2004/89 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J. de Wreede

tegen

K. Munk en M. Koster, hoofdredacteur van Nieuwe Revu

Bij brief van 4 augustus 2004 met een bijlage heeft J. de Wreede te Utrecht (klager) een klacht ingediend tegen K. Munk, verslaggever, en M. Koster, hoofdredacteur van Nieuwe Revu, (verweerders). Hierop heeft S. van Gorp, Juridische Zaken Sanoma Uitgevers B.V., namens verweerders gereageerd bij brief van 9 september 2004 met vier bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 september 2004 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 14 juli 2004 is in Nieuwe Revu een artikel van de hand van Munk verschenen onder de kop “Multi-activist Kevin Heller: ‘Volkert is niet slim geweest’”. Het artikel behelst een interview met Heller, die volgens de publicatie allround activist en woordvoerder van het Dierenbevrijdingsfront is. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
In het Reformatorisch Dagblad staat dat geen middel jou te gek is om je doelen te bereiken... “Ja, dat is het Reformatorisch Dagblad. Die gast die dat heeft geschreven, Jaap de Wreede, heeft mij nooit gesproken. Hij kent mij alleen van de studie (ze studeerden beiden journalistiek – red.) Hij schreef racistische en seksistische columns voor het universiteitsblaadje. Vanaf dag één heeft hij een hekel aan me. Met het Reformatorisch Dagblad veeg ik mijn reet af.”
en
Vind je Osama bin Laden een goede vent? “Ik heb ooit een brief naar de Volkskrant geschreven. Daarin zeg ik dat ik het begrijpelijk vind dat mensen uit het Midden-Oosten of met moslim-fundamentalistische achtergrond een aanslag zouden willen plegen in de Verenigde Staten, vanwege de VS-politiek gericht op het Midden-Oosten. Daarin zeg ik ook letterlijk dat ik het niet goedkeur dat ze daarbij burgerdoelen vernietigen en mensen vermoorden. Ik heb Osama bin Laden in de brief genoemd, omdat ik begrijp dat hij vindt dat zijn land bezet wordt door de VS, en dat alles om olie draait en niet om de mensen in Saoedi-Arabië en Afghanistan. Dat heeft het Reformatorisch Dagblad vertaald naar ‘sympathie voor Bin Laden’.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hem door Heller zeer zware verwijten worden gemaakt. Verweerders hadden daarom wederhoor moeten toepassen en hebben dat ten onrechte nagelaten, aldus klager.
Verder stelt hij dat het artikel een aantal onjuistheden bevat. Het klopt dat hij en Heller elkaar nooit hebben gesproken, maar dat is aan Heller zelf te wijten. Klager wijst in dat verband op zijn artikel van 24 oktober 2003 in het Reformatorisch Dagblad, waarin hij schrijft: “Heller was niet bereikbaar voor commentaar. Maar hoe de activist over terrorisme denkt, weten we al: in een ingezonden brief aan de Volkskrant schrijft hij dat hij begrip heeft voor de aanslagen van 11 september 2001.” Uit die passage blijkt voorts dat de bewering van Heller ‘Dat heeft het Reformatorisch Dagblad vertaald naar ‘sympathie voor Bin Laden'’, onjuist is.
Verder is niet juist dat hij Heller kende tijdens zijn studie. Wel heeft hij journalistiek gestudeerd, maar in een andere stad dan Heller. Volgens klager blijkt uit de bizarre redactionele toevoeging ‘ze studeerden beiden journalistiek’ dat Munk zich heeft laten gebruiken als verlengstuk van het Dierenbevrijdingsfront. Ook onjuist is de bewering ‘Vanaf dag één heeft hij een hekel aan me.’ Heller heeft al eerder elders verkondigd dat het artikel in het Reformatorisch Dagblad zou zijn voortgekomen uit een persoonlijke vete uit de studententijd. Dat is onzin, want hij kende Heller toen niet, aldus klager.
Hij stelt voorts dat Heller in Nieuwe Revu een podium heeft gekregen om zijn werk onweersproken te typeren als ‘racistisch’ en ‘seksistisch’. Klager betoogt dat verweerders onzorgvuldig hebben gehandeld door die beschuldigingen zonder verificatie te publiceren. Klager voelt zich door deze uitlatingen gekwetst.
Ten slotte stelt klager dat Koster onfatsoenlijk en oncollegiaal heeft gehandeld door niet te reageren op zijn e-mail van 28 juli 2004, waarin hij rectificatie heeft verzocht.

