2004/81 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

ing. S. Ruiter

tegen

L. Blank en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad

Bij brief van 23 juni 2004 met zestien bijlagen heeft ing. S. Ruiter te Wervershoof (klager) een klacht ingediend tegen L. Blank en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad. Hierop heeft G. ten Dam, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 23 augustus 2004 met een bijlage. Klager heeft daarop nog gereageerd bij brief van 24 augustus 2004.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 26 augustus 2004 in aanwezigheid van klager. Verweerders zijn daar niet verschenen.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van de voorzitter van de Raad heeft klager desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door een der leden als waarnemend voorzitter tezamen met de resterende leden.

DE FEITEN

Op 25 mei 2004 is in het Noordhollands Dagblad een artikel van de hand van L. Blank verschenen onder de kop “Het Grootslag wil af van negativiteit”. De intro van het artikel luidt:
Vakantiedorp Het Grootslag in Andijk wil af van zijn negatieve imago. Na jaren van interne strubbelingen tussen het bestuur van de coöperatie en een aantal eigenaren van bungalows moet de rust terugkeren. Voorzitter S. Ruiter uit Wervershoof heeft het veld geruimd en binnenkort wordt besloten over opheffing van de schorsingen van enkele kritische leden.
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
Kritische leden van de coöperatie bundelden hun krachten in de Belangen Organisatie Grootslag (BOG). Ze verdachten voorzitter Ruiter onder meer van eigen financieel gewin. Ook zou de preses niet openstaan voor de mening van anderen en vrijwel alle macht naar zich toetrekken. (...) Ook spande de belangenorganisatie een rechtszaak aan tegen Ruiter. Op voorspraak van de rechter werd een bemiddelingspoging ingesteld, die echter niet tot resultaten leidde.
en
D. Lammes, een van de geschorste leden, bevestigt dat de onderlinge verhoudingen aanzienlijk verbeterd zijn na het aantreden van Van ’t Hof. Lammes (...) zegt dat hij achteraf volkomen gelijk heeft gekregen met de kritiek aan Ruiter en zijn mede-bestuursleden.
In de bijlage ‘Stad en Streek’ is het artikel vervolgd onder de kop “Nieuwe voorzitter Ab van ’t Hof wil met een schone lei beginnen - ’Grootslag niet langer trammelantpark’”. In dit artikel komt de volgende passage voor:
Hij moet zich vreselijk hebben geërgerd aan de ruzies op het vakantiedorp. (...) Beschuldigingen aan het adres van voorzitter Simon Ruiter over financiële malversaties en machtsmisbruik. Kortom, de verhoudingen waren danig verziekt.

