2004/72 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V. en E.A.M. Maas

tegen

de hoofdredacteur van De Telegraaf

Bij brief van 4 mei 2004 met drie bijlagen heeft mr. O. Hammerstein, advocaat te Amsterdam, namens VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V. (VHS) en E.A.M. Maas (hierna tezamen: klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (verweerder). Vervolgens heeft mr. Hammerstein in een brief van 7 juni 2004 met twee bijlagen de klacht nader toegelicht en uitgebreid. Mr. K. Gilhuis, advocaat te Amsterdam, heeft namens verweerder op de klacht gereageerd bij brief van 16 juni 2004 met negen bijlagen. Op verzoek van de Raad heeft mr. Gilhuis bij faxbericht van 25 juni 2004 nog een stuk overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 juni 2004. Aan de zijde van klagers zijn daar mr. Hammerstein en mr. H.J.G. Wijers, directeur van VHS, verschenen. Namens verweerder waren mr. Gilhuis en B. Mos, redacteur, aanwezig. Mr. Hammerstein en mr. Gilhuis hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities. Op verzoek van de Raad heeft mr. Wijers ter zitting nog een stuk overgelegd.

Naar aanleiding van de ontsten-tenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaren te hebben tegen behande-ling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 16 januari 2004 is in De Telegraaf een artikel van de hand van Mos verschenen onder de kop “Onderzoek naar fraude Ed Maas”. Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
Vastgoedtycoon en LPF-financier Ed Maas is het middelpunt van een onderzoek door beurswaakhond Autoriteit Financiële Markten (AFM). De multimiljonair, in het dagelijks leven bestuursvoorzitter van het beursgenoteerde vastgoedfonds VHS, zou mogelijk strafbare handelingen hebben gepleegd bij de handel in aandelen. (...)
Aanleiding voor het onderzoek vormt een melding door Staalbankiers, de ‘huisbank’ van Maas, van mogelijk strafbare feiten aan de AFM. Afgelopen najaar bracht de bank AFM op de hoogte van overtredingen van twee medewerkers van de bank die betrokken waren bij de onregelmatigheden. Zij zouden in opdracht van Maas de bankregels hebben overtreden. De bankmedewerkers zijn op staande voet ontslagen.

Het slot van het artikel luidt:
Strafpleiter Oscar Hammerstein, woordvoerder van VHS: “Indien de heer Maas aandelen VHS had willen aankopen, dan was hij daar heel goed zelf toe in staat geweest.
De publicatie is op een andere pagina vervolgd onder de kop “Vastgoedfonds ligt onder vuur in Staalbank-affaire”.

Voorts is op 17 januari 2004 in De Telegraaf een artikel, eveneens van de hand van Mos, gepubliceerd onder de kop “Ed Maas haalt VHS van beurs”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passage:
Multimiljonair Ed Maas haalt zijn vastgoedfonds VHS van de beurs. Dit laat hij weten via zijn advocaat Oscar Hammerstein. Hij besloot hiertoe omdat hij woest is over het onderzoek naar vermeende strafbare aandelenhandel via Staalbankiers.
,,Dat is geen grapje. De heer Maas noemt het onbestaanbaar dat hij leeft in een land waar een onderzoeksdossier integraal op het bureau van De Telegraaf belandt, terwijl hijzelf geen enkele inzage krijgt”, meldt Hammerstein.
De strafpleiter doelt op de berichtgeving gisteren over een onderzoek dat beurswaakhond AFM heeft geopend naar mogelijke koersmanipulatie.

Op 19 januari 2004 heeft VHS een persbericht verspreid met de volgende tekst:
VHS Onroerend Goed Maatschappij N.V. maakt bekend, dat zij – in tegenstelling tot eerdere mededelingen in de media – voorshands geen openbaar bod op haar aandelen verwacht. De cijfers over het boekjaar 2003 zullen op maandag 9 februari 2004 worden bekend gemaakt.

