2004/84 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M. Doorjé

tegen

de hoofdredacteur van ‘Opgelicht’ (TROS)

Bij brief van 9 juli 2004 met drie bijlagen heeft M. Doorjé (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het televisieprogramma ‘Opgelicht’ (verweerder). Klager heeft op 19 juli 2004 zijn klacht nader toegelicht. Hierop heeft mr. B.P. Aalberts, TROS Hoofd Juridische Zaken, namens verweerder gereageerd in een schrijven van 16 augustus 2004 met één bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 september 2004 in aanwezigheid van klager. Aan de zijde van verweerder zijn daar verschenen P. Arens, eindredacteur TROS ‘Opgelicht’ en D. Bezemer, redacteur TROS ‘Opgelicht’. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een video-opname van de gewraakte uitzending bekeken.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en de bandopname van de uitzending gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In de uitzending van 27 maart 2004 besteedde het programma 'Opgelicht' uitgebreid aandacht aan het verhaal van een aantal schuldeisers van klager. Daarbij werden beelden getoond van een onverwachte confrontatie op 6 maart 2004 van klager met enkelen van hen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de makers van het programma ‘Opgelicht’ onzorgvuldig hebben gehandeld, waardoor hij in zijn integriteit is aangetast en schade heeft geleden. In de uitzending van ‘Opgelicht’ wordt aandacht besteed aan een aantal personen van wie klager geld heeft geleend. Ten onrechte wordt volgens klager verzwegen dat één van deze personen als gevolg van een executoir beslag op het inkomen van klager regelmatig betalingen ontvangt. Daarnaast heeft verweerder volgens klager ten onrechte nagelaten hoor en wederhoor toe te passen, waardoor het programma onjuistheden bevat. Verder maakt klager bezwaar tegen het feit dat er een fictief personage is gebruikt om hem uit te beelden en tegen het feit dat zijn volledige naam in de uitzending werd genoemd. Volgens klager heeft verweerder de toezegging gedaan dat klager zijn verhaal mocht doen op een later tijdstip. Deze toezegging is verweerder niet nagekomen, aldus klager. Ten slotte beklaagt hij zich over het feit dat hij op 6 maart 2004 zonder aankondiging en zonder zijn toestemming is geconfronteerd met zijn schuldeisers en een cameraploeg.

In het programma ‘Opgelicht’ worden onderwerpen belicht die door de gemiddelde kijker als oplichting worden ervaren, aldus verweerder. Dit betreft niet alleen oplichting in strafrechtelijke zin. Ook gevallen van misleiding, dwaling en bedrog worden door het publiek als oplichting gevoeld en vaak ook als zodanig aangeduid. Volgens verweerder is er voldoende zorgvuldig gehandeld bij de totstandkoming van het gewraakte item en is dit zorgvuldig vormgegeven. Hoor en wederhoor is, anders dan klager stelt, wel toegepast.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht, zoals door klager nader toegelicht ter zitting, is dat verweerder onvoldoende feitenonderzoek heeft verricht ter ondersteuning van de berichtgeving over klager en dat verweerder ten onrechte geen wederhoor heeft toegepast. Hierdoor zou de uitzending van TROS ‘Opgelicht’ een verkeerd beeld geven van klager en onjuistheden bevatten. De Raad zal zich tot die kern beperken.

Voorop dient te worden gesteld dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn onderzoek te verrichten naar (vermeende) onoorbare praktijken. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen. Daarbij dient een journalist zorgvuldig te werk te gaan en moet een eventuele publicatie met feiten worden onderbouwd (vgl. onder meer Beckers en Van der Lugt (Alizonne B.V.) tegen De Wit, Van der Bijl en Vukojevic (Nieuwe Revu), RvdJ 2004/80).
In de uitzending van ‘Opgelicht’ wordt aan de orde gesteld dat klager betrokken is bij financiële wanpraktijken (het ook na jaren niet terugbetalen van relatief grote bedragen die hij tegen een hoge, evenmin betaalde, rente van een aantal particulieren heeft geleend). Uit hetgeen door geïnterviewden in de uitzending naar voren is gebracht en hetgeen door verweerder verder is aangevoerd, heeft de Raad de overtuiging gekregen dat het door verweerder verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De handelwijze van klager, met name het doorgaan met lenen terwijl al duidelijk was dat hij niet aan zijn verplichtingen met betrekking tot eerdere leningen kon voldoen, rechtvaardigde de onderhavige kritische reportage alleszins.

Bij berichtgeving waarbij ernstige beschuldigingen worden geuit, houdt de hierboven genoemde zorgvuldigheid in het algemeen het toepassen van wederhoor in.
Verweerder heeft klager de mogelijkheid geboden om voor de camera te reageren op de jegens hem geuite beschuldigingen. Van deze mogelijkheid heeft klager gebruik gemaakt. De reactie van klager is opgenomen in de uitzending. Daarnaast heeft verweerder klager ook per e-mail gevraagd te reageren, waarmee verweerder naar oordeel van de Raad aan haar verplichting tot het toepassen van wederhoor heeft voldaan. De Raad kan klager niet volgen in zijn betoog dat de uitzending van ‘Opgelicht’ een verkeerd beeld zou geven van zijn handelwijze. Dat de uitzending een feitelijke onjuistheid van enige betekenis zou bevatten, is niet gebleken.

Aldus is de Raad van oordeel dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaarbaar is, door over klager te berichten op de wijze zoals hij heeft gedaan.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Opgelicht’.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 november 2004 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. C.M. Buijs, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mr. A. Herstel, mw. C.J.E.M. Joosten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.

Uitspraak 2004-84