Op 30 juni 2004 is in het Noordhollands Dagblad in de rubriek ‘Lezers schrijven’ een ingezonden brief van klager gepubliceerd. Daarin schrijft klager onder meer:
In september 2003 ben ik zelf teruggetreden als voorzitter bij vakantiepark Het Grootslag in Andijk. Ik wilde niet langer verantwoordelijk zijn voor het handelen van enkele bestuursleden (tevens directie van Facilitair bedrijf Andijk (FbA) die het park onderhoudt) en de bedrijfsleider van het Grootslag en de door hen gedane uitgaven. (...) De valse beschuldigingen over financieel gewin aan mijn adres door de Belangen Organisatie Grootslag (BOG) zijn volgens de BOG geuit omdat een leidinggevend persoon binnen het Grootslag deze suggesties deed (NHD, 25 mei). Mogelijk om eigen disfunctioneren te verhullen. Onderzoek door de BOG zelf heeft aangetoond dat dit absoluut niet waar is, aldus een door hen afgegeven verklaring. Deze beschuldigingen zijn ook niet meer herhaald. De opmerkingen zijn op persoonlijke titel door uw verslaggever aan het interview toegevoegd. Ik heb verklaringen van het bestuur, de BOG en bestuurslid mevrouw Jerosch, die mij vrij pleiten van alle beschuldigingen.
Onder de brief is het volgende naschrift van de redactie opgenomen:
In het verhaal van 25 mei schreven wij ten onrechte dat de BOG een kort geding had aangespannen tegen het bestuur van Het Grootslag. Dat was precies andersom. Beschuldigingen over onder meer financiële malversaties aan het adres van Simon Ruiter, toen deze nog voorzitter was van coöperatie Het Grootslag, zijn nooit bewezen. Overigens heeft het bestuur na verschillende – mislukte – bemiddelingspogingen het kort geding teruggetrokken.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat sprake is van onjuiste, onvolledige en tendentieuze berichtgeving. Zo hebben verweerders over de beschuldiging van financieel gewin onvolledig bericht, aldus klager. Die beschuldiging is destijds onderzocht en ongegrond gebleken, hetgeen verweerders ten onrechte niet hebben vermeld. Klager wijst in dit verband op een brief van 15 juni 2004 van een afgevaardigde van de BOG, die schrijft: “Hierbij deel ik u mede dat ik, als afgevaardigde van de BOG, de omstandigheden rond de aankoop van bungalow 195 door U destijds heb onderzocht. Wij hebben geen onregelmatigheden aangetroffen, zoals wij al eens eerder informeel aan u hebben medegedeeld. De verhouding tussen de BOG en uw persoon is sindsdien min of meer genormaliseerd.
Volgens klager is verder onjuist dat hij zou zijn beschuldigd van financiële malversaties. De beschuldigingen van destijds zijn geuit aan het adres van het bestuur van het vakantiepark, aldus klager. Ten onrechte is de indruk gewekt dat hij destijds individueel heeft gehandeld. Klager wijst erop dat uit de statuten van de coöperatie en de inschrijving bij de Kamer van Koophandel blijkt dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de coöperatie toekomt aan twee gezamenlijk handelende bestuursleden. Geen enkel bestuurslid kon dus alleen handelen, hetgeen verweerders hadden kunnen en moeten weten. Bovendien was de beschuldiging ongegrond en verweerders hebben ten onrechte nagelaten dat te vermelden. Klager wijst ter zake op een brief van de Rabobank van 14 juni 2004 en op een e-mailbericht van de voormalig voorzitter van de Commissie van 16 juni 2004, waarin deze onder meer aan klager schrijft: “Als voorzitter van de CvT heb ik je leren kennen als iemand die met veel inzet zich heeft ingespannen om wat van het park te maken, weliswaar soms wat eigenzinnig in het optreden, maar altijd de belangen van het park vooropstellend. (...) Onder de controlerende taken van de CvT viel ook het bezien van de financiële jaarstukken, dit met inbegrip van bestuursdeclaraties. Het spreekt vanzelf dat de CvT, gezien de soms gespannen verhoudingen in de jaarvergaderingen, daar ook extra oog voor had. De CvT heeft naar eer en geweten deze controlerende taken uitgevoerd. Op geen enkele manier is de CvT gebleken dat er zaken aan de hand waren die niet door de beugel konden. Op vragen van de CvT aangaande belangrijke ontwikkelingen en de financiën is door het bestuur, en met name de voorzitter, altijd bevredigend gereageerd.
Voorts is ten onrechte bericht dat de BOG een rechtszaak tegen klager had aangespannen, omdat sprake was van een door het bestuur van Het Grootslag tegen de BOG aangespannen procedure.
Wat betreft de beschuldiging van machtsmisbruik stelt klager dat die beschuldiging slechts door een zeer kleine groep leden van de coöperatie is geuit, dat voor die beschuldiging geen grond bestaat en dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten die beschuldiging bij de geïnterviewde Van ’t Hof te verifiëren.
Bovendien is sprake van selectieve berichtgeving, omdat verweerders hebben nagelaten positieve uitlatingen over hem te publiceren, aldus klager. In dit verband wijst hij onder meer op een brief aan hem van de geïnterviewde Van ’t Hof van 9 juni 2004, waarin deze onder meer schrijft: “Ondergetekende heeft ca. 14 dagen voor plaatsing een gesprek gehad met de heer Blank, waarin hij getracht heeft het Grootslag positief in het daglicht te zetten. De passages betreffende uw functioneren komen van de hand van de verslaggever en niet uit de mond van ondergetekende. Uw naam is uitsluitend gevallen in combinatie met de realisatie van het nieuwe zwembad met receptie, waarbij uw inzet als uiterst verdienstelijk werd aangemerkt.
Ten slotte stelt klager dat verweerders hem in de gelegenheid hadden moeten stellen te reageren op de ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan zijn adres, en dat zij dat ten onrechte hebben nagelaten. Verweerders hadden hem vóór de berichtgeving van 25 mei 2004 om commentaar moeten vragen, aldus klager. Omdat verweerders dat hadden nagelaten wilde hij niet meewerken aan een interview, dat verweerders hem ná de berichtgeving van 25 mei 2004 hebben aangeboden. Bovendien kan publicatie van een interview met hem niet worden beschouwd als een deugdelijke rectificatie van de onzorgvuldige berichtgeving, aldus klager. Weliswaar is uiteindelijk op 30 juni 2004, dus pas nadat hij onderhavige klacht had ingediend, zijn ingezonden brief gepubliceerd, maar het naschrift daaronder is volgens klager zeer onbevredigend.
Samengevat stelt klager dat verweerders onzorgvuldig hebben bericht over zaken die zich in het verleden hebben voorgedaan. De berichtgeving ter zake is deels onjuist en bovendien onvolledig, omdat verweerders hebben nagelaten te vermelden dat de beschuldigingen van destijds ongegrond zijn gebleken. Bovendien hebben verweerders ten onrechte geen wederhoor toegepast. Door deze onzorgvuldige berichtgeving is hij in een verkeerd daglicht geplaatst en in zijn eer en goede naam aangetast, aldus klager.

