2004/58 deels gegrond niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de Werkgroep Jomanda naar Noord Nederland en J.W.P. Damman (Jomanda)

tegen

de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden

In een brief met vier bijlagen, door de Raad ontvangen op 1 april 2004, heeft de Werkgroep Jomanda naar Noord Nederland te Assen (hierna: de Werkgroep) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden (verweerder). Vervolgens heeft J.W.P. Damman een verklaring aan de Raad doen toekomen, die door de Raad op 7 april 2004 is ontvangen, waarin zij heeft meegedeeld zich aan te sluiten bij het klaagschrift van de Werkgroep en de klacht mede in te dienen. H. Blanken, adjunct-hoofdredacteur, heeft op de klacht gereageerd in een schrijven van 26 april 2004.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 14 mei 2004. Aan de zijde van de Werkgroep en Damman (hierna tezamen: klagers) zijn daar W. van ’t Hof, F. Orsel, J. van Straalen – onderscheidenlijk voorzitter, secretaris en penningmeester van de Werkgroep – en Damman verschenen. Van ’t Hof heeft de klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Blanken was eveneens aanwezig.

Naar aanleiding van de ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 19 februari 2004 is in Dagblad van het Noorden een hoofdredactioneel commentaar verschenen onder de kop “Kwakzalvers”. De eerste zin van dit artikel luidt:
De actrice Sylvia Millecam is overleden aan borstkanker omdat ze te veel vertrouwen had in alternatieve geneeswijzen en in de gebedsgenezeres Jomanda.
Het artikel eindigt met de volgende passage:
Wie een onzinnige diagnose stelt en daarmee een patiënt feitelijk de dood injaagt, maakt zich schuldig aan kwakzalverij. Het doet er dan nauwelijks toe of de behandelaar een arts is die zijn toevlucht heeft gezocht in alternatieve geneeswijzen, zoals bij Sylvia Millecam ook gebeurde, of een handopleggend medium. De eerste verstaat zijn vak niet, de tweede is gevaarlijk gek.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De Werkgroep stelt allereerst dat zij thema-bijeenkomsten en ‘healings’ met Jomanda in Noord Nederland organiseert, alsmede tracht zoveel mogelijk mensen en media met haar in direct contact te brengen. Volgens de Werkgroep wordt zij bovendien aangesproken op en geassocieerd met hetgeen over Jomanda wordt geschreven. Volgens de Werkgroep heeft zij daarom een rechtstreeks belang heeft bij een oordeel van de Raad.
Betreffende de inhoud van het artikel betogen klagers dat door het gebruik van het woord ‘omdat’ in de zin “De actrice Sylvia Millecam is overleden aan borstkanker omdat ze te veel vertrouwen had in alternatieve geneeswijzen en in de gebedsgenezeres Jomanda.” ten onrechte wordt gesuggereerd dat Millecam nog zou hebben geleefd als zij zich tot de reguliere geneeskunde had gewend. Ook in de zin “Wie een onzinnige diagnose stelt en daarmee een patiënt feitelijk de dood injaagt, maakt zich schuldig aan kwakzalverij.” wordt, door het gebruik van het woord ‘daarmee’, ten onrechte een oorzakelijk verband gelegd, aldus klagers. Volgens hen biedt het rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg inzake de zaak-Millecam geen grond voor de ver gaande suggesties in het artikel. Bovendien kan verweerder zich volgens hen niet achter dat rapport verschuilen.
Klagers betogen dat Jomanda aldus twee maal ten onrechte ervan wordt beticht schuldig te zijn aan de dood van Millecam en haar zelfs ‘de dood te hebben ingejaagd’. Daarnaast wordt Jomanda volgens hen ten onrechte aangemerkt als ‘gevaarlijke gek’.
Verder betogen klagers dat verweerder de kwestie ten onrechte alleen vanuit het gezichtspunt van de Inspectie heeft benaderd en met twee maten meet door de reguliere gezondheidszorg anders te behandelen dan de alternatieve. Volgens hen is aldus sprake van eenzijdige en onevenwichtige berichtgeving.

