2004/63 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J. Ploeger (Project Dien)

tegen

L. Dros (Trouw)

Bij brief van 27 april 2004 met vier bijlagen heeft J. Ploeger, h.o.d.n. Project Dien, (klaagster) een klacht ingediend tegen L. Dros (verweerder). Hierop heeft F. van Exter namens verweerder gereageerd in een brief van 13 mei 2004 met drie bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 juni 2004 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 21 april 2004 is in Trouw een artikel van de hand van Dros verschenen onder de kop “Moskee promoot homohaat – Gids voor de moslim”. In het artikel wordt onder anderen een woordvoerder van de Amsterdamse moskee El Tawheed aan het woord gelaten. Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
Over praktiserend homoseksuelen en moslims die van hun geloof afvallen is het boek duidelijk: ‘Dood hen!’. Er is geen discussie over, want, meldt ‘De weg’, ‘hierover is men unaniem’. Homo’s wacht de doodstraf, door verbranding, steniging of zo: zoek het hoogste gebouw in de buurt, ‘waarvan men ze vanaf het terras met het hoofd naar beneden gooit, vervolgens doodt men ze met stenen.’

Vervolgens is op 22 april 2004 in Trouw een artikel van Dros gepubliceerd onder de kop “’De weg van de moslim’ blijft in moskee te krijgen”. In dat artikel komen A. Tonca van het Contactorgaan Moslims en de Overheid, directeur F. Dweelaard van het COC Amsterdam en wethouder A. Aboutaleb aan het woord. Verder is de volgende passage opgenomen:
Jeannette Ploeger, vertaalster van ‘De weg van de moslim’ en verbonden aan uitgeverij Project Dien, spreekt in haar voorwoord de wens uit dat ‘dit standaardwerk (moge) bijdragen tot een beter begrip van de islam in ons taalgebied’. Is dat, gezien alle commotie, gelukt? Ploeger blijft achter ‘haar’ boek staan; deze trilogie biedt, zegt ze, niet-moslims de mogelijkheid ‘kennis te nemen van de grondwaarheden van de islam’. Ze zegt de ontwikkelingen gelaten af te wachten. Ploeger vindt dat haar uitgeverij slechts een doorgeefluik is van de ‘gezaghebbende gedachten’ van de moderne Algerijns-Arabische auteur en rechtsgeleerde El Dzejeïri.

Verder is in Trouw nog aandacht aan de kwestie besteed op 23 april 2004 in een artikel van de hand van Ton Crijnen onder de kop “Een moslimgeleerde met weinig gezag” – waarin professor P.S. van Koningsveld, hoogleraar godsdienstgeschiedenis van de islam in West-Europa, aan het woord wordt gelaten – alsmede op 26 april 2004 in een artikel met de kop “Een stap te ver”.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat in het artikel van 21 april 2004 onjuist is geciteerd uit het door haar uitgegeven boek. Gezien de landelijk ontstane commotie over het boek, neemt zij de omissie van verweerder hoog op. Aangezien het een gevoelige materie betreft, dient men ter zake zo voorzichtig mogelijk te zijn, aldus klaagster.
Zij stelt verder dat zij na de publicatie van 21 april is benaderd door journalist Ton Crijnen voor een interview over het boek. Klaagster heeft Crijnen laten weten dat zij niet wilde meewerken, omdat zij geen deskundige of geleerde is en het beter vond dat hij dergelijke mensen zou raadplegen. Crijnen deelde toen mee dat klaagster naar zijn mening verantwoording diende af te leggen over het standpunt inzake het doden van homoseksuelen. Daarop antwoordde klaagster dat de formulering ter zake als weergegeven in de krant, niet overeenkwam met die in het boek. Volgens klaagster deelde Crijnen haar mening en citeerde hij vervolgens de juiste tekst. De onjuiste publicatie is echter niet gecorrigeerd in Trouw, terwijl andere uitspraken van haar wel min of meer in het artikel van 22 april 2004 zijn verwoord, aldus klaagster. Zij vraagt zich ten slotte af of het de bedoeling van verweerder is geweest om een volgende hetze tegen moslims te zaaien.

