2004/75 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

R.H.J. Houpperichs

tegen

B. van Dommelen en J.M. van der Hart, hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad

Bij brief van 15 juni 2004 met twintig bijlagen heeft R.H.J. Houpperichs te Son (klager) een klacht ingediend tegen B. van Dommelen en J.M. van der Hart, hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad, (verweerders). Hierop heeft P. Kokke, waarnemend hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 21 juni 2004, onder verwijzing naar een brief van de hoofdredacteur aan klager van 20 februari 2004.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 juli 2004. Houpperichs was daar aanwezig, vergezeld van C. van der Heijden, en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Verweerders zijn daar niet verschenen.

DE FEITEN

Op 23 januari 2004 is in het Eindhovens Dagblad een artikel van de hand van Van Dommelen verschenen onder de kop “Gentiaan nog beducht voor sporthalplan”. In het artikel wordt verslag gedaan van een informatieavond van de gemeente Son, waar de schetsplannen voor een nieuwe sporthal in de wijk Gentiaan werden toegelicht. In het artikel is klager als inspreker genoemd.

Vervolgens is op 24 januari 2004 in het Eindhovens Dagblad het artikel “Wantrouwige Gentiaan-bewoners zijn nooit tevreden” verschenen onder de rubricering ‘Analyse – Door Bregje van Dommelen’. Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
Op de informatieavond over de sporthal in Son donderdag bleek weer eens hoe diep het wantrouwen van veel Gentiaan-bewoners jegens de gemeente is. Op ieder streepje op de schetsplannen werd ongekend achterdochtig gereageerd.
en
De informatieavond werd erg vroeg in het proces gehouden. De ongeruste omwonenden hadden dat geëist. (...) Veel onderdelen, zoals de plaats van het parkeerterrein, liggen allerminst vast. (...) De omwonenden vertrouwden het echter niet: ze zijn bang dat alles al vaststaat. Pogingen van de wethouder om hen gerust te stellen (...) hadden nauwelijks effect. ,,Ik zal me tegen het parkeren aan de kant van de Vlielandlaan tot het uiterste verzetten”, kondigde buurtbewoner Houpperichs al aan.
en
Gezien de consternatie die nu is ontstaan, zou je denken dat de Gentiaan-bewoners met een vuilnisbelt of tippelzone worden opgezadeld.
,,We wonen in een prachtige wijk en dat willen we zo houden”, zei een buurtbewoner donderdag. Hij kreeg luid applaus.

Naar aanleiding van het artikel van 24 januari 2004 heeft klager zich bij fax van 2 februari 2004 tot de hoofdredactie van het Eindhovens Dagblad gewend, ter attentie van J. van der Hart, met het verzoek hem te informeren waar en hoe hij een klacht tegen het artikel kan indienen. Diezelfde dag heeft Van der Hart hierop per fax gereageerd en aan klager bericht dat hij zich met klachten over een artikel kan wenden tot de hoofdredactie, eventueel een ingezonden brief kan schrijven en zich kan wenden tot de Raad voor de Journalistiek. In een brief van 4 februari 2004 heeft klager de ontvangst van de fax van Van der Hart bevestigd en deze onder meer bericht dat hij voornemens is een klacht in te dienen bij de hoofdredactie.

