2004/61 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. Westbroek en A.J.F. Schnetz

tegen

M. Haighton en P. Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant

Bij brief van 18 maart 2004 met zes bijlagen heeft mr. J.H. van der Velden, advocaat te Utrecht, namens H. Westbroek en B. Schnetz (klagers) een klacht ingediend tegen M. Haighton en P. Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant, (verweerders). Bij brief van 30 maart 2004 heeft Broertjes op de klacht gereageerd. In een brief van dezelfde datum heeft Haighton meegedeeld dat hij het verweer van Broertjes onderschrijft.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 juni 2004. Aan de zijde van klagers zijn daar mr. Van der Velden en Schnetz verschenen. Mr. Van der Velden heeft de klacht toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Broertjes en Haighton waren eveneens aanwezig, vergezeld van N.J.M. Baartman, chef redactie van de editie-Utrecht van de Volkskrant.

DE FEITEN

Op 7 februari 2004 is in de Utrecht-bijlage van de Volkskrant een artikel van de hand van Haighton verschenen onder de kop “Staat er wéér een kutstuk in uw krant!”. Het artikel behelst een interview met R. van Zanten, scheidend hoofdredacteur van Utrechts Nieuwsblad/Amersfoortse Courant. De publicatie bevat onder meer de volgende passages:
Met name Leefbaar Utrecht-oprichter Henk Westbroek heeft volgens Van Zanten een prettige relatie tussen zijn krant en de lokale leefbaren in de weg gestaan. ‘Die man is zo haatdragend.’
en
Ook met Henk Westbroek en Leefbaar Utrecht-partijvoorzitter Broos Schnetz heeft hij wel eens een glaasje gedronken in de kroeg, om de onenigheid uit te spreken. ‘Na afloop waren we weer grote vrienden. Westbroek bood zich zelfs weer aan als columnist! Maar een dag later al kreeg ik een brief op hoge poten: “Geachte mijnheer de hoofdredacteur, u kunt dan misschien wel aardig drinken, maar nu staat er wéér zo’n kutstuk in uw krant.”’
Hij heeft echt alles geprobeerd om ‘de lijnen’ met Leefbaar Utrecht open te houden. Met wisselend succes. Tussen hem en Westbroek en partijvoorzitter Broos Schnetz is ‘eindeloos’ heen en weer gemaild. ‘Je weet niet wat je leest, zo paranoïde! De partijtop kan héél slecht met kritiek omgaan.’
Maar op de redactie van het Utrechts Nieuwsblad bleek niet iedereen bestand tegen de druk die Westbroek en Schnetz op vermeende tegenstanders uitoefenen.
‘Vergis je niet, het zijn mensen met veel invloed in de stad. Mensen die ze ervan verdenken niet op hun hand te zijn, worden geïntimideerd. Er zijn op de krant heel nare dingen gebeurd. Ik ga daar verder niet op in.’

Bij brief van 9 februari 2004 heeft mr. Van der Velden de bezwaren van klagers tegen de publicatie aan Broertjes kenbaar gemaakt en hem verzocht te bevestigen dat hij bereid is “een, op basis van genoemde sommatie aan de heer Van Zanten, door hem ingezonden brief te plaatsen, vergezeld met een redactionele toelichting dat de redactie ten onrechte cliënten (klagers) geen weerwoord op dergelijke ernstige beschuldigingen in de krant van 7 februari jl. heeft gegeven.
In zijn reactie van 12 februari 2004 heeft Broertjes mr. Van der Velden laten weten geen grond te zien om in te gaan op diens verzoek.

