2004/52 ongegrond onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. Mous

tegen

R. Mulder, de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant

Bij brief van 8 maart 2004 met drie bijlagen heeft H. Mous te Leeuwarden (klager) een klacht ingediend tegen R. Mulder, de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (verweerder). Vervolgens heeft klager bij brief van 22 maart 2004 nog nadere stukken overgelegd. Mulder heeft op de klacht gereageerd in een brief van 23 maart 2004 met een bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 april 2004 in aanwezigheid van klager, die zijn klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie.

DE FEITEN

In het tijdschrift De Moanne van februari 2004 is een artikel van klager verschenen onder de kop “Verlos ons van de Leeuwarder Courant” waarin hij kritiek heeft geuit op verweerder en de Leeuwarder Courant.

Klager heeft in een e-mail van 20 februari 2004 aan verweerder meegedeeld dat hij het artikel in De Moanne op persoonlijke titel heeft geschreven. Daarop heeft verweerder gereageerd in een e-mail van 23 februari 2004 waarin hij klager bericht:
Wees gerust. Niemand bij de Leeuwarder Courant denkt dat de gedachten die u in De Moanne ontvouwde meer zouden kunnen zijn dan de hoogst persoonlijke oprispingen van één enkel persoon. Het is de heer Mous die hier scheldt en schimpt, niet Keunstwurk. Wij menen er echter niet aan voorbij te mogen gaan dat u uw dagelijks brood moet verdienen bij Keunstwurk en dat die omstandigheid voor u het risico inhoudt van een bijna dagelijkse confrontatie met de krant waarvan u het bestaan zo zeer betreurt. Wij vinden dat het op onze weg ligt dat risico voor u zoveel mogelijk te beperken en daarom lijkt het ons beter geen enkele vorm van samenwerking tussen de LC en Keunstwurk aan te gaan. Dat is niet een kwestie van misverstanden, maar van wellevendheid jegens iemand die al zo lang in ons midden is en daar kennelijk nog maar zo weinig plezier aan beleeft. Wij vertrouwen er op dat u dit gebaar op waarde weet te schatten.

Voorts heeft verweerder in De Leeuwarder Courant van 25 februari 2004 aandacht aan de kwestie besteed in een artikel met de kop “De fijngevoeligheid van Mous en de LC”. Dat artikel bevat onder meer de volgende passages:
Kritiek is er in gradaties. Die varieert van opbouwend tot regelrechte scheldpartijen. Onder die laatste categorie valt het stuk van Huub Mous, consulent Beeldende Kunst bij Keunstwurk in het jongste nummer van het literaire maandblad De Moanne.
en
Huub Mous (dezelfde) had kort voor het verschijnen van zijn requisitoir in De Moanne de krant gebeld met de vraag of de LC weer wilde meedoen met de organisatie van de Friese architectuurprijs. (...) Het laat zich raden dat ‘promotie’ niet zoveel zin meer had in samenwerking met Mous na lezing van zijn stuk. Ook een verkoper van een krant is maar een mens. Mous (en daarmee Keunstwurk) werd vriendelijk meegedeeld dat de LC deze keer niet in was voor de organisatie van de prijs. Om misverstanden te voorkomen stuurde de hoofdredactie hem een verduidelijking per e-mail.
en
Mous concludeerde dat de LC een boycot tegen Keunstwurk had uitgevaardigd. (...) Als hier en daar het misverstand is ontstaan dat de LC Keunstwurk in de ban heeft gedaan, dan vinden we dat jammer, maar de verantwoordelijkheid ligt wel helemaal bij Mous die het mailtje van de hoofdredactie niet op waarde wist te schatten. Er zijn geen ‘sponsorcontracten’ van de LC met Keunstwurk, dus is er ook niets op te zeggen. Als de LC nodig is voor de Friese architectuurprijs horen we dat nog wel eens. Anders zullen we er gewoon over berichten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat een woordvoerder van de Leeuwarder Courant (LC) hem op 20 februari 2004 telefonisch heeft meegedeeld dat een eerder gedaan verzoek om sponsoring door de LC van de Friese architectuurprijs, waarvoor Keunstwurk organisatorische werkzaamheden verricht, niet zou worden gehonoreerd in verband met zijn artikel in De Moanne. Verder werd hem meegedeeld dat een ander project, waarbij zijn werkgever Keunstwurk betrokken is, geen steun van de LC kon verwachten als het ging om de lancering van een donateursactie. Volgens klager heeft verweerder aldus met een ongepaste sanctie gedreigd, gericht tegen zijn werkgever, te weten: het niet meer aangaan van enige vorm van samenwerking tussen de LC en Keunstwurk, terwijl klager de kritiek waarop die sanctie betrekking heeft op persoonlijke titel heeft geuit. Mede omdat verweerder in zijn artikel van 25 januari 2004 aandacht aan zijn ‘sanctie’ heeft besteed, is sprake van een journalistieke gedraging, aldus klager. Volgens klager heeft de handelwijze van verweerder ertoe geleid dat zijn werkgever hem heeft verboden verder over de kwestie te publiceren om grotere schade voor Keunstwurk te voorkomen. Hij stelt verder dat de affaire voor veel commotie in Friesland heeft gezorgd, vooral onder schrijvers en kunstenaars.
Klager betoogt dat hij door de handelwijze van verweerder is beknot in zijn recht op vrije meningsuiting en dat verweerder misbruik heeft gemaakt van zijn positie als hoofdredacteur, waardoor zijn relatie met zijn werkgever is verstoord. Verweerder heeft hem, aldus klager, onheus bejegend en schade berokkend in de uitoefening van zijn beroep, terwijl hij niets anders heeft gedaan dan over verweerder en zijn krant een mening te uiten die verweerder kennelijk niet welgevallig is. Ten slotte wijst klager erop dat hij nog steeds op de kwestie wordt aangesproken.