Bij brief van 11 februari 2004 heeft klager zich tot de hoofdredactie van het Eindhovens Dagblad gewend en zijn klacht tegen Van Dommelen, betreffende het artikel van 24 januari 2004, uiteen gezet. Voorts heeft klager in een brief van 17 februari 2004 aan de hoofdredactie nog geschreven dat hij de procedure omtrent de klacht wenst te vernemen alsmede een ontvangstbevestiging waarin wordt bevestigd dat zijn klacht in behandeling is genomen c.q. zal worden genomen. Vervolgens heeft Van der Hart in een brief van 20 februari 2004 op klagers brief van 11 februari 2004 gereageerd. Hierop heeft klager vervolgens in een schrijven van 3 maart 2004 onder meer aan Van der Hart bericht dat naar zijn mening de klachtprocedure ‘niet is gevolgd zoals ter zake gebruikelijk en betamelijk is’. Nadien heeft nog enige correspondentie tussen klager en Van der Hart plaatsgevonden, hetgeen niet tot een oplossing van de gerezen problemen heeft geleid.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat het artikel van 24 januari 2004 erg denigrerend is en een aantal feitelijke onjuistheden bevat. Onder meer is onjuist dat ‘op ieder streepje op de schetsplannen ongekend achterdochtig werd gereageerd’. Een informatieavond wordt juist in het leven geroepen voor het stellen van kritische vragen door bewoners aan lokale bestuurders, aldus klager. Volgens hem is verder onjuist de vermelding dat ‘veel onderdelen zoals de plaats van het parkeerterrein allerminst vaststonden’. Bovendien heeft hij op de informatieavond niet gezegd dat hij zich tot het uiterste zal verzetten tegen het parkeren aan de kant van de Vlielandlaan. Met zijn actie wilde hij een verdere uitbreiding van de bestaande parkeergelegenheid tegengaan. Verder is in het artikel niet vermeld dat klager een voordracht had gehouden over de overlast die wijkbewoners al jaren hebben van bezoekers van de sporthal.
Door kleine onwaarheden, weglatingen en accentverschuivingen heeft Van Dommelen haar analyse tot een vilein en boosaardig stuk gemaakt. De zin “Gezien de consternatie die nu is ontstaan, zou je denken dat de Gentiaan-bewoners met een vuilnisbelt of tippelzone worden opgezadeld.” vindt klager infaam. Volgens klager heeft het artikel hem ten onrechte in een negatief daglicht geplaatst.
Verder maakt klager bezwaar tegen de wijze waarop Van der Hart zijn klacht heeft behandeld. Volgens klager heeft Van der Hart in zijn brief van 20 februari 2004 als lid van de hoofdredactie zijn mening gegeven over de bij de hoofdredactie ingediende klacht. Door namens Van Dommelen zijn mening te geven en te vertolken heeft Van der Hart niet gehandeld zoals het een goed redacteur betaamt, aldus klager. Hij meent dat Van der Hart de klachtprocedure niet heeft gevolgd zoals ter zake gebruikelijk en betamelijk is. Klager stelt dat er een wezenlijke discrepantie bestaat tussen het orgaan hoofdredactie en de individuele hoofdredacteur. Volgens klager heeft Van der Hart hem op het verkeerde been gezet bij de indiening en verdere behandeling van de klacht. Hij neemt het Van der Hart bovendien kwalijk dat deze niet heeft willen ingaan op zijn talrijke uitnodigingen voor een persoonlijk gesprek.

