten zijn gebaseerd. Klager heeft zijn stellingen echter geconcretiseerd noch onderbouwd, zodat de Raad reeds om die reden niet kan vaststellen dat die stellingen juist zijn. Anderzijds heeft verweerster aannemelijk gemaakt dat zij op correcte wijze over de strafzaak tegen klager heeft bericht. De Raad leidt dit onder meer af uit het feit dat geen klacht is gericht tegen de weergave van hetgeen klager en zijn advocaat ter terechtzitting hebben aangevoerd.

De Raad komt derhalve tot de slotsom dat verweerster geen grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerster deze beslissing integraal of in samenvatting in BN/DeStem te (laten) publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 24 november 2004 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, T.G.G. Bouwman, drs. G.H.J.M. Bueters, mr. A. Herstel en mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-90