Verweerder stelt dat klagers bezwaar is gericht tegen zijn afwijzing van een verzoek om sponsoring. Bij een beslissing over een dergelijk verzoek zijn verschillende afdelingen betrokken en gelden diverse motieven en afwegingen, aldus verweerder. Daarbij gaat het niet om een journalistieke gedraging, zodat een oordeel daarover niet aan de Raad is.
Verder betoogt verweerder dat klager in zijn artikel in De Moanne heeft gekozen voor een scherp polemische toon en zich er dan ook moeilijk over kan beklagen dat van de kant van de Leeuwarder Courant een scherpe reactie volgde.
Volgens verweerder is de commotie waarvan klager gewag maakt, niet ontstaan door zijn e-mailbericht aan klager maar door de interpretatie en ruchtbaarheid die klager er zelf aan heeft gegeven. Zonder een nadere toelichting te vragen en zonder overleg met zijn werkgever heeft klager het verhaal verspreid dat de LC Keunstwurk boycotte en dat daardoor diverse culturele evenementen in Friesland werden bedreigd. Om dat onjuiste beeld te corrigeren heeft verweerder in het artikel van 25 februari 2004 uitleg gegeven. Dat artikel geeft een goed overzicht van de relevante feiten en de commotie was daarna snel geluwd, aldus verweerder.
Hij stelt ten slotte dat hij buiten de relatie tussen klager en zijn werkgever staat.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is gericht tegen de volgende gedragingen van verweerder:
1. de beslissing om een verzoek om sponsoring niet te honoreren;
2. zijn artikel van 25 februari 2004.

Wat betreft de onder 1 bedoelde gedraging van verweerder overweegt de Raad dat hij, ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek, tot taak heeft om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Ingevolge artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan: een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep.
Anders dan klager betoogt, betreft de beslissing om een sponsorverzoek al dan niet te honoreren geen handelen of nalaten van verweerder in de uitoefening van zijn beroep in de zin van de bepaling van de Statuten. Dat bij een dergelijke beslissing, naar klager stelt, afwegingen van journalistieke aard mede een rol kunnen spelen, is daarvoor niet voldoende. De Raad is derhalve niet bevoegd over deze gedraging te oordelen.

Voor zover de klacht is gericht tegen het artikel van 25 februari 2004, is deze ongegrond. Dat verweerder in dit artikel aandacht heeft besteed aan de kwestie in het algemeen en zijn onder 1 bedoelde gedraging in het bijzonder, levert geen grond op voor de conclusie dat hij daarmee journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. Ook overigens zijn omstandigheden gesteld noch gebleken die tot het oordeel leiden dat verweerder op dit punt grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

Voor zover de klacht is gericht tegen de beslissing van verweerder om een sponsorverzoek niet te honoreren is de Raad niet bevoegd daarover te oordelen. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Leeuwarder Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 29 juni 2004 door mr. R.W.L. Loeb, mw. F.W. Dresselhuys, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, prof. drs. E. van Thijn en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-52