Vervolgens is op 20 januari 2004 een artikel van Mos over de kwestie gepubliceerd onder de kop “Ed Maas slikt besluit over notering van VHS weer in”. De intro van dit artikel luidt:
Bestuursvoorzitter Ed Maas van vastgoedbedrijf VHS komt terug op zijn aanvankelijke besluit om de onderneming van de beurs te halen. Afgelopen vrijdag nog meldde Oscar Hammerstein, woordvoerder en advocaat van Maas, dat zijn cliënt niet langer behoefte had aan een beursnotering. Hij wilde niets meer te maken hebben met beurswaakhond AFM, die momenteel een vermeende illegale handel in aandelen VHS onderzoekt.
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
VHS liet gistermiddag in een persbericht weten dat het ,,in tegenstelling tot eerdere mededelingen in de media, voorshands geen openbaar bod op haar aandelen verwacht.”
De mededeling volgde op een waarschuwing door beurswaakhond AFM aan het adres van VHS eerder op de dag, hetgeen door woordvoerder Hammerstein wordt bevestigd.
Waar het bedrijf precies op doelt met ‘voorshands’, wil hij niet kwijt.

en
Volgens Hammerstein is zijn eerdere aankondiging van het van de beurs halen van VHS verkeerd begrepen. ,,We hebben vandaag de optie van een openbaar bod besproken, omdat de regels ons tot een besluit dwongen: een bod of geen bod. Hom of kuit. Het werd hom. Onder andere in belang van de vennootschap,” aldus de bekende strafpleiter gisteren.
en
De multimiljonair zou afgelopen zomer opdracht hebben gegeven tot transacties in aandelen VHS op rekening van medegrootaandeelhouder Eddy de Kroes. Zodoende werd deze handel aan het zicht van de toezichthouder onttrokken.
Inmiddels melden goed ingelichte bronnen dat ook rekeningen van andere zakenpartners van Maas hiervoor zouden zijn misbruikt. Staalbankiers heeft om deze reden niet alleen de relatie met De Kroes verbroken. Ook anderen, waaronder een gefortuneerde Haagse makelaar, kregen onlangs het dringende verzoek elders te gaan bankieren.
Volgens ingewijden is Maas teruggekomen op zijn besluit om het fonds van de beurs te halen, omdat hij de financiering van de overname van de nog uitstaande aandelen niet rond krijgt. ,,Er is geen bank te vinden die nu nog in zee wil gaan met Maas”, aldus een analist. Hammerstein wuift deze redenering van tafel. ,,Het gaat om nog maar 7,5% van de aandelen. Dan hebben we het over zo’n € 14 miljoen. Dat haalt hij zo uit z’n achterzak.

Op 8 april 2004 is in De Telegraaf opnieuw aandacht aan de kwestie besteed onder de kop “’De Kroes door Staalbank gedwongen tot verkopen’”. Deze publicatie bevat onder meer de volgende passage:
Beurswaakhond AFM zou inmiddels het onderzoek naar de onregelmatigheden bij de VHS-handel bijna hebben afgerond. Naar verwachting zal de toezichthouder de aangifte binnenkort doorgeleiden aan het openbaar ministerie (OM). Het OM zal dan op haar beurt beslissen over strafvervolging van betrokkenen.
De onregelmatigheden komen erop neer dat VHS-topman Ed Maas in samenwerking met twee bankmedewerkers heimelijk de koers van zijn eigen bedrijf zou hebben opgedreven. Naar verluidt zou Maas onder meer in augustus 2003 opdracht hebben gegeven tot inkoop van stukken VHS uit naam en op rekening van Eddy de Kroes. Twee betrokken bankmedewerkers zijn direct na ontdekking hiervan ontslagen.
Maas en De Kroes hebben deze lezing altijd bestreden. Volgens hen had De Kroes aan Staalbankiers een volmacht verstrekt om het belang in VHS uit te breiden tot 10%. De omstreden aankopen vloeiden voort uit deze volmacht.

Het slot van het artikel luidt:
Staalbankiers zelf wil evenmin reageren op de kwestie. “Wij doen geen enkele mededeling over onze klanten. Zelfs niet of ze überhaupt bij ons bankieren”, aldus een woordvoerder.