Verweerders stellen dat zij op 25 mei 2004 over vakantiepark Het Grootslag hebben bericht naar aanleiding van het toetreden van een nieuw bestuur en de op dat moment aanstaande ledenvergadering. Het bestuur gaf aan dat het schoon schip wilde maken met het verleden en daarom was het functioneel om een opsomming te maken van de voorvallen in het verleden, aldus verweerders. Zij erkennen dat in die opsomming één fout is gemaakt, te weten de vermelding dat de BOG een kort geding tegen het bestuur zou hebben aangespannen. Dit is gerectificeerd in het naschrift van 30 juni 2004.
Verder stellen verweerders dat klager in de berichtgeving van 25 mei 2004 niet van financiële malversaties is beticht. Bij goede lezing blijkt dat slechts een functionele opsomming van gebeurtenissen is gegeven.
Volgens verweerders hebben zij klager, nadat deze zich eind mei tot de krant had gewend, bij herhaling een interview aangeboden dat klager zou mogen autoriseren. Overigens niet omdat zij vonden dat zij fouten hadden gemaakt, maar om op een fatsoenlijke manier de lucht te klaren. Klager is echter niet op dat aanbod ingegaan. Uiteindelijk is met klagers advocaat overeengekomen dat een ingezonden brief van klager zou worden geplaatst, voorzien van een naschrift. Dat is gebeurd op 30 juni 2004.
Ten slotte wijzen verweerders erop dat in de zaak tussen het bestuur en de BOG, betreffende uitspraken van de BOG over het functioneren van klager, nooit een gerechtelijke uitspraak is gedaan. Een bemiddelingspoging leverde geen resultaat op. Het bestuur heeft vervolgens de zaak teruggetrokken en de BOG is grotendeels schadeloos gesteld voor gemaakte juridische kosten.
Verweerders concluderen dat zij zorgvuldig jegens klager hebben gehandeld. De enige fout in de berichtgeving van 25 mei 2004 is op 30 juni 2004 gerectificeerd. Bovendien hebben zij klager ruimhartiger dan gebruikelijk de gelegenheid gegeven om in een interview zijn visie op de zaak te geven, maar heeft klager van die gelegenheid geen gebruik gemaakt, aldus verweerders.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht is dat de berichtgeving van 25 mei 2004 ernstige beschuldigingen aan het adres van klager bevat, dat ten onrechte onvermeld is gelaten dat die beschuldigingen ongegrond zijn gebleken, dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten wederhoor toe te passen en dat zij de onzorgvuldige berichtgeving onvoldoende hebben gerectificeerd.

Volgens het vaste oordeel van de Raad dient een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan.

In de artikelen wordt over klager onder meer bericht dat hij destijds – ongeveer drie jaar geleden – is beschuldigd ‘van eigen financieel gewin’ en dat toen beschuldigingen aan zijn adres zijn geuit ‘over financiële malversaties’. Dit zijn ernstige beschuldigingen aan het adres van klager.

