2004/77 niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

Stichting Teleac/NOT

Bij brief van 28 juni 2004 met zes bijlagen heeft X (klager) een klacht ingediend tegen Stichting Teleac/NOT (verweerder). Klager heeft zijn klacht nader toegelicht in een brief van 8 juli 2004. Hierop heeft mr. M. Verlouw, juridische Zaken Teleac/NOT, geantwoord in een brief van 26 juli 2004.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 augustus 2004 buiten aanwezigheid van partijen

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad is de zaak behandeld door de voorzitter en drie resterende leden.

DE FEITEN

Op 17 mei 2004 zond verweerder een deel uit van de serie ‘De ontheemden’. Deze serie geeft een beeld van de processen en mechanismen die in de geschiedenis hebben geleid tot volkenmoorden en etnische zuiveringen. In de genoemde uitzending is eerst aandacht besteed aan de Turks/Armeense kwestie, daarna aan de holocaust. Beide gebeurtenissen worden met elkaar in verband gebracht.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat in het programma ‘De ontheemden’ op onjuiste gronden ernstige beschuldigingen worden geuit jegens Turken en Turkije. Het programma associeert Turken ten onrechte met de nazi’s, aldus klager. Zo wordt in de uitzending gesteld dat de Turken leermeesters van de nazi’s waren en dat Hitler inspiratie opdeed bij de Turken. Daarnaast worden de Turken er, volgens klager, ten onrechte van beschuldigd dat ze gaskamers gebruikten en medische experimenten op de Armeniërs zouden hebben uitgevoerd. De wetenschappers die in de uitzending aan het woord worden gelaten, zijn volgens klager niet objectief waardoor de uitzending een eenzijdig beeld geeft van de gebeurtenissen. Ter zake van zijn ontvankelijkheid stelt klager dat het tot de taak van de Raad behoort om media die zich bezighouden met verspreiden van onjuiste beweringen, tot de orde te roepen. Klager is van Turkse afkomst en is geschokt door de aantoonbaar onware beschuldigingen die in de uitzending worden geuit.

Verweerder stelt begrip te hebben voor de gevoelens van klager. Volgens verweerder is klager echter geen ‘rechtstreeks belanghebbende’ in de zin van de statuten en reglementen en in de betekenis die de uitspraken van de Raad aan die term geven. Klager dient daarom in zijn klacht niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Artikel 2 lid 1 van het Reglement van de Raad bepaalt dat een klaagschrift moet worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt (vgl. onder meer Wessemius tegen De Vries, RvdJ 2004/68). Het een noch het ander doet zich hier voor.

Klager heeft betoogd dat hij als Turk in deze kwestie een rechtstreeks belang heeft bij een oordeel van de Raad. Daarnaast heeft klager aangevoerd dat het tot de taak van de Raad behoort om op te treden tegen media die onjuiste beweringen verspreiden. Alhoewel de Raad begrip heeft voor de gevoelens van klager, volgt hij klager niet in zijn betoog dat hij als ‘rechtstreeks belanghebbende’ kan worden aangemerkt. Het aldus door klager gestelde belang is daarvoor niet voldoende. Klager is derhalve in zijn klacht niet-ontvankelijk.

Met betrekking tot publicaties als de onderhavige, waarbij niet zo zeer een individueel belang maar eerder een collectief belang in het geding is, zou een klacht ingediend door een instantie die – blijkens haar statuten – tot doel heeft de belangen van het desbetreffende collectief te behartigen mogelijk wel ontvankelijk zijn (zie bijvoorbeeld: Stichting Bestrijding Antisemitisme tegen VPRO Gids, RvdJ 1999/74).

BESLISSING

Klager is in zijn klacht niet-ontvankelijk.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in één van haar uitzendingen.

Aldus vastgesteld door de Raad op 6 oktober 2004 door prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, waarnemend voorzitter, mr. A.H. Schmeink, mw. drs. B.L.W. Tillema en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.

Uitspraak 2004-77