2004/87 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Stichting Interconfessioneel (PC/RK) Basisonderwijs Naarden

tegen

de hoofdredacteur van de Gooi- en Eemlander

Bij brief van 9 juli 2004 met een bijlage heeft de Stichting Interconfessioneel (PC/RK) Basisonderwijs Naarden te Naarden (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Gooi- en Eemlander (verweerder). P. de Vries, hoofdredacteur, heeft op de klacht gereageerd bij brief van 26 juli 2004.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 24 september 2004 in aanwezigheid van De Jong, voorzitter van het bestuur van klaagster, en voornoemde De Vries.

DE FEITEN

Op 4 juni 2004 is in de Gooi- en Eemlander een artikel van de hand van J. Huibers verschenen onder de kop “Lerares plakt mond van kind af”. De intro van het artikel luidt:
Een lerares van basisschool de Tweemaster in Naarden heeft eind vorig jaar, begin dit jaar de mond van een zevenjarige leerling met tape afgeplakt. Het incident werd onlangs pas bij de moeder van het jongetje gemeld door twee ooggetuigen.
Verder is in het artikel onder meer vermeld dat de betrokken leerling astma heeft, dat dat bij de school bekend was, en dat de betrokken leerkracht nog voor de klas staat. In het artikel is een reactie van de directeur van de school opgenomen. Hij wordt geciteerd als volgt:
De lerares betreurt enorm wat er is gebeurd. Het had absoluut niet mogen gebeuren. Dit is zeker niet de manier waarop wij met onze leerlingen willen omgaan.
en
Dat (de leerling astma heeft) maakt het nog vervelender. We hebben een gesprek met de ouders gehad en hun beloofd dat dit nooit meer zal voorkomen. We zijn daar samen uitgekomen.
Ten slotte is bericht dat het incident ook bij de gemeente bekend is. De basisschool De Tweemaster wordt beheerd door klaagster.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat in mei 2004 bekend werd dat eind 2003 door een leerkracht van De Tweemaster een stukje plakband op de mond van een leerling is geplakt. Dat is destijds gezien door enkele ouders, van wie één dit voorval pas afgelopen mei heeft gemeld aan de ouders van de betrokken leerling. Er heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden tussen die ouders, de betrokken leerkracht en de directie van de school, hetgeen heeft geleid tot excuses van de kant van de leerkracht. Verder is het schoolteam op de hoogte gesteld. Voor de ouders van de betrokken leerling was daarmee de zaak afgedaan, aldus klaagster.
Een kennis van de ouders heeft de redactie van de Gooi- en Eemlander over de kwestie geïnformeerd, waarna Huibers zich telefonisch heeft gewend tot de directeur van de school en hem heeft gevraagd naar het voorval. De directeur heeft de vragen van Huibers naar waarheid beantwoord. Vervolgens heeft hij aan klaagster en de ouders van de leerling gemeld dat de Gooi- en Eemlander voornemens was een artikel over het voorval te publiceren. De moeder van de leerling, de kennis die de krant had geïnformeerd en klaagster hebben vervolgens aan de krant verzocht publicatie achterwege te laten.
Klaagster maakt allereerst bezwaar tegen het feit dat de krant tóch tot publicatie is overgegaan. Volgens klaagster is sprake van een enkel incident, dat niet past binnen de structurele werkwijze van de leerkracht noch binnen het beleid van de school, en dient de publicatie derhalve geen maatschappelijk belang. Op het moment dat een dergelijk belang ontbreekt en een voorval gewone nieuwswaarde heeft, moet een afweging worden gemaakt tussen het belang van de krant en de belangen van de betrokkenen, aldus klaagster. In dit geval bestond het risico dat door publicatie schade zou worden toegebracht aan de betrokken leerling, de betrokken leerkracht en de school. Een juiste belangenafweging had ertoe moeten leiden dat verweerder niet tot publicatie zou zijn overgegaan, aldus klaagster. Door niettemin over het voorval te publiceren, heeft verweerder een onevenredige druk gelegd op alle betrokkenen. Klaagster wijst erop dat ondanks het feit dat de namen van de betrokken leerling en leerkracht niet zijn vermeld, breed bekend is om wie het ging.
Verder stelt klaagster dat het voorval weliswaar op een relatief neutrale wijze is beschreven, maar dat desondanks van het artikel de onjuiste suggestie uitgaat dat de hele mond van het kind was dichtgeplakt met tape, terwijl ‘slechts’ sprake is geweest van het plakken van een stukje plakband op de mond. Het kind had zijn handen vrij en kon het plakbandje zelf verwijderen. Klaagster is zich er overigens van bewust dat de schooldirecteur het woord ‘afplakken’ heeft gebruikt. De journalist had echter het feit zelf en de context waarin dat gebeurd is, nader moeten onderzoeken. Kleine tekstuele nuances tezamen met de vermelding dat de leerling astma heeft en de leerkracht nog voor de klas staat, zetten een beeld neer dat net niet de waarheid weergeeft. Ten onrechte wordt gesuggereerd dat sprake was van een ernstige situatie.
Ten slotte stelt klaagster dat door de plaatsing van het artikel over een belangrijk deel van de voorpagina onevenredig veel aandacht op het voorval is gericht.