Verweerders verwijzen voor hun standpunten in deze kwestie naar de brief van Van der Hart aan klager van 20 februari 2004. Daarin heeft Van der Hart aan klager bericht dat hij diens klacht en het gewraakte artikel had bestudeerd, en Van Dommelen had gehoord. Vervolgens is Van der Hart tot een aantal constateringen gekomen, onder meer dat klager de gemeente – en ook Van Dommelen – heeft gebombardeerd met brieven, waarin hij inspraak en informatie eiste. Over een handtekeningenactie van klager heeft een verhaal in de krant gestaan waarover klager zeer te spreken was, aldus Van der Hart.
Verder heeft Van Dommelen nooit letterlijk uit brieven van klager geciteerd. Zij heeft klager alleen geciteerd toen hij als inspreker op de informatieavond het woord voerde.
Van Dommelen heeft, op basis van haar waarneming en haar ervaringen op dergelijke avonden, de sfeer op de informatieavond ‘ongekend achterdochtig’ genoemd. Naar de opvatting van Van Dommelen was het gemopper buitenproportioneel, hetgeen zij – zoals van een goed verslaggever wordt gevraagd – ook heeft opgeschreven.
Het artikel van 24 januari 2004 is een analyse waarin de mening van Van Dommelen als ter zake deskundige niet alleen door mág klinken, maar – gezien wat met het stuk wordt beoogd – ook door móet klinken. Dat Van Dommelen op de hoogte was van de mening van klager, wil niet zeggen dat zij die ook moet delen, aldus Van der Hart.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is allereerst gericht tegen het artikel van 24 januari 2004. Die publicatie bevat voor een groot deel opiniërende elementen. Het staat een journalist vrij over een bepaald feit zijn mening te verkondigen, mits duidelijk is dat het om zijn persoonlijke opvatting gaat. Door het artikel te rubriceren als ‘analyse’ is aan de lezer voldoende duidelijk gemaakt dat de publicatie met name de persoonlijke mening van Van Dommelen behelst. Dat neemt niet weg dat een journalist met de wijze waarop hij uiting geeft aan zijn persoonlijke mening grenzen kan overschrijden. Naar het oordeel van de Raad is daarvan hier echter geen sprake. In het artikel komen geen kwalificaties of vergelijkingen voor die journalistiek ontoelaatbaar zijn. Dat klager het artikel, en met name zinsneden als ‘ongekend achterdochtig’, als denigrerend heeft opgevat, is daarvoor onvoldoende.
Voorts hoeft een journalist in een commentaar dat zijn persoonlijke mening over een bepaald onderwerp behelst, niet alle aspecten van het door hem besproken onderwerp te behandelen. Voor zover de klacht erop is gericht dat in het artikel bepaalde aspecten van de kwestie onvermeld zijn gelaten, mist de klacht dus evenzeer doel.
Ook van relevante onjuistheden is niet gebleken. In de door klager ter zitting overgelegde schriftelijke vastlegging van zijn voordracht staat onder meer: “U (de gemeente) blijft die kortere loopafstand blijkbaar aanvoeren om vast te houden aan de parkeeruitbreiding aan de Vlielandlaan. Ik heb in het jongste verleden hier genoeg over gezegd en geschreven. Ik herhaal slechts dat ik me hiertegen tot het uiterste zal verzetten.” Dat in het gewraakte artikel niet is vermeld dat het verzet van klager niet de bestaande parkeergelegenheid maar de uitbreiding daarvan aan de Vlielandlaan betreft, is een nuance die hier van ondergeschikte betekenis is. Duidelijk is, dat de actie van klager was gericht tegen een (uitgebreider) parkeervoorziening ten behoeve van de nieuwe sporthal. Dat de plannen van de gemeente ter zake toen nog niet vastlagen, blijkt eveneens uit een door klager ter zitting overgelegd stuk, te weten een amendement van de gemeenteraad van 29 januari 2004, waarin staat: “Overwegende dat: In het voorliggende voorstel voor de verdere uitwerking van het omni-model sporthal op Sportpark “De Gentiaan” de verkeers- en parkeerproblematiek nog niet nader is uitgewerkt. De in het voorstel gedane suggestie om de huidige parkeergelegenheid uit te breiden op ernstige bezwaren stuit zowel bij de omwonenden als bij de leden van de gemeenteraad. (...) Besluit: (...) Het huidige parkeerterrein aan de Vlielandlaan zal niet worden uitgebreid en het gebruik ervan zal niet worden geïntensiveerd.
Een en ander leidt tot de slotsom dat met het artikel van 24 januari 2004 geen grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. onder meer: Rabbijn Lewis e.a. tegen Cassuto, RvdJ 2002/63)

Verder is de klacht gericht tegen de wijze waarop de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad heeft gereageerd op klagers brieven. Het standpunt van klager dat die handelwijze onzorgvuldig is, deelt de Raad niet. In zijn faxbericht aan klager van 2 februari 2004 heeft Van der Hart duidelijk aan klager meegedeeld dat deze (onder meer) een klacht kon indienen bij de hoofdredactie. Op de klachtbrief van klager van 20 februari 2004 heeft Van der Hart vervolgens uitvoerig inhoudelijk gereageerd. De stelling van klager dat de reactie niet betamelijk zou zijn, omdat tussen de hoofdredacteur en de hoofdredactie een wezenlijke discrepantie bestaat, is onjuist. Van der Hart is als hoofdredacteur de belichaming van het orgaan ‘hoofdredactie’. Ook overigens bestaat geen grond voor de conclusie dat Van der Hart een onjuiste procedure zou hebben gevolgd. Ter zitting heeft klager nog aangevoerd dat Van der Hart na kennisneming van het standpunt van Van Dommelen geen wederhoor heeft toegepast, alsmede dat er geen stukkenwisseling en hoorzitting hebben plaatsgevonden. Het door klager aldus impliciet ingenomen standpunt dat een klachtenprocedure bij een medium zonder voornoemde elementen onzorgvuldig zou zijn, voert te ver. Voor een dergelijke klachtenprocedure kan men zich tot de Raad voor de Journalistiek wenden, en van die mogelijkheid heeft Van der Hart klager ook op de hoogte gesteld. Ook dit onderdeel van de klacht faalt derhalve.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Eindhovens Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 13 september 2004 door mr. A. Herstel, waarnemend voorzitter, mw. A.C. Diamand, mw. C.J.E.M. Joosten, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-75