Vervolgens is op 14 februari 2004 een ingezonden brief van E. Hoogendoorn geplaatst onder de kop “Angst regeert”. Daarin schrijft Hoogendoorn onder meer:
Het beeld dat Van Zanten echter schetst (...) riekt naar maffiapraktijken.
en
Dat Van Zanten dit slechts mondjesmaat in een afscheidsinterview meedeelt, geeft voeding aan een al jaren rondzingend gerucht dat het UN een dossier over de zakelijke handel en wandel van Schnetz in het bezit heeft, maar niet durft te publiceren.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat zij ten onrechte ervan zijn beschuldigd dat zij journalisten bij het Utrechts Nieuwsblad zouden hebben geïntimideerd. Die ernstige beschuldiging is gepubliceerd in een context van andere negatieve kwalificaties als ‘haatdragendheid’, ‘paranoia’ en ‘heel slecht met kritiek kunnen omgaan’. Bovendien wordt de beschuldiging ook nog in verband gebracht met ‘nare dingen op de redactie van de krant’. De lezer krijgt aldus een beeld van een bedreigende sfeer als gevolg waarvan de journalist op de werkvloer van de redactie zich niet veilig zou voelen. Het feit dat Van Zanten niet concretiseert op welke wijze de intimidatie zou hebben plaatsgevonden noch wat de ‘nare dingen op de redactie’ zijn geweest, geeft de beschuldiging een nog ernstiger karakter en een zeer suggestieve lading, aldus klagers. Nu zij niet weten waarop Van Zanten doelt, kunnen zij zich daartegen niet verweren. Verweerders hebben ook geen enkele poging gedaan de gegrondheid van de beschuldigingen te onderbouwen, aldus klagers. Zij kunnen alleen in algemene zin benadrukken dat zij nooit op de redactie van het Utrechts Nieuwsblad zijn geweest en dat zij goede contacten onderhouden met de journalisten van het Utrechts Nieuwsblad.
Klagers erkennen dat publieke figuren tegen een stootje moeten kunnen, maar dat (juist) zij belang hebben op te komen tegen aantasting van hun integriteit. Als bekende Nederlanders, en in het bijzonder bekende politici, is deze integriteit van het grootste belang, aldus klagers. Zij zullen zich wellicht verwijten van ‘haatdragendheid’ en ‘paranoia’ moeten laten welgevallen, maar dat geldt niet voor de beschuldiging van intimidatie. Aangezien zij regelmatig in de aandacht van de media staan, hebben zij er alle belang bij de onjuiste suggestie weg te nemen dat de berichtgeving omtrent hun persoon mede tot stand zou kunnen zijn gekomen door ongeoorloofde druk, zelfs intimidatie van de betrokken journalisten.
Verder stellen klagers dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten wederhoor toe te passen. Het gezag van degene die de beschuldiging doet, doet niet af aan het recht van weerwoord, aldus klagers. Het is eerder omgekeerd: een beschuldiging in een roddelblad heeft minder snel ernstige consequenties dan een beschuldiging als deze van een voormalig hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad in de, als gezaghebbend aangeschreven, Volkskrant. Bovendien is de beschuldiging, blijkens eerdere uitspraken van de Raad, ernstig genoeg om een weerwoord te rechtvaardigen, aldus klagers.
Voorts stellen zij dat uit de brief van Broertjes van 12 februari 2004 blijkt dat hij niet bereid is een door Van Zanten in te zenden brief te plaatsen noch tot het plaatsen van een redactionele toelichting. In plaats daarvan heeft de Volkskrant er nog een schep bovenop gedaan, door de ingezonden brief van Hoogendoorn te plaatsen, aldus klagers. Zij wijzen erop dat de redactie van het Utrechts Nieuwsblad in die ingezonden brief zelfs reden heeft gezien de beschuldigingen aan hun adres te ontkrachten in een redactioneel artikel, dat op 21 februari 2004 in het Utrechts Nieuwsblad is gepubliceerd. Verder stellen klagers dat Hoogendoorn in het verleden is veroordeeld tot rectificatie en het staken van onrechtmatige uitlatingen aan hun adres en dat verweerders daarvan op de hoogte waren, hetgeen het verwijt tegen hun handelwijze des te ernstiger maakt.
Klagers concluderen dat zij door de onjuiste, ongefundeerde, suggestieve en tendentieuze berichtgeving in hun eer en goede naam zijn aangetast en dat hun ten onrechte de mogelijkheid is onthouden weerwoord te geven.