Naar het oordeel van de Raad blijkt uit de door klager overgelegde brief van de afgevaardigde van de Belangen Organisatie Grootslag genoegzaam dat de beschuldiging van ‘eigen financieel gewin’ destijds is onderzocht en dat ter zake geen onregelmatigheden zijn aangetroffen.
Wat betreft de beschuldiging van ‘financiële malversaties’ overweegt de Raad allereerst dat niet is gebleken dat die beschuldiging destijds aan het adres van klager persoonlijk is geuit. Verweerders hebben op 22 november 2001 als volgt over de kwestie bericht: “Kritiek is er ook op de ondoorzichtige administratie van coöperatie en facilitair bedrijf, waarmee volgens de ex-penningmeester ook regelmatig gesjoemeld zou zijn. Die onregelmatigheden werden (...) naderhand ook door de Rabobank West-Friesland-Oost gesignaleerd. Dat was voor de geldverstrekker, zo wordt bevestigd door een zegsman van de bank, aanleiding een door de coöperatie gevraagde lening van 3,2 miljoen gulden af te wijzen.
Over die berichtgeving heeft de Rabobank Westfriesland-Oost in de brief van 14 juni 2004 aan klager geschreven: “In het door u aangegeven krantenartikel (...) staat vermeld dat door de Rabobank “onregelmatigheden zouden zijn gesignaleerd” en deze informatie zou afkomstig zijn van een “zegsman van de Rabobank”. Ik heb deze zaak opnieuw nader met de betreffende bedrijvenadviseur besproken. Ook destijds heb ik contact met hem gehad naar aanleiding van het krantenartikel. Hij heeft destijds en ook nu opnieuw aangegeven dat er geen mededelingen zijn gedaan aan de betreffende journalist over de interne financiële situatie van “Het Grootslag” en zeker niet over een vermeende afwijsgrond van een financieringsaanvraag. Uiteraard doen wij geen mededelingen over informatie van onze klanten aan derden en daartoe behoort zeker de pers. (...) Het zakelijk contact tussen onze bank en “Het Grootslag” was goed en gaf ons geen enkele aanleiding tot terughoudendheid. Sterker nog, uiteindelijk is de financiering, zij het in gewijzigde vorm, ook daadwerkelijk verstrekt. De uitlatingen van de heer Blank komen geheel voor zijn rekening en wij distantiëren ons dan ook van zijn uitspraken.
Voorts volgt uit het door klager overgelegde e-mailbericht van de voormalig voorzitter van de Commissie van Toezicht, waarin deze schrijft “Op geen enkele manier is de CvT gebleken dat er zaken aan de hand waren die niet door de beugel konden.”, dat voor de beschuldigingen van destijds, in de berichtgeving van 25 mei 2004 aangeduid als ‘beschuldiging van financiële malversaties’, kennelijk onvoldoende grond bestond.

Door een en ander onvermeld te laten en door onzorgvuldig te citeren uit eerdere publicaties over deze kwestie in hun eigen krant, hebben verweerders onvolledig en daardoor onjuist over klager bericht. Verweerders hadden zulks moeten en kunnen voorkomen door de beschuldigingen van destijds bij deugdelijke bronnen – zoals de BOG, de Rabobank of de Commissie van Toezicht – te verifiëren dan wel door klager wederhoor te bieden, maar zij hebben dat nagelaten. Gesteld noch gebleken is dat bijzondere omstandigheden deze handelwijze van verweerders kunnen rechtvaardigen. Weliswaar hebben verweerders in hun naschrift van 30 juni 2004 een onjuistheid gerectificeerd, maar die rectificatie strekt zich niet uit tot de onvolkomenheden als hiervoor bedoeld.

De slotsom is dat verweerders, door te handelen en na te laten als hierboven omschreven, grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar.

(vgl. onder meer: Geerts/Zembla, RvdJ 2004/60 en Professor Heymansstichting/Demoed, Schrikkema en TROS 2Vandaag, RvdJ 2004/27).

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Noordhollands Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 12 oktober 2004 door prof. drs. E. van Thijn, waarnemend voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. F.W. Dresselhuys en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-81