2004/7 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

familie X

tegen

de hoofdredacteur van de Eendrachtbode

Bij brief van 18 september 2003 met een bijlagen heeft de familie X (klagers) een klacht ingediend tegen W. Heijboer, hoofdredacteur van de Eendrachtbode (verweerder). Hierop heeft verweerder geantwoord in een brief van 11 oktober 2003. Vervolgens hebben klagers hun klacht nader toegelicht bij brief van 24 oktober 2003. Daarop heeft verweerder nog gereageerd in een brief van 6 november 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 november 2003 in aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 10 juli 2003 is in de Eendrachtbode een door verweerder geschreven artikel verschenen onder de kop “‘Er zijn abnormale dingen gebeurd op 7 december’ Thoolse rechtbankpresident in de Fluplandse moordzaak”. Het artikel doet verslag van de pro forma zitting in de zogenaamde Fluplandse moordzaak. Deze moord vond plaats op 7 december 2002 in Sint-Philipsland. Verdachte in deze zaak was de destijds 18 jaar oude zoon van klagers. In het artikel wordt een groot aantal details van (de achtergronden van) het misdrijf beschreven. Deze details zijn grotendeels overgenomen uit de tenlastelegging van de officier van justitie.

Bij brief van 10 juli 2003 hebben klagers direct hun bezwaren tegen het artikel aan verweerder kenbaar gemaakt. Hierop heeft verweerder niet gereageerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers maken met name bezwaar tegen het feit dat verweerder in zijn artikel zeer uitvoerig details uit de tenlastelegging heeft overgenomen terwijl nog niet rechtens is komen vast te staan dat deze feiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Volgens klagers had verweerder, gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte en de kleine gesloten gemeenschap waarin klagers wonen, terughoudender moeten berichten. Andere media hebben, volgens klagers, de details uit de tenlastelegging niet overgenomen in hun berichtgeving. Door de wijze van berichtgeving is ernstige emotionele schade toegebracht aan de ouders van de verdachte en aan de overige gezinsleden, aldus klagers. Voorts heeft verweerder, naar mening van klagers, zich niet aan artikel 2 van de gedragscode voor journalisten gehouden.

Verweerder geeft aan dat zijn artikel moet worden bezien in relatie tot de hele moordzaak die veel beroering teweeg heeft gebracht in Sint-Philipsland. De pro forma zitting was het eerste moment dat er meer bekend werd over de toedracht en achtergronden van het misdrijf. In het artikel is de inhoud van de tenlastelegging zo volledig mogelijk weergegeven zonder bepaalde zaken aan te dikken. Het uitvoerig berichten over deze zaak hoort, volgens verweerder, bij de functie van een (lokaal) nieuwsblad. Ten slotte wijst verweerder erop dat hij zijn journalistieke werk goed heeft gedaan door de informatieplicht voorrang te geven boven individuele belangen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat bij deze klacht met name om de vraag of het, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is om over een ernstig geweldsmisdrijf zo te berichten dat details van het misdrijf vermeld worden die zeer pijnlijk zijn voor de ouders van de verdachte en overige directe familieleden.

Volgens het vaste oordeel van de Raad dient voorop te worden gesteld, dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk gegevens dient te bevatten opdat de lezer zich een waarheidsgetrouw en controleerbaar beeld van het nieuwsfeit kan vormen. Dit geldt ook voor publicaties over ernstige misdrijven, temeer daar deze een signaalfunctie kunnen hebben jegens burgers en overheid. Tegenover dit uitgangspunt staat dat details van het misdrijf weggelaten dienen te worden, indien voorzienbaar is dat zij extra leed toevoegen aan het slachtoffer of zijn naaste familieleden en die details niet noodzakelijk zijn om de aard van het misdrijf weer te geven. Eenzelfde regel dient te gelden waar het de verdachte en diens naaste familieleden betreft.

De Raad is van mening dat de zeer uitvoerige beschrijving van de details uit de tenlastelegging in het onderhavige geval niet functioneel is en als grensoverschrijdend valt aan te merken. Dit geldt temeer nu deze details in het artikel worden aangemerkt als feiten, terwijl zij niet als zodanig kunnen gelden zolang zij niet zijn bewezen verklaard. Daarnaast is de Raad van mening dat de Eendrachtbode als lokaal medium een extra verantwoordelijkheid heeft om zorgvuldig te berichten over zaken die zich in het eigen verspreidingsgebied hebben afgespeeld. Het was immers voorzienbaar dat lezers van de Eendrachtbode wisten op welke verdachte het artikel betrekking had en van welk gezin hij deel uitmaakt.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting de Eendrachtbode te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 januari 2004 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, mw F.W. Dresselhuys, drs. G.T.M. Driehuis, mw. C.D. Smolders en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.

Uitspraak 2004-07