Ten slotte is op 5 juni 2004 wederom een artikel van Mos over de kwestie verschenen onder de kop “Aangifte beurswaakhond tegen VHS-topman Maas”. De intro van dit artikel luidt:
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft onlangs bij justitie aangifte gedaan tegen Ed Maas, bestuursvoorzitter van het beursgenoteerde vastgoedbedrijf VHS. De toezichthouder heeft sterke vermoedens dat Maas zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Dit melden goedingelichte bronnen bij het openbaar ministerie (OM).
Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
Maas zou afgelopen zomer de koers van het aandeel VHS heimelijk hebben opgedreven dan wel hebben ondersteund door aankopen te doen op naam, en voor rekening van medeaandeelhouder Eddy de Kroes. Na de ontdekking door Staalbankiers werden twee accountmanagers bij de bank, die optraden namens Maas en De Kroes, met directe ingang geschorst wegens het overtreden van interne regels en meewerken aan mogelijk strafbare feiten. Tegen hen loopt sindsdien een ontslagprocedure.
en
Ed Maas zegt bij monde van zijn woordvoerder en advocaat Oscar Hammerstein niet op de hoogte te zijn van de aangifte. ,,Ik geloof het ook niet. Wij zijn zelfs niet bekend met enig onderzoek, laat staan van een aangifte”, aldus Hammerstein.
AFM en het OM wilden gisteren geen bevestiging geven van de aangifte.

en
Volgens Hammerstein behoorde Rabobank tot één van ,,meerdere banken die de rode loper voor de heer Maas hebben uitgerold” nadat hem was verzocht te vertrekken bij Staal.
Volgens de advocaat was het gedwongen wisselen van bank overigens ingegeven door een strategiewijziging van Staal. (...)
Ingewijden vermoeden dat de
(Rabo) bank bepaalde voorbehouden heeft gemaakt bij het accepteren van de omstreden klanten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat de artikelen diverse onjuistheden bevatten. Zo is in het artikel van 16 januari 2004 ten onrechte beweerd dat onderzoek wordt verricht naar fraude door Maas. Klagers erkennen dat de beursnotering van het aandeel VHS op 15 januari 2004 onverwacht is geschorst. Volgens hen leverde navraag bij Euronext op, dat het voornemen van De Telegraaf om over de kwestie te publiceren aanleiding was voor die schorsing. Daardoor werd VHS gedwongen een persbericht ter zake uit te geven, aldus klagers. Volgens hen heeft Mos ‘van een mug een olifant gemaakt’ door een onschuldig onderzoek naar naleving van de Wet melding zeggenschap aan te merken als een ‘onderzoek naar fraude’. Uit de overgelegde brief van de AFM van 30 maart 2004 blijkt volgens klagers dat zij hun verplichtingen voortvloeiend uit de Wet melding zeggenschap zijn nagekomen.
Verder stellen zij dat op 17 januari 2004 ten onrechte is bericht dat Maas VHS van de beurs zou halen, nu daarvan nooit sprake is geweest. Mos heeft Hammerstein gevraagd of het een optie was om VHS van de beurs te halen nu de AFM als toezichthouder de meest betrokkene geen inlichtingen wilde verschaffen. Hammerstein heeft enkel bevestigd dat zulks altijd een optie is, aldus klagers. Het ‘van de beurs halen’ is dus alleen in zijn algemeenheid aan de orde geweest. Op geen enkel moment heeft Maas dat voornemen gehad en/of heeft Hammerstein als zijn woordvoerder daarvan mededeling gedaan. De onjuiste berichtgeving heeft tot gevolg gehad dat de schorsing van de beursnotering van VHS is voortgezet, aldus klagers.
Volgens hen is verder ten onrechte vermeld dat Staalbankiers Maas en enkele van zijn relaties zou hebben verzocht elders te gaan bankieren. Het lijkt klagers niet aannemelijk dat Mos bevestiging ter zake heeft verkregen van een woordvoerder van Staalbankiers, nu in het artikel van 8 april 2004 is vermeld: “Staalbankiers zelf wil evenmin reageren op de kwestie. “Wij doen geen enkele mededeling over onze klanten. Zelfs niet of ze überhaupt bij ons bankieren”, aldus een woordvoerder.” Ook wordt Maas schade toegebracht door de onjuiste bewering dat hij de financiering van de overname van de nog uitstaande aandelen VHS niet rond zou kunnen krijgen, aldus klagers.
Verder maken zij bezwaar tegen de volgens hen onjuiste bewering dat de AFM het onderzoek bijna zou hebben afgerond en de aangifte binnenkort zal doorleiden naar het openbaar ministerie. In het artikel van 5 juni 2004 wordt voorts onjuist en suggestief bericht over de overstap van klagers naar de Rabobank. Klagers stellen verder dat Mos in dit artikel heeft geciteerd uit de op dat moment reeds door hen bij de Raad ingediende klacht. Daarbij heeft Mos getracht afbreuk te doen aan de werkelijke feiten en ten onrechte doen voorkomen dat hij bij klagers wederhoor had toegepast, aldus klagers.
Samenvattend stellen zij dat Maas in de berichtgeving ten onrechte is beschuldigd van het plegen van ernstige strafbare feiten. De betrokken autoriteiten hebben die beschuldiging niet bevestigd. Verweerder heeft die beschuldiging derhalve openbaar gemaakt, terwijl daarvoor geen rechtvaardiging bestond, aldus klagers. Zij stellen verder dat Mos heeft nagelaten de feiten vóór publicatie voor te leggen aan hun woordvoerder, Hammerstein.
Klagers betogen dat door de onjuiste, suggestieve, tendentieuze berichtgeving zeer ernstig afbreuk is gedaan aan hun reputatie en dat verweerder hen daardoor schade heeft toegebracht.

