2004/51 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

O.L.E. Jongmans

tegen

de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

Bij brief van 17 februari 2004 met twaalf bijlagen heeft O.L.E. Jongmans te Wateringen (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (verweerder). Vervolgens heeft klager zijn klacht nader toegelicht bij brief van 2 maart 2004. F.E. Jensma, hoofdredacteur, heeft op de klacht gereageerd in een brief van 9 maart 2004.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 april 2004 in aanwezigheid van klager, die zijn klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie.

DE FEITEN

Op 27 januari 2004 is in NRC Handelsblad in de rubriek ‘Opinie’ een artikel van prof.dr. B.M.S. van Praag verschenen onder de kop “Willen wij een gekozen lintenknipper?”.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat op 17 augustus 1999 een artikel van zijn hand in NRC Handelsblad is verschenen onder de kop “Burgemeester mag geen autocraat zijn” als reactie op een artikel van Jan Terlouw van 15 juli 1999. Volgens klager had zijn artikel dezelfde strekking als dat van Van Praag: het huidige burgemeestersambt omvat met name op het punt van de openbare orde elementen die zich niet verdragen met het gekozen doen worden van deze functionaris. Bovendien vertonen de publicaties ook overeenkomsten in aanleiding en opbouw.
Klager betoogt dat in de publicatie van 27 januari 2004 ten onrechte niet is gewezen op zijn eerdere publicatie. Het artikel van Van Praag kan volgens hem aldus doen vergeten dat hij de eerste was die bepaalde argumenten in de discussie over de gekozen burgemeester naar voren heeft gebracht, waardoor die argumenten ten onrechte aan Van Praag kunnen worden toegeschreven. Als bestuursrechtelijk geïnteresseerde is het klager er veel aan gelegen dat bepaalde argumenten, die hij graag zou terugzien in het publieke debat over de desbetreffende aangelegenheid, ook bekend zouden staan als door hem als eerste ingebracht. Volgens klager beschermt de Auteurswet zijn recht om bekend te zijn als degene die het desbetreffende argument in dit debat als eerste heeft geponeerd.
Verweerder heeft zich, volgens klager, door zijn handelwijze schuldig gemaakt aan plagiaat en heeft ten onrechte geweigerd om in de rubriek ‘Aanvullingen en correcties’ alsnog op de eerdere publicatie van klager te wijzen.

Verweerder stelt dat de opiniepagina een podium is voor discussie. Op die pagina brengen auteurs voor eigen rekening, op persoonlijke titel, hun meningen en argumentaties te berde. Het is niet te vermijden dat daarbij argumenten worden herhaald en redeneringen opnieuw naar voren worden gebracht. Evenmin is te vermijden dat een kwestie opnieuw opspeelt en een vroegere auteur ‘in de verlenging’ van het debat gelijk blijkt te krijgen. Als daarbij doelbewust de ene auteur het werk van de andere overschrijft met de bedoeling diens werk toe te eigenen en als het zijne te presenteren, zou sprake kunnen zijn van plagiaat. Klager maakt onvoldoende waar dat daarvan in dit geval sprake is geweest, aldus verweerder.
Hij heeft de indruk dat het klager gaat om de vraag, wiens publicatie in bestuurlijke kring wel en wiens publicatie niet zal worden opgemerkt. De opinie-redactie mag geacht worden een onpartijdige houding in te nemen in het publieke debat, in dit geval tussen medestanders. Het geschil tussen klager en Van Praag over het intellectuele eigendom van op de opiniepagina gepubliceerde argumenten behoeft niet door de redactie te worden beslist in de vorm van een bericht, rectificatie of aanvulling.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat het ter beoordeling van de (hoofd)redactie staat of een ingezonden opiniërend stuk wordt geplaatst of niet. Dat neemt niet weg dat plaatsing onder bijzondere omstandigheden kan leiden tot het oordeel dat de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is (vgl. De Graaf/Reckens en Nederlands Tijdschrift tegen de Kwakzalverij, RvdJ 2003/64). Van dergelijke omstandigheden is hier echter geen sprake.

Het standpunt van klager dat verweerder het artikel van Van Praag niet zonder verwijzing naar de eerdere publicatie van klager had mogen plaatsen, voert te ver. Een (hoofd)redactie behoeft niet aan de lezer kenbaar te maken dat de in een ingezonden stuk gebezigde argumenten of geponeerde stellingen mogelijk eerder door een ander zijn aangedragen c.q. ingenomen.

Klager had in een ingezonden brief te kennen kunnen geven dat de strekking van het artikel van Van Praag naar zijn mening overeenkwam met de strekking van zijn eerdere publicatie. Hij heeft dat niet gedaan. Verweerder heeft geen grenzen in hiervoor bedoelde zin overschreden, door klagers verzoek om rectificatie af te wijzen.

Ten overvloede overweegt de Raad dat het niet aan hem is om te beoordelen of auteursrechtelijke regels zijn overschreden.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 29 juni 2004 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mw. F.W. Dresselhuys, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, prof. drs. E. van Thijn en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-51