2004/60

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

C.L. Geerts

tegen

de hoofdredacteur van Zembla (VARA)

Bij brief van 2 april 2004 met vier bijlagen heeft C.L. Geerts te Wijdewormer (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het televisieprogramma Zembla (verweerder). Hierop heeft mr. drs. M.F. Hartstra, bedrijfsjurist van de VARA, gereageerd in een brief van 27 april 2004 met vijf bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 mei 2004. Namens klager is daar H. Knoop verschenen. Aan de zijde van verweerder waren K. Driehuis, T. Boumans, W. van de Pol – onderscheidenlijk eindredacteur, verslaggever en researcher – en voornoemde Hartstra aanwezig.

Naar aanleiding van de ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de gewraakte uitzending bekeken.

DE FEITEN

In het televisieprogramma Zembla is op 11 en 18 maart 2004 aandacht besteed aan de zogenoemde ‘X-dossiers’ van de Belgische justitie betreffende vermissing van en moord op kinderen. In de uitzending van 18 maart 2004 (verder: de uitzending) wordt een verband gelegd tussen een afgelegde verklaring en de zogeheten affaire-Dutroux. Over klager wordt het volgende gezegd:
De Co Cli Co nachtclub met uitbater Derdyn is gelieerd aan Gerard Cok. En Gerard Cok had in die tijd een holding met de Nederlander Charles Geerts; de nummer 2 van de wereld in de pornovideohandel. Internationale opsporingsdiensten als Scotland Yard zetten Geerts op een lijst van mensen die betrokken zouden zijn bij de handel in kinderporno. Het weekblad Nieuwe Revu wijdt er een serie artikelen aan. Maar er zijn geen bewijzen. In 1985 werd Charles Geerts gearresteerd op een vliegveld in Amerika, verdacht van invoeren van porno. Hij kreeg een korte gevangenisstraf en werk op borgtocht vrijgelaten. Zijn woordvoerder in Nederland zei tegen De Telegraaf: “Ik denk dat het te maken heeft met kinderpornografie. De Amerikanen staren zich blind op Holland en denken nog steeds dat dit het centrum is van de kinderporno. Anderhalf jaar geleden echter hebben we de politie op bezoek gehad en de kinderporno opgeruimd.”

Op de website van Zembla (www.omroep.nl/vara/tv/zembla) is over de uitzending bericht onder de kop “’Sporen naar Nederland in Belgisch zedenschandaal’”. In deze publicatie wordt over klager het volgende vermeld:
Cok behoort (vroeger samen met Charles Geerts) tot de grootste pornohandelaren ter wereld. Door de Nederlandse justitie zijn beiden in verband gebracht met financiële transacties van drugshandelaren.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager betoogt dat voormelde mededelingen onjuist zijn, omdat hij nooit door justitie als verdachte is aangemerkt in het kader van financiële transacties van drugshandelaren. Ter zitting heeft zijn gemachtigde toegelicht dat in de zogeheten IRT-affaire, betreffende de rol van justitie in strafzaken inzake onder meer het witwassen van drugsgelden, klager niet als verdachte is gehoord. De door verweerder gehanteerde bronnen, en met name Middelburg, zijn volgens hem voor een belangrijk deel onbetrouwbaar. Klager heeft in het verleden met succes bij de Raad klachten tegen Middelburg ingediend. En ook anderen hebben volgens hem met succes bij de Raad geklaagd over publicaties van Middelburg. Volgens klager kan geen van de door verweerder overlegde stukken de ter zake gedane beweringen schragen.
Verder stelt hij dat hij ten tijde van zijn aanhouding in Amerika geen zakelijke contacten met de heer Cok onderhield in de context, zoals verweerder heeft beweerd. Hij kan direct noch indirect in verband worden gebracht met de Co Cli Co nachtclub en evenmin met kinderporno, aldus klager. Volgens hem had zijn aanhouding in Amerika betrekking op het illegaal per post invoeren van pornovideobanden en had zij niets te maken met kinderporno. Klager heeft nooit kinderporno verhandeld. Waar zijn woordvoerder in De Telegraaf op doelde, was porno met personen die in het ene land wel en in het andere land niet als volwassenen worden aangemerkt. Teneinde misverstanden en inbreuk op wetgeving te voorkomen, heeft klager in het begin van de jaren tachtig in overleg met de politie alle videobanden opgeruimd, waarop porno stond met personen, van wie het twijfelachtig was of zij wel of niet als volwassen worden beschouwd. Sindsdien hanteert klager een ruime veiligheidsmarge in de leeftijden van de porno-acteurs.
Verder betoogt klager dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten wederhoor toe te passen. Als hij dat had gedaan, zou hij van hem hebben vernomen dat en waarom de beweringen, als gepubliceerd op de website en gedaan in de uitzending, onjuist zijn.
Door de suggestieve wijze van presenteren en het leggen van onjuiste verbanden, is hij ernstig in diskrediet gebracht, aldus klager.