Verweerder stelt dat Mos begin januari 2004 heeft vernomen dat uit een uitgebreid intern onderzoek bij Staalbankiers was gebleken dat Maas betrokken zou zijn geweest bij een aantal transacties in aandelen van VHS die mogelijk in strijd met beursregels zouden zijn. Naar aanleiding van informatie verkregen uit anonieme bronnen bij Staalbankiers, die gelet op hun functies goed op de hoogte waren en in het verleden betrouwbaar waren gebleken, heeft Mos nader onderzoek verricht. Hij heeft de koersbewegingen van het aandeel VHS bestudeerd over de periode waarin de dubieuze transacties zouden hebben plaatsgevonden. Daaruit bleek dat in die periode een plotselinge stijging van 2,5% van het aandeel VHS had plaatsgevonden. Verder heeft hij het register ‘insidertransacties’ van de AFM bestudeerd, waaruit bleek dat Maas voor het laatst in 2001 een VHS-transactie had verricht.
Voorts heeft Mos contact gehad met de woordvoerder van Staalbankiers, die heeft bevestigd dat de AFM een onderzoek had gestart naar omstreden transacties in aandelen VHS, waarbij Maas mogelijk in een dubieuze rol betrokken zou zijn, en dat Staalbankiers in het kader van het onderzoek nauw samenwerkt met de AFM.
Verder stelt verweerder dat Mos wederhoor heeft toegepast en daartoe contact heeft gehad met Hammerstein. Deze bevestigde namens VHS dat er een onderzoek bij de AFM liep, maar ontkende dat Maas ooit opdracht had gegeven tot de aankoop van aandelen VHS op naam van De Kroes.
Verweerder wijst erop dat VHS op 15 januari 2004 een persbericht heeft uitgebracht over de schorsing van haar beursnotering. Volgens verweerder was dat persbericht kennelijk de reactie van VHS op het feit dat Euronext eerder die dag de handel in het aandeel VHS op verzoek van de AFM had stilgelegd. Diezelfde dag heeft het ANP een bericht verspreid over het onderzoek van de AFM bij Staalbankiers en de betrokkenheid daarbij van klagers. Dat ANP-bericht is die avond gepubliceerd op de website van De Telegraaf onder de kop “Onderzoek AFM bij Staalbankiers”. Naar aanleiding van het persbericht van VHS en het stilleggen van de handel in het aandeel VHS heeft Mos nog eens contact gezocht met Hammerstein alsmede met de woordvoerders van Staalbankiers en de AFM.
Het artikel van 16 januari 2004 is gebaseerd op het onderzoek van Mos, aldus verweerder. Hij acht de stelling van klagers dat er geen sprake is geweest van een onderzoek door de AFM naar transacties in het aandeel VHS, waarbij Maas betrokken zou zijn, onbegrijpelijk. In het persbericht van 15 januari 2004 heeft VHS juist bevestigd dat sprake was van dat onderzoek. Bovendien heeft Hammerstein dat aan Mos bevestigd, evenals de woordvoerder van Staalbankiers. Verder stelt verweerder dat in het artikel van 16 januari 2004 niet als vaststaand is gepresenteerd dat Maas bankregels heeft overtreden. Volgens verweerder dekt de kop de lading van de publicatie. De term ‘fraude’ is geen juridisch begrip maar een verzamelbegrip waarmee overtredingen van financiële aard worden aangeduid. Op één punt is de publicatie van 16 januari 2004 niet geheel juist. Naar aanleiding van het onderzoek zijn twee medewerkers van Staalbankiers geschorst en tegen hen loopt een arbeidsrechtelijke beëindigingsprocedure. Dat zij op staande voet zouden zijn ontslagen, is dus niet correct, maar dit betreft een nuanceverschil dat de gemiddelde lezer zal ontgaan, aldus verweerder.
Hij stelt verder dat Mos op 16 januari 2004, toen de handel in het aandeel VHS nog steeds stil lag, vernam dat Maas in reactie op het AFM-onderzoek had aangegeven dat hij VHS van de beurs wilde halen. Omdat Mos dat moeilijk kon geloven, heeft hij diezelfde dag Hammerstein gebeld, die zich op dat moment in het buitenland bevond. Aangezien Mos door de bevestiging van Hammerstein nogal verrast was, vroeg hij deze expliciet of sprake was van een grapje. Het nieuwswaardige feit en de reactie van Hammerstein zijn vervat in het artikel van 17 januari 2004, aldus verweerder. Hij wijst erop dat ook uit publicaties in Het Parool en de Volkskrant blijkt dat Hammerstein aan die kranten heeft meegedeeld dat het voor Maas ‘een reële optie’ was om VHS van de beurs te halen. Verweerder twijfelt er niet aan dat Maas in een opwelling het plan heeft opgevat om VHS van de beurs te halen en daar bij nader inzien van teruggekomen is, wellicht omdat hij zich onvoldoende had gerealiseerd dat beursregels dat niet toelieten. Dat VHS in eerste instantie aangekondigd heeft op zijn minst genomen met de gedachte te spelen VHS van de beurs te halen, blijkt ook uit een persbericht dat op 19 januari 2004 door VHS is verspreid. Volgens verweerder wordt in dat persbericht vermeld dat de eerdere aankondiging om VHS van de beurs te halen verkeerd is begrepen.
Wat betreft het artikel van 20 januari 2004 stelt verweerder dat daarin is bericht dat VHS haar beursnotering toch niet wil intrekken en dat Hammerstein daarover aan het woord is gelaten. Ook uit de geciteerde woorden van Hammerstein blijkt dat VHS serieus met de gedachte heeft gespeeld om de beursnotering in te trekken, maar daar uiteindelijk niet voor heeft gekozen. Verder heeft Mos informatie gekregen van betrouwbare bronnen dicht bij het onderzoek en van verschillende goed bekend staande en goed in de vastgoedwereld ingewijde beursanalisten. De bewering dat Maas zijn financiering niet rond zou kunnen krijgen, wordt gerelativeerd door een citaat van Hammerstein ter zake.
Nadat op 7 april 2004 bekend was geworden dat De Kroes zijn aandelenpakket in VHS had verkocht, waarover diezelfde dag in De Telegraaf is bericht, heeft Mos navraag gedaan bij De Kroes. Van een anonieme, nauw bij het onderzoek betrokken, bron begreep Mos dat het AFM-onderzoek bijna was afgerond en dat de AFM de kwestie waarschijnlijk zou voorleggen aan het openbaar ministerie. Hieraan is in het artikel van 8 april 2004 aandacht besteed. Mos heeft wederhoor toegepast bij De Kroes. Aangezien de kwestie voor het laatst drie maanden daarvoor in het nieuws was geweest, is de voorgeschiedenis kort samengevat. Duidelijk is vermeld dat Maas en De Kroes altijd hebben bestreden dat Maas zou hebben getracht de koers van de aandelen VHS op te drijven.
Vervolgens vernam Mos begin juni van welingelichte bronnen bij het openbaar ministerie, die gelet op hun positie zonder meer zeer betrouwbaar waren, dat het AFM-onderzoek inmiddels was afgerond. Ook werd hem meegedeeld dat de AFM aangifte had gedaan bij het openbaar ministerie. Dit heeft geleid tot de publicatie van 5 juni 2004, waarin de voorgeschiedenis van de kwestie kort is samengevat. Verweerder ziet niet in waarom standpunten als door Hammerstein verwoord in een sommatiebrief, en later opnieuw verwoord in de onderhavige klacht, niet in dat artikel verwerkt hadden mogen worden.
Ten slotte stelt verweerder dat het Fondsenreglement niet voor niets voorschrijft dat beursfondsen terstond moeten publiceren omtrent elk feit of elke gebeurtenis die een aanmerkelijke invloed kan hebben op de koers van het aandeel van het fonds. Beursfondsen en hun directie worden nauwgezet gevolgd door de media. Dat een onderzoek gaande is als waarover hij heeft bericht, is dan ook nieuwswaardig en rechtvaardigt de publicatie. Gelet op de publieke functie die Maas binnen de LPF heeft vervuld, was het AFM-onderzoek naar hem des te nieuwswaardiger. Daarnaast geldt dat publieke figuren zich meer moeten laten welgevallen van de media dan de gewone burger. Bovendien hebben burgers er recht op geïnformeerd te worden over het feit dat een bekende president-directeur van een beursgenoteerde onderneming onderwerp van onderzoek is, aldus verweerder.
Verweerder concludeert dat Mos voorafgaand aan zijn publicaties gedegen journalistiek onderzoek heeft verricht. Mos heeft telkens contact gezocht met alle betrokken partijen, inclusief (de woordvoerder van) klagers. Hammerstein is, als woordvoerder van klagers, ook uitgebreid aan het woord gelaten, waardoor de visie van klagers op de kwestie in alle publicaties ruim aandacht heeft gekregen. Verweerder betwist dat klagers beschuldigd zijn van het plegen van strafbare feiten. In alle publicaties is duidelijk vermeld dat er sprake was van een lopend onderzoek bij de AFM naar mogelijke overtreding van beursregels. Mos heeft overigens van verschillende goed ingevoerde bronnen vernomen dat de kwestie waaraan gerefereerd wordt in de door klagers overgelegde brief van de AFM van 30 maart 2004, slechts een marginaal deel van het onderzoek betreft. Verder is aan Mos meegedeeld dat het AFM-onderzoek ook na die datum is voortgezet en heeft geleid tot aangifte bij het openbaar ministerie. De publicaties geven een evenwichtig beeld en zijn feitelijk juist.
Ter zitting heeft Mos hier nog aan toegevoegd dat hij vanaf het begin aan Maas om een interview heeft verzocht, maar dat deze dat steeds heeft geweigerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voor zover de klacht betrekking heeft op het artikel van 16 januari 2004 wordt aan de Raad in de eerste plaats de vraag voorgelegd of de kop mocht luiden “Onderzoek naar fraude Ed Maas”. Het klaagschrift houdt niet meer in dan de enkele stelling ‘dat van een dergelijk onderzoek geen sprake is’, maar blijkens de door klagers gegeven mondelinge toelichting betwisten zij niet dat, zoals in het artikel wordt vermeld, door de AFM onderzoek werd gedaan naar mogelijke betrokkenheid van Maas bij handel in aandelen VHS waarbij de voor hem ingevolge de Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996 (Wmz 1996) geldende meldingsplicht met behulp van een stroman zou zijn omzeild. Dit laatste was ook de reden waarom de handel in aandelen VHS op 15 januari 2004 was stilgelegd. Waar het klagers om gaat is dat volgens hen ten onrechte van ‘fraude’ wordt gesproken. Het gebruik van die term acht de Raad in dit verband echter zonder meer toelaatbaar. Het is immers in overeenstemming met het normale spraakgebruik om onder meer het op bedrieglijke wijze ontgaan van regels op financieel gebied, en dat zou hier aan de orde zijn, kortweg aan te duiden als ‘fraude’.
Voorts wordt geklaagd dat het artikel ten onrechte inhoudt dat twee medewerkers van Staalbankiers in dit verband in opdracht van Maas de bankregels zouden hebben overtreden. Van zo’n opdracht is volgens klagers geen sprake geweest. Dit standpunt is ook duidelijk in het artikel vermeld, zodat de slotsom moet zijn dat, nu klagers niet aanvoeren dat verweerder voor de gewraakte mededeling geen deugdelijke grond had, de klacht ook in dit opzicht moet worden afgewezen.
Dat in het artikel wordt vermeld dat de beide bankmedewerkers op staande voet zijn ontslagen – in werkelijkheid zijn zij geschorst en wordt over de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst geprocedeerd – is een onzuiverheid in de berichtgeving van zo ondergeschikte betekenis dat daaraan niet het oordeel kan worden verbonden dat sprake is van journalistiek onzorgvuldig handelen.