Verweerder betoogt dat de Werkgroep in haar klacht niet-ontvankelijk is, omdat zij daarbij geen voldoende belang heeft.
Verder stelt verweerder dat met de zin “De actrice Sylvia Millecam is overleden aan borstkanker omdat ze te veel vertrouwen had in alternatieve geneeswijzen en in de gebedsgenezeres Jomanda.” het oordeel van de Inspectie is gevolgd. Volgens verweerder heeft de Inspectie zich op het standpunt gesteld dat Millecam nog zou hebben geleefd, of in elk geval een faire kans zou hebben gehad, indien ze zich niet van de reguliere gezondheidszorg had afgewend. Verweerder wijst op een citaat van H. Kingma van de Inspectie in de Volkskrant van 21 februari 2004: “Ze (Millecam) had zeker in het prille begin meer dan 90 procent kans op genezing. Die weg is afgesneden door volstrekt onterechte geruststellingen uit de alternatieve hoek.” Kingma heeft zich volgens verweerder na het verschijnen van het rapport over de zaak-Millecam consequent in deze zin uitgelaten en daarbij heeft hij zich in het artikel aangesloten. Dat betekent niet dat hij tegenover de Inspectie geen kritische houding heeft aangenomen, aldus verweerder. Hij heeft bovendien de verantwoordelijkheid voor de beslissing van Millecam om niet naar een reguliere arts te gaan in het artikel expliciet bij Millecam gelegd en niet bij Jomanda of anderen.
Verweerder stelt voorts dat Jomanda in de zin “Wie een onzinnige diagnose stelt en daarmee een patiënt feitelijk de dood injaagt, maakt zich schuldig aan kwakzalverij.” niet wordt genoemd. Hij heeft nergens expliciet beweerd dat de diagnoses van Jomanda onzinnig zijn. Volgens verweerder heeft hij in deze zin het woord ‘wie’ in algemene zin gebruikt, omdat de discussie over meer gaat dan alleen de zaak-Millecam en de rol van Jomanda daarin. Bovendien wordt in deze zin volgens hem geen causaal verband gelegd tussen een overlijden en een diagnose, maar louter een nevenschikkend verband: indien een onzinnige diagnose tot overlijden leidt, is sprake van kwakzalverij. Die term – die ook door de Inspectie is gebruikt – mocht verweerder hanteren, te meer omdat hij wel genuanceerd is over alternatieve genezers.
De essentie van het commentaar is volgens verweerder dat de alternatieve geneeswijze in beginsel weinig kwaad kan, maar dat sommige alternatieve genezers wèl schade aanrichten en dat dat een gevolg is van te ver doorgeschoten tolerantie ter zake. Verweerder meent dat hij over dat onderwerp evenwichtig heeft geschreven.
Ten slotte stelt hij dat hij de vrijheid heeft om iemand in een commentaar ‘gevaarlijke gek’ te noemen. Volgens verweerder heeft de Inspectie na grondig onderzoek een directe relatie gelegd tussen het overlijden van Millecam en de ‘behandeling’ door Jomanda. Er is dan ook geen reden die kwalificatie terug te nemen, aldus verweerder.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID van de Werkgroep

Ingevolge artikel 2 lid 1 van het Reglement van de Raad komt slechts voor behandeling in aanmerking een klaagschrift dat is ingediend door een 'rechtstreeks belanghebbende'. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt.

De Werkgroep heeft ter zake gewezen op de activiteiten die zij ontplooit. Verder heeft de Werkgroep gesteld dat zij wordt aangesproken op en geassocieerd met alles wat over Jomanda wordt geschreven. Een en ander is echter onvoldoende om haar als ‘rechtstreeks belanghebbende’ in de zin van het Reglement aan te merken. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat het belang van de Werkgroep direct betrokken is bij de gewraakte publicatie en zij door die publicatie in haar belang is geraakt (vgl. onder meer: Derksen/de Gelderlander, RvdJ 2004/28).

De Werkgroep is derhalve niet-ontvankelijk in haar klacht.

BEOORDELING VAN DE KLACHT van Damman

In zijn commentaar heeft verweerder aan de orde gesteld dat alternatieve geneeswijzen in sommige gevallen schadelijke gevolgen kunnen hebben. Hij heeft daarbij in het bijzonder aandacht besteed het overlijden van actrice Sylvia Millecam en de rol van Damman bij de behandeling van Millecam.

In lijn met de eerdere uitspraak inzake Damman/Poortinga en Metro (RvdJ 2002/27) overweegt de Raad dat de handelwijze van Damman onderwerp was van een publiek debat in de periode kort na het overlijden van Sylvia Millecam en dat die handelwijze opnieuw onderwerp van debat werd, na het verschijnen van het desbetreffende rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Het is daarom zeker gerechtvaardigd dat verweerder aan die zaak aandacht heeft besteed.

Een hoofdredacteur hoeft in een hoofdredactioneel commentaar, dat zijn persoonlijke mening over een bepaald onderwerp behelst, niet alle aspecten over het door hem besproken onderwerp te behandelen. Voor zover verweerder wordt verweten dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door de zaak alleen vanuit het gezichtspunt van de Inspectie voor de Gezondheidszorg te behandelen, is de klacht dan ook ongegrond.

Over de door verweerder, bij het uiten van zijn persoonlijke mening over Damman, gebezigde kwalificaties en vergelijkingen wordt voorts als volgt overwogen.
Door de opbouw van het artikel slaat de zinsnede “Wie een onzinnige diagnose stelt en daarmee een patiënt feitelijk de dood injaagt, maakt zich schuldig aan kwakzalverij.” terug op Damman. Aldus wordt bij de lezer de indruk gewekt dat zij Millecam ‘feitelijk de dood heeft ingejaagd’. Met het wekken van die suggestie heeft verweerder grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Voor een dergelijke ernstige beschuldiging is bij uitstek een deugdelijke grondslag vereist, en die ontbreekt. Het rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg levert die grondslag niet op. Op dit punt is de klacht derhalve gegrond.

BESLISSING

De Werkgroep Jomanda naar Noord Nederland is in haar klacht niet-ontvankelijk.
De klacht is gegrond voor zover deze is gericht tegen de suggestie dat Damman Millecam ‘feitelijk de dood heeft ingejaagd’, voor het overige is zij ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad van het Noorden te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 6 juli 2004 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, mw. C.J.E.M. Joosten en mw. C.D. Smolders, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-58