Verweerder stelt dat zijn werkwijze zich kenmerkt door zeer gedegen onderzoek en nauwgezette toepassing van de beginselen van behoorlijke journalistiek.
Volgens hem bestaat er een grote hoeveelheid informatie die erop wijst dat justitie bezig was de betrokkenheid van klager bij drugshandel te bewijzen. Hij heeft een groot aantal bronnen geraadpleegd, die zijn beweringen ter zake onderbouwen. De belangrijkste daarvan zijn de boeken van Bart Middelburg ‘De Dominee’ en ‘Onderwereld PR’. Voor zover bekend, heeft klager nooit bezwaar gemaakt tegen deze publicaties. Het is juist dat klager niet is veroordeeld voor drugsgerelateerde misdrijven, maar dat is niet beweerd. Op de website is slechts gesteld dat klager met dergelijke misdrijven in verband is gebracht en uit het beschikbare materiaal blijkt dat dat juist is, aldus verweerder.
Verder stelt hij dat uit een groot aantal publicaties blijkt dat in elk geval begin jaren ’80 een zakelijke relatie tussen klager en Cok bestond. Medio 1982 dreven zij gezamenlijk een onderneming. De in de uitzending gedane beweringen zijn dan ook juist, aldus verweerder. Volgens hem wordt ook door veel bronnen bevestigd dat klager te maken heeft gehad met kinderporno. Hij wijst in dat verband onder meer op een verklaring van een inspecteur van Scotland Yard. Verweerder betoogt dat hij geen nieuwe feiten ter zake naar voren heeft gebracht of nieuwe beweringen heeft gedaan. Hij heeft uitsluitend een summiere en terughoudende samenvatting gegeven van hetgeen op het gebied van kinderporno over klager is gepubliceerd.
Verweerder heeft klager niet om een weerwoord gevraagd, omdat geen nieuwe feiten naar voren zijn gebracht. Bovendien heeft hij de visie van klager in de uitzending weergegeven, nu hij de tekst: “Maar Geerts zelf ontkent. Stellig.” in beeld heeft gebracht. Indien klager om een reactie was gevraagd, zou die vermoedelijk van die strekking zijn geweest, aldus verweerder.
Hij stelt verder dat klager nooit bezwaar heeft gemaakt tegen uitlatingen over hem in Nieuwe Revu of het boek ‘Onderwereld PR’ van Middelburg. In Nieuwe Revu werd geconcludeerd dat klager een belangrijke persoon was op het gebied van kinderporno en hem is door Nieuwe Revu wel om een reactie gevraagd. Aldus mag volgens verweerder worden aangenomen dat de artikelenreeks in Nieuwe Revu alle standpunten getrouw weergeeft. Volgens hem kon hij ter zake volstaan met een beperkt onderzoek en het benutten van bestaande publicaties.
Samenvattend stelt verweerder dat hij geen onjuiste uitlatingen heeft gedaan en dat alle stellingen worden onderbouwd door uitvoerig bronnenmateriaal. Hij was niet gehouden klager om zijn weerwoord te vragen. Van onzorgvuldige berichtgeving is geen sprake, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht heeft betrekking op:
1. publicatie op de website van Zembla van de bewering dat klager “door de Nederlandse justitie in verband is gebracht met financiële transacties van drugshandelaren”;
2. de uitzending van Zembla, waarin klager in verband wordt gebracht met kinderporno.

Wat betreft onderdeel 1 overweegt de Raad dat niet in geschil is dat klager destijds is betrokken in een justitieel onderzoek naar financiële transacties van drugshandelaren. De door verweerder op de website gepubliceerde mededeling van die aard is derhalve op zichzelf juist. Door evenwel onvermeld te laten dat hij daarbij niet als verdachte is aangemerkt, heeft verweerder op een wezenlijk punt onvolledig en daardoor onjuist over klager bericht. Bijzondere omstandigheden die de handelwijze van verweerder op dit punt zouden kunnen rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken. Verweerder heeft derhalve op dit punt jegens klager journalistiek onjuist gehandeld (vgl. onder meer: Professor Heymansstichting/Demoed, Schrikkema en TROS 2Vandaag, RvdJ 2004/27).

Ter zake van onderdeel 2 overweegt de Raad dat klager blijkens zijn verklaringen betrokken is geweest bij internationale handel in videobanden met pornografisch materiaal. Daarbij waren de in beeld gebrachte personen kennelijk niet altijd in elk land als volwassenen aan te merken, maar was soms volgens de wetgeving van bepaalde landen sprake van minderjarigen. Klager heeft aldus het risico aanvaard dat hij in de publiciteit daarmee in verband zou worden gebracht, ook nadat hij, zoals hij stelt, met die handel is gestopt.
Dat neemt niet weg dat verweerder klager wederhoor had moeten bieden, nu het een ernstige beschuldiging aan diens adres betreft. Niet ter discussie staat dat verweerder dat niet heeft gedaan. Hij heeft ter zake aangevoerd dat hij de ontkenning van klager in beeld heeft gebracht, zoals die destijds in Nieuwe Revu is gepubliceerd. Deze omstandigheid biedt echter naar het oordeel van de Raad geen rechtvaardiging voor de handelwijze van verweerder. Enerzijds, omdat de betrokken ontkenning slechts onduidelijk en zeer kort in beeld is verschenen, hetgeen zijdens verweerder ter zitting ook is toegegeven. Anderzijds omdat het een citaat betreft uit een publicatie uit 1988. Verweerder had ruim vijftien jaar later niet mogen volstaan met afbeelding van dat citaat in de uitzending, maar had klager in de gelegenheid moeten stellen zijn huidige visie op de zaak te geven. Hij had dan bijvoorbeeld de kans gehad desgewenst te zeggen dat hij zich met voormelde handel al lang niet meer bezig hield. Door dit na te laten, heeft verweerder grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

Voor zover de klacht betrekking heeft op de publicatie op de website, alsmede voor zover die is gericht tegen het niet-toepassen van wederhoor, is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting op de website van Zembla te publiceren alsmede aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van Zembla.

Aldus vastgesteld door de Raad op 9 juli 2004 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. C.J.E.M. Joosten en mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-60