Met betrekking tot het artikel van 17 februari 2004 “Ed Maas haalt VHS van de beurs”, een mededeling die verweerder baseert op uitlatingen die de advocaat van Maas, mr. Hammerstein, in een telefoongesprek met Mos zou hebben gedaan, staan de lezingen van partijen lijnrecht tegenover elkaar. De Raad acht voorshands aannemelijk dat de door verweerder gegeven lezing de juiste is. In de eerste plaats omdat de klacht zoals in het klaagschrift geformuleerd niet meer inhoudt dan dat dit ‘nooit zo beweerd’ is, een tekst die erop lijkt te wijzen dat de woorden van de advocaat van Maas niet letterlijk maar wel naar hun strekking juist zijn weergegeven. In de tweede plaats omdat de advocaat van Maas in de dagen nadien tegenover Het Parool en de Volkskrant het van de beurs halen van VHS ‘een reële optie’ heeft genoemd en daarbij heeft opgemerkt - in Het Parool - dat het ‘niet leuk meer’ is om een aan de beurs genoteerd bedrijf te hebben als in de media details verschijnen over een bij dat bedrijf (VHS) lopend onderzoek door de AFM terwijl de advocaat van het bedrijf geen inzage krijgt in het dossier. In de derde plaats omdat in het persbericht dat VHS naar aanleiding van de rondom deze berichtgeving ontstane commotie op 19 februari 2004 heeft doen uitgaan geheel in het midden wordt gelaten of de daarin bedoelde ‘eerdere mededelingen in de pers’ al dan niet gegrond waren, hetgeen indien de lezing van klagers de juiste zou zijn weinig voor de hand liggend is. Steun voor de lezing van verweerder is ten slotte ook te vinden in het feit dat geen klacht is gericht tegen het artikel van 20 januari 2004, voor zover daarin wordt bericht dat volgens mr. Hammerstein ‘zijn eerdere aankondiging van het van de beurs halen van VHS verkeerd begrepen is’, hetgeen erop wijst dat hij in het telefoongesprek met Mos uitlatingen heeft gedaan waaruit deze heeft mogen begrijpen dat Maas reeds had besloten VHS van de beurs te halen. Ook dit onderdeel van de klacht moet dus ongegrond worden verklaard.