Verweerders stellen dat het een goed journalistiek gebruik is om hoor en wederhoor toe te passen, maar dat daartoe in dit specifieke geval gaan aanleiding bestond. Het betreft hier de publicatie van een interview. Het artikel is opgebouwd uit vragen en antwoorden. De uitlatingen van Heller over klager zijn letterlijk uit zijn mond opgetekend. Door de wijze waarop de citaten zijn weergegeven, is voor de lezer ook overduidelijk dat het uitlatingen van Heller betreffen. Verweerders menen dat zij voldoende afstand hebben genomen van die uitlatingen. Verder stellen zij dat in een geval als het onderhavige niet van een journalist kan worden verlangd dat hij iedere uitlating van de geïnterviewde verifieert. Het gaat hier bovendien niet om buitensporige opmerkingen, aldus verweerders.
Zij wijzen erop dat klager heeft beaamd dat hij Heller nooit heeft gesproken. Overigens reageert Heller in de gewraakte passage op een vraag van Munk, die refereert aan een artikel in het Reformatorisch Dagblad van 14 juli 2004. De vraag van Munk ging dus niet over het artikel van 24 oktober 2003, waarnaar klager heeft verwezen. Verder heeft navraag bij Heller geleerd dat hij en klager elkaar wel degelijk vaak tegenkwamen tijdens de studie. Voorts heeft klager erkend dat hij, net als Heller, journalistiek heeft gestudeerd. De toevoeging ‘ze studeerden beiden journalistiek’ is dus feitelijk juist. Verweerders menen verder dat in de door klager aangehaalde passage uit het Reformatorisch Dagblad overduidelijk wordt gesuggereerd dat Heller sympathie heeft voor terrorisme, getuige de ironie in de zin ‘Maar hoe de activist over terrorisme denkt, weten we al.' De bewering van Heller ‘Dat heeft het Reformatorisch Dagblad vertaald naar 'sympathie voor Bin Laden'', is dus een juist weergave van de suggestie die uitgaat van de passage in het Reformatorisch Dagblad.
Gelet op de aard van de uitlatingen van Heller is het in ieder geval niet onzorgvuldig dat die uitlatingen zijn gepubliceerd zonder de juistheid ervan te verifiëren bij klager, aldus verweerders.
Voorts stellen zij dat uit onderzoek op internet blijkt dat klager al sinds jaar en dag bekend staat als een controversieel journalist en te boek staat als een racistische en seksistische figuur. Klager lijkt zijn reputatie zelf te voeden en trots te zijn op zijn status. Voor zover er sprake zou zijn van aantasting van zijn goede naam, is dat niet zo zeer het gevolg van het gewraakte artikel maar eerder van de controversiële publicaties van klager zelf. De opmerking van Heller moet in dit licht worden bezien.
Ten slotte menen verweerders dat Koster niet verplicht kan worden geacht te reageren op een verzoek tot rectificatie. Bovendien zag Koster terecht geen aanleiding voor rectificatie. Van onfatsoenlijk of oncollegiaal gedrag is geen sprake, aldus verweerders.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk moet gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zouden zijn geuit door een geïnterviewde, maakt dat niet anders. De vraag is of hier sprake van ernstige beschuldigingen als hiervoor bedoeld (vgl. onder meer H. Westbroek en A.J.F. Schnetz tegen M. Haighton en P. Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant, RvdJ 2004/61).

De klacht is allereerst gericht tegen de volgende beweringen:
a. ‘Die gast die dat heeft geschreven, Jaap de Wreede, heeft mij nooit gesproken.
b. ‘Hij kent mij alleen van de studie.
c. ‘(ze studeerden beiden journalistiek – red.)
d. ‘Vanaf dag één heeft hij een hekel aan me.
e. ‘Dat heeft het Reformatorisch Dagblad vertaald naar 'sympathie voor Bin Laden.'
De Raad acht geen van deze uitlatingen van zodanige ernst dat verweerder deze niet had mogen publiceren zonder nader onderzoek naar de juistheid ervan en zonder klager in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Reeds om deze reden is de klacht op dit punt ongegrond. Overigens heeft klager erkend dat de beweringen sub a. en c. feitelijk juist zijn. Voorts behelst de bewering sub e. naar het oordeel van de Raad een begrijpelijke weergave van de essentie van het bericht in het Reformatorisch Dagblad waarop wordt gedoeld. Ten overvloede overweegt de Raad dat in beginsel niet van een journalist kan worden gevraagd te verifiëren of een geïnterviewde een bericht waarover hij zijn mening geeft, op een juiste wijze heeft geïnterpreteerd.

De Raad acht de klacht wel gegrond voor zover deze is gericht tegen de bewering ‘Hij schreef racistische en seksistische columns voor het universiteitsblaadje.’ De beschuldiging, die als een min of meer vaststaand gegeven is gepresenteerd, betreft twee maatschappelijk beladen kwalificaties en is zo diffamerend, dat verweerders die beschuldiging niet zonder voorafgaand adequaat onderzoek naar de gegrondheid ervan hadden mogen publiceren. Verweerders hebben in dit verband in hun verweerschrift gewezen op diverse publicaties op internet. Nog daargelaten dat verweerders daaromtrent in hun artikel niets hebben vermeld, blijkt volgens de Raad uit de door verweerders overgelegde stukken nog niet dat de bewering van Heller ter zake feitelijk juist is. Bovendien hadden verweerders op dit punt wederhoor bij klager moeten toepassen, maar dat hebben zij evenzeer nagelaten.

Ten slotte overweegt de Raad dat hij wenselijk acht dat een hoofdredacteur reageert op een schrijven van een betrokkene, waarin deze verzoekt om rectificatie. Dat Koster heeft nagelaten op klagers e-mail te reageren kan echter niet leiden tot het oordeel dat hij op dat punt grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het uitblijven van een reactie zonder meer duidelijk maakte dat Koster niet bereid was om op klagers verzoek tot rectificatie in te gaan (vgl. onder meer W, X, Y en Z tegen De Telegraaf, RvdJ 2004/71).

BESLISSING

De klacht is gegrond voor zover gericht tegen de bewering ‘Hij schreef racistische en seksistische columns voor het universiteitsblaadje.’ Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Nieuwe Revu te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 november 2004 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, drs. P. Sijpersma, mw. drs. B.L.W. Tillema en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-89