Verweerder stelt voorop dat toestemming voor of instemming met publicatie, niet is vereist. Verzoeken om publicatie achterwege te laten, vormen geen zelfstandig argument om van publicatie af te zien, aldus verweerder. Dergelijke verzoeken zijn slechts een factor bij de afweging die de krant maakt om al dan niet te publiceren. Het maatschappelijk belang dat met publicatie was gediend, is erin gelegen dat de betrokken leerkracht een handeling heeft verricht die in zijn algemeenheid in de verhouding tussen leerkracht en leerling discutabel is, maar bovendien – gezien de astma-aandoening van de leerling – niet van risico’s was ontbloot. Ouders vertrouwen hun kinderen toe aan een school. Als zich incidenten voordoen, moeten ouders kunnen rekenen op een correcte afhandeling. Scholen hebben ter zake een verantwoordingsplicht richting de ouders, maar ook richting de publieke opinie. Het publiek heeft er recht op te weten wat zich op scholen afspeelt en hoe scholen daarmee omgaan. Het feit dat het hier een incident betreft, betekent niet dat het niet relevant is daarover te publiceren. Ook incidenten kunnen maatschappelijk relevant zijn, aldus verweerder. Naar zijn mening maakt de afweging om het bericht op de voorpagina te plaatsen deel uit van de journalistieke formule van zijn krant en daarmee van de redactionele vrijheid. In een regionale krant als de Gooi- en Eemlander krijgt nieuws uit de lokale samenleving voorrang en wordt dit uitgebreider gebracht dan ander nieuws.
Verder stelt verweerder dat Huibers de tip die haar bereikte bij meerdere bronnen, waaronder de schooldirecteur, heeft gecontroleerd. Daarbij is uitgebreid gesproken over de feitelijke gang van zaken en de context waarbinnen het voorval zich voltrok. Overigens is naast het aantal bronnen ook hun mate van geïnformeerdheid en de vraag in hoeverre zij als gezaghebbend kunnen worden opgevat, van belang. Volgens verweerder kan in elk geval de schooldirecteur als voldoende geïnformeerd en gezaghebbend worden aangemerkt. Klaagster heeft bovendien erkend dat de directeur overeenkomstig de waarheid informatie heeft verstrekt. Volgens verweerder is aldus voldoende onderzoek verricht.
Wat de inhoud van het artikel betreft, wijst verweerder erop dat niet is vermeld dat de tape over de hele mond van het kind was aangebracht. De passage over de astma-aandoening is feitelijk correct en zonder enige suggestie gepresenteerd, en alleszins relevant. Dat de leerkracht nog voor de klas staat, is vermeld in een feitelijke alinea over de afhandeling van het voorval door de school. Daarmee wordt niet de ernst van de situatie aangezet of afgezwakt, maar alleen beschreven. Van een onzorgvuldige weergave van de feiten, is volgens verweerder geen sprake.
Ten slotte stelt verweerder dat niet is gebleken dat klaagster onevenredig groot nadeel van de publicatie heeft ondervonden. Bovendien heeft verweerder volop maatregelen genomen om ongewenste bijeffecten te voorkomen. Betrokkenen waren op de hoogte van de naderende publicatie. Over de kwestie is zakelijk bericht en er is geen ruchtbaarheid gegeven aan de identiteit van leerling en leerkracht.
Verweerder concludeert dat hij niet journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klaagster betoogt dat verweerder journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld door over het voorval te publiceren, ondanks verzoeken van betrokkenen om niet tot publicatie over te gaan. Dit betoog wordt niet gevolgd. Een journalist is vrij in zijn selectie van nieuws. Er is geen norm van journalistieke zorgvuldigheid die meebrengt dat een journalist toe- of instemming behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. Dat neemt niet weg dat de journalist wel steeds een afweging dient te maken tussen het belang dat met de publicatie is gediend en de belangen, die door de publicatie worden geschaad, en dat moet worden vermeden dat nodeloos schade wordt toegebracht (vgl. onder meer: X tegen de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad, RvdJ 2004/44; Kranenburg e.a. tegen Karaçay en Dünya, RvdJ 2003/13; Ruyssenaars en Honkoop tegen Biesemaat e.a., RvdJ 2002/44).

Niet is gebleken dat de belangen van klaagster ten gevolge van de publicatie nodeloos zijn geschaad, zodat het belang dat met de publicatie is gediend daarvoor had moeten wijken.
Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat verweerder kennelijk diverse bronnen heeft geraadpleegd en derhalve voldoende onderzoek heeft verricht. Bovendien heeft verweerder wederhoor toegepast bij de directeur en diens reactie – ook volgens klaagster: correct – weergegeven. Overigens zijn de namen van de betrokken leerling en leerkracht niet in het artikel vermeld.

De wijze waarop verweerder het artikel heeft gepubliceerd, te weten over meerdere kolommen op de voorpagina, is voorts niet ongebruikelijk of ontoelaatbaar. Een redactie heeft ter zake een grote vrijheid van handelen (vgl. B. van ’t Hof tegen de Goudsche Courant, RvdJ 2000/26). Bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat verweerder de grenzen van die vrijheid heeft overschreden, zijn gesteld noch gebleken.

Ten slotte is ook van onjuiste, suggestieve berichtgeving naar het oordeel van de Raad geen sprake. Klaagster heeft erkend dat de directeur van de school zélf het woord ‘afplakken’ heeft gebruikt in zijn reactie en dat ook overigens zijn woorden juist zijn weergegeven.

Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 november 2004 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, drs. P. Sijpersma, mw. drs. B.L.W. Tillema en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-87