De klacht met betrekking tot het artikel van 20 januari 2004 komt erop neer dat daarin ten onrechte is meegedeeld a) dat Staalbankiers in verband met de kwestie waarop het AFM-onderzoek betrekking had aan zakenpartners van Maas heeft verzocht elders te gaan bankieren, b) dat Maas de financiering benodigd voor het verwerven van de in handen van derden zijnde aandelen VHS niet rond kon krijgen en c) dat er geen bank zou zijn die nog met Maas in zee zou willen gaan. Anders dan de klacht tot uitgangspunt lijkt te nemen, wordt een en ander niet als een feit gepresenteerd, maar uitdrukkelijk voor rekening gelaten van ‘goed ingelichte bronnen’, ‘ingewijden’ onderscheidenlijk ‘een analist’, terwijl voorts mr. Hammerstein aan het woord wordt gelaten, die ter weerlegging van de punten b) en c) naar voren brengt dat Maas de voor het verwerven van de aandelen benodigde gelden zo uit zijn achterzak haalt. Dit in aanmerking genomen is voor de beoordeling van de klacht niet beslissend of de mededelingen a), b) en c) al dan niet juist zijn, maar of Mos voldoende grond had om die mededelingen te publiceren. Dat die grond zou ontbreken maakt echter geen onderdeel uit van de klacht zodat deze ook wat het artikel van 20 januari 2004 betreft geen doel treft.