Volgens verweerders is het antwoord op de vraag of een weerwoord moet worden gevraagd aan iemand die door een geïnterviewde wordt bekritiseerd, afhankelijk van drie factoren: de geïnterviewde, de aard van de kritiek en de bekritiseerde.
Voor de geïnterviewde geldt dat hij met meer gezag spreekt naarmate hij meer kennis van zaken heeft, aldus verweerders. In dit geval sprak Van Zanten met veel gezag.
Geuite kritiek kan mild tot zeer zwaar zijn. Er zijn vormen van kritiek denkbaar die vragen om het doen van navraag naar de feiten en om wederhoor, bijvoorbeeld als het gaat om een beschuldiging van een zwaar misdrijf. Volgens verweerders is daar in dit geval geen sprake van. Volgens hen kunnen de door Van Zanten gebezigde kwalificaties als ‘haatdragend’, ‘paranoïde’ en ‘heel slecht met kritiek kunnen omgaan’, alsmede de beschuldiging van intimiderend gedrag, afdoende worden getypeerd als ‘onvriendelijk’.
Voor de bekritiseerde geldt, aldus verweerders, dat hoge bomen tegen een beetje wind moeten kunnen. Wie de publiciteit schuwt, heeft recht op een enigszins terughoudende behandeling, maar wie de publiciteit opzoekt en zich breed maakt in de publieke arena, moet ook kunnen incasseren, aldus verweerders. Zij menen dat het in dit geval gaat om bekritiseerden die tegen een stootje moeten kunnen.
Verweerders betogen dat de drie overwegingen leiden tot de conclusie dat het in dit geval niet nodig was klagers wederhoor te bieden.
Ter zitting voegen zijn hieraan toe dat zij de uitlatingen volledig voor rekening van Van Zanten hebben gelaten. Daarbij komt dat klagers lastige mannen zijn, die het scherpe debat niet schuwen en veel korte gedingen voeren, hetgeen intimiderend kan werken, aldus verweerders. Zij vonden de beschuldiging van Van Zanten dan ook niet vreemd. Bovendien beschikken zij over bepaalde bronnen waaruit blijkt dat de door Van Zanten aan het adres van klagers geuite beschuldiging op waarheid berust. Verweerders hebben overigens wel overwogen om wederhoor toe te passen, maar vonden dat in dit geval – naar hun oordeel een geval ‘in de marge’ – niet nodig. Overigens wilden zij vasthouden aan de vorm van de publicatie, een interview met Van Zanten. Verweerders wijzen er ten slotte nog op dat klagers een ingezonden brief hadden kunnen sturen of zich tot de ombudsman van de Volkskrant hadden kunnen wenden, maar dat hebben nagelaten.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk moet gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zouden zijn geuit door een geïnterviewde, maakt dat niet anders (vgl. onder meer: De Vries tegen De Jong en HP/De Tijd, RvdJ 2003/43 en Hingst tegen Van den Heuvel, RvdJ 2003/21).

De vraag is of hier sprake van een ernstige beschuldiging als hiervoor bedoeld. Naar het oordeel van de Raad gaat het hier, zoals verweerders ook hebben aangevoerd, om een grensgeval. Ontegenzeglijk zal de door Van Zanten geuite, en volledig voor zijn rekening gelaten, beschuldiging van intimidatie klagers niet welgevallig zijn. Echter, hier wordt met intimidatie kennelijk bedoeld: ‘forse druk uitoefenen op journalisten’. Aldus heeft deze term bezien in de context van het gehele artikel, duidelijk een minder negatieve connotatie dan wanneer die term wordt gebruikt in een meer malicieuze context, bijvoorbeeld ter aanduiding van praktijken in het criminele circuit.

Bovendien zullen klagers, gelet op het feit dat zij door hun publieke functies bekende Nederlanders zijn en zij zelf de publiciteit niet schuwen, zich een zekere mate van aantasting van hun persoonlijke levenssfeer moeten laten welgevallen (vgl. onder meer: Dittrich tegen Dohmen en NRC Handelsblad, RvdJ 2002/23 en Van Hemert tegen Pruim e.a., RvdJ 2001/08).

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat verweerders in dit geval geen grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door de uitlatingen van Van Zanten aan het adres van klagers te publiceren, zonder hen wederhoor te bieden.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 19 juli 2004 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. E.J.M. Lamers en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-61