Verweerder erkent dat in het boek niet de termen ‘homoseksualiteit’, ‘homoseksuelen’ of ‘homo’s’ voorkomen, maar dat de termen ‘sodomie’ en ‘sodomieten’ worden gebruikt. In het boek komt de passage voor: “Wie u ook maar schuldig vindt aan sodomie, doodt hem evenals degene, die zich hiervoor laat misbruiken.” Voor de uitvoering van de straf verwijst de auteur naar Ibn Abbès: “Men zoekt de hoogste constructie, waarvan men ze vanaf het terras met het hoofd naar beneden gooit, vervolgens doodt men ze met stenen.” Volgens de interpretatie van verweerder wordt in het boek met ‘sodomie’ allereerst de homoseksuele praktijk bedoeld. Volgens het woordenboek Van Dale betekent sodomie: ‘tegennatuurlijke bevrediging van de geslachtsdrift’ en ‘(verouderd) homoseksualiteit’. Bovendien wordt volgens islamoloog professor P.S. van Koningsveld in de islam en in het boek met sodomie gedoeld op de homoseksuele praktijk van anale seks, aldus verweerder. Hij wijst erop dat die interpretatie ook wordt ondersteund door het boek ‘De grote zonden’, waarin hetzelfde citaat wordt aangehaald onder de titel ‘homoseksualiteit’. Het mag zo zijn dat niet alle homo’s en niet alleen homo’s anale seks bedrijven, maar verweerder gaat ervan uit dat de grootste groep die anale seks bedrijft, bestaat uit homoseksuele mannen en dat het boek zich daar dus in de eerste plaats tegen keert.
Verweerder meent dat hij niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Bovendien is in de artikelen sprake van hoor en wederhoor. In de berichtgeving ging het in de eerste plaats om de beweegredenen van de moskee dit boek en andere boeken te verspreiden. Een woordvoerder van de moskee licht dat in de berichtgeving ook nader toe. Hij is er niet in geslaagd vóór de publicatie van 21 april ook klaagster te bereiken. Na 21 april slaagde de redactie daar wel in, maar toen bleek klaagster niet bereid tot een interview. In het telefoongesprek daarover gaf zij wel enige toelichting en merkte zij op dat de term ‘homoseksualiteit’ niet correct was, maar zij vroeg niet om een rechtzetting, aldus verweerder.
Hij betoogt dat uit de berichtgeving blijkt dat het er niet om ging een eenzijdig beeld te schetsen van de inhoud en betekenis van het boek. Het is duidelijk dat door publicatie commotie is ontstaan, maar het is niet zijn bedoeling geweest ‘een volgende hetze tegen moslims te zaaien’, zoals klaagster suggereert. Verweerder meent dat de berichtgeving een algemeen belang dient in het debat over de betekenis van het islamitisch fundamentalisme in de Nederlandse samenleving. Daarbij gaat het niet over ‘de moslims’, maar alleen over degenen die een gedachtegoed verspreiden dat – ook in de actuele interpretatie – tenminste op gespannen voet staat met de Nederlandse rechtsorde, de grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Blijkens het klaagschrift is de klacht gericht tegen het opnemen van een onjuist citaat in het artikel van 21 april 2004, als hierboven onder ‘De Feiten’ weergegeven. De Raad zal zich in zijn beoordeling dan ook daartoe beperken.

De Raad overweegt dat het hier een maatschappelijk bijzonder gevoelig onderwerp betreft. Het ware derhalve beter geweest indien verweerder in het artikel van 21 april 2004 het door klaagster uitgegeven boek letterlijk had geciteerd. Gelet op hetgeen verweerder ter zake heeft aangevoerd, is het echter begrijpelijk dat hij in dat artikel heeft gesproken over ‘homoseksualiteit’ en ‘homo’s’ daar waar in het boek de termen ‘sodomie’ en ‘sodomieten’ worden gebruikt. De Raad acht deze omissie van verweerder niet zodanig ernstig dat daarmee grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat verweerder klaagster na 21 april 2004 in de gelegenheid heeft gesteld haar visie op de zaak te geven en zij daarvan geen gebruik heeft willen maken, verweerder niettemin in het artikel van 22 april 2004 een toelichting van klaagster heeft opgenomen en hij in latere publicaties nog uitvoerig op de kwestie is terug gekomen.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Trouw te (laten) publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 19 juli 2004 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. E.J.M. Lamers en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-63