Het artikel van 8 april 2004 behoeft, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog slechts bespreking voor zover dit inhoudt dat de toezichthouder AFM het onderzoek naar onregelmatigheden bij de VHS-handel bijna zou hebben afgerond en naar verwachting de aangifte binnenkort zal doorgeleiden naar het openbaar ministerie. Volgens klagers heeft verweerder Maas aldus beschuldigd van ernstige strafbare feiten, en die beschuldiging openbaar gemaakt terwijl hij daarvoor geen enkele rechtvaardiging heeft, laat staan een bevestiging van de betrokken autoriteiten. Klagers wijzen in dit verband op een door hen bij de uitbreiding van de klacht overgelegde brief van de AFM van 30 maart 2004 waarin volgens hen wordt bevestigd dat het onderzoek inzake vermoedens van overtreding van de Wmz is afgesloten met de vaststelling dat van overtreding geen sprake is geweest. Een bevestiging dat het onderzoek dat heeft geleid tot de stillegging van de handel in het aandeel VHS op 15 januari 2004, het onderzoek is waar het in deze zaak om draait, kan de Raad in die brief, waarin sprake is van een onderzoek naar aanleiding van meldingen van transacties in aandelen VHS op naam van NBC, evenwel niet lezen: het onderzoek dat tot de stillegging heeft geleid zou immers betrekking hebben op meldingen die ten onrechte niet op naam van Maas maar op naam van een andere natuurlijke persoon waren gedaan, niet op meldingen door NBC, een vennootschap via welke Maas een deel van de aandelen VHS beheert. De brief biedt dus geen steun voor de klacht. Omdat klagers ook voor het overige niets hebben aangevoerd dat twijfel rechtvaardigt ten aanzien van de stelling van verweerder dat Mos zich wat de afronding van het onderzoek en het doorzenden aan het openbaar ministerie betreft baseerde op een nauw bij het onderzoek betrokken bron, kan ook dit onderdeel van de klacht niet slagen.

Dit brengt de Raad bij de klacht over het artikel van 5 juni 2004. Dat, zoals volgens klagers het geval is, dit artikel zou zijn geschreven met geen andere bedoeling dan schade toe te brengen aan de reputatie van Maas, althans uit rancune over de op 4 mei 2004 ingediende klacht, is de Raad niet gebleken. Aangifte door de AFM bij het openbaar ministerie tegen de ‘VHS-topman Maas’ ter zake van onregelmatigheden (koersmanipulatie en omzeilen van de meldingsplicht) is, alleen al omdat VHS een beursgenoteerd fonds is, een nieuwswaardig feit. Klagers lijken ervan uit te gaan dat Mos voor zijn mededeling dat die aangifte was gedaan geen deugdelijke grond had, nu het artikel vermeldt dat noch de AFM noch het openbaar ministerie een bevestiging wilde geven, maar die gevolgtrekking kan niet worden gemaakt. Dat beide genoemde instanties geweigerd hebben een bevestiging te geven, ligt gezien hun functie voor de hand en vormt geen reden te twijfelen aan de juistheid van de in het artikel voorkomende uitlating van Mos dat hij zich op het punt van de aangifte baseerde op goedingelichte bronnen bij het openbaar ministerie. Klagers spreken op dit punt van de meest vage bronnen. De aanduiding is inderdaad vaag maar daarmee is nog niet gezegd dat die bronnen ook inhoudelijk vaag en, naar klagers kennelijk bedoelen, daarom onbetrouwbaar zouden zijn. Dit onderdeel van de klacht faalt dan ook. Daar waar de klacht ten slotte betrekking heeft op hetgeen het artikel inhoudt omtrent de reden voor de beëindiging van de relatie tussen Staalbankiers en VHS onderscheidenlijk de acceptatie door de Rabobank van Maas als cliënt, zien klagers voorbij aan een tweetal zaken. Wat bedoelde reden betreft: verweerder heeft niet als feit heeft gepresenteerd dat ‘Zowel Maas als diens bedrijf VHS (…) na de ontdekking van de onregelmatigheden door Staalbankiers dringend [werd] verzocht om elders te gaan bankieren’, maar heeft uitdrukkelijk vermeld dat de reden volgens mr. Hammerstein was gelegen in een strategiewijziging van de bank die meebracht dat zij alle onroerend goed gelieerde klanten heeft verzocht elders te gaan bankieren. En wat de acceptatie door de Rabobank betreft: verweerder heeft het vermoeden dat daarbij door de bank bepaalde voorbehouden zouden zijn gemaakt niet tot het zijne gemaakt, maar uitdrukkelijk voor rekening van ‘ingewijden’ gelaten. Dit moet leidt ertoe dat de klacht ook wat deze beide punten betreft moet worden afgewezen.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 31 augustus 2004 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. A.C. Diamand en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-72