2004/45 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de vereniging De Evangelische Omroep en de hoofdredacteur van EO-TweeVandaag

Bij brief van 5 februari 2004 met negen bijlagen heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, namens X (klager) een klacht ingediend tegen de vereniging De Evangelische Omroep en de hoofdredacteur van EO-TweeVandaag (verweerders). Hierop heeft mr. G. Rietkerk, Hoofd Juridische Zaken en Mediabeleid van de Evangelische Omroep, geantwoord in een brief van 5 maart 2004 met acht bijlagen. Op verzoek van de Raad heeft hij tevens een aantal videobanden met de gewraakte uitzending meegezonden. Bij brief van 5 maart 2004 heeft mr. W.H. Jebbink nog twee bijlagen overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 26 maart 2004. Namens klager is daar mr. Jebbink verschenen, die het standpunt van klager heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Aan de zijde van verweerders hebben mr. Rietkerk en P. Beker, hoofdredacteur EO-TweeVandaag, het woord gevoerd.

DE FEITEN

Op 16 juli 2003 is in het tv-programma EO-TweeVandaag aandacht besteed aan het justitieel onderzoek inzake de moord op milieuambtenaar Chris van de Werken (hierna: de uitzending). De uitzending wordt ingeleid als volgt:
Vrijdag doet het Gerechtshof in Amsterdam uitspraak in het hoger beroep in de zaak X, de moordenaar van Pim Fortuyn. Al heel snel na zijn arrestatie op 6 mei vorig jaar kwam de vraag op of X ook betrokken was bij een tweede moordzaak, namelijk de moord op de Veluwse milieuambtenaar Chris van de Werken. Maar justitie liet al vrij snel weten dat X in deze zaak niet als verdachte beschouwd werd.
Uit onderzoek van TweeVandaag blijkt nu dat binnen het rechercheteam er wel de overtuiging leefde dat de moord op Van der Werken onderzocht moest worden. X zou toch betrokken zijn bij de moord op milieuambtenaar Chris Van de Werken. Het vreemde is echter dat X, ook na de moord op Fortuyn, nooit is gehoord over zijn mogelijke betrokkenheid bij deze tweede moordzaak. De reportage is van TweeVandaag-verslaggever Geertjan Lassche, met medewerking van Hendrik-Jan Korterink.

In de uitzending wordt een aantal personen aan het woord gelaten. Twee van hen zeggen over klager onder meer:
En dan denk je: het zal toch niet zo zijn dat hij ook Chris van de Werken, dat hij daarbij betrokken is geweest.
en
Het raasde gewoon door me heen. Dat ik eh, dan heeft hij ook Chris omgelegd. Dat kan haast niet anders.
Verder wordt door de commentaarstem onder meer het volgende meegedeeld:
De moord op Fortuyn roept de vraag op: Heeft X ook Van de Werken vermoord? Volgens justitie zijn er onvoldoende aanwijzingen om X als verdachte te zien. Maar uit gesprekken met het onderzoeksteam blijkt dat ook rechercheurs zelf X als mogelijke dader zien. Toch hebben ze hem na de 6e mei nooit kunnen ondervragen over deze nooit opgeloste moord.
en
Helemaal opmerkelijk omdat X de enige lijkt met een mogelijk motief.
en
X heeft verloren. De boeren kunnen weer uitbreiden. Een maand later wordt Chris van de Werken vermoord. Volgens de recherche ligt hier het motief voor de moord. TweeVandaag sprak met een rechercheur uit het onderzoeksteam. Hij zegt (voice-over) “Het moet met dat plan te maken hebben.” “Het was het enige confrontatiegebied rond Chris van de Werken. We hebben nergens andere ruzies kunnen vaststellen.” (einde voice-over)
en
Vraag is: als hij Chris heeft vermoord, waarom kocht hij dan een nieuw wapen? De rechercheur zegt (voice-over) “Een professionele moordenaar zal het nooit weer met hetzelfde wapen en dezelfde kogels doen.” (einde voice-over)
en
Na de moord op Fortuyn komt X dus opnieuw in beeld in de moordzaak Van de Werken, nu als mogelijke verdachte. Alhoewel er geen bewijzen worden gevonden blijft de recherche X als mogelijke dader zien. (voice-over) “Het gevoel gaat wel die kant op.” ”De moorden lijken op elkaar, allebei een keiharde liquidatie.” (einde voice-over)
en tot slot
Het Openbaar Ministerie in Zutphen heeft TweeVandaag officieel laten weten dat ze niet uitsluit dat X ook Chris van de Werken heeft vermoord.

Bij brief van 24 juli 2003 heeft klagers raadsman verweerders verzocht de uitzending te rectificeren. In zijn reactie van 30 juli 2003 heeft Rietkerk klagers raadsman onder meer meegedeeld: “Graag verneem ik uw reactie op beide feitelijke punten (...), zodat wij kunnen zien of er onverhoopt toch sprake was van onjuiste feiten. Als dat zo is, zijn wij bereid om te praten over een redelijke lengte en inhoud en een goede journalistieke vorm van een nadere uitzending.”. Verder contact tussen partijen heeft niet geleid tot een oplossing van de gerezen problemen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt – kort gezegd – dat in de uitzending ten onrechte en zonder feitelijke onderbouwing de suggestie is gewekt dat hij betrokken is geweest bij de gewelddadige dood van Van de Werken. Door een opsomming van allerlei onjuistheden en suggesties is een aan klager toegedicht motief voor de moord op Van de Werken geconstrueerd. Daarnaast is in de uitzending ten onrechte gesuggereerd dat hij betrokken is geweest bij allerlei andere ernstige strafbare feiten, zoals geweldpleging en brandstichting. Voor die beschuldigingen is geen grondslag vermeld.
Volgens klager wordt de beschuldiging van zijn betrokkenheid bij de moord op Van de Werken niet bevestigd door het standpunt van het openbaar ministerie. Dat standpunt is verdraaid weergegeven. Onjuist en suggestief is vermeld dat het openbaar ministerie niet uitsluit dat klager degene is geweest die Van de Werken om het leven heeft gebracht, aldus klager. De beschuldiging wordt evenmin bevestigd door wat de rechercheur van de politie Noord- en Oost-Gelderland tegen TweeVandaag heeft verteld. De gepubliceerde standpunten van de recherche zijn conclusies van TweeVandaag zelf, die zijn gegrond op andersluidende mededelingen van de rechercheur, aldus klager.
Hij wijst ter zake op een faxbericht van 17 juli 2003 van het openbaar ministerie te Zutphen aan zijn raadsman en op een brief van 15 januari 2004 van de plaatsvervangend korpschef van de politie Noord- en Oost Gelderland aan zijn raadsman. Ter ondersteuning van zijn standpunten wijst hij verder op het antwoord van 14 augustus 2003 van de Minister van Justitie op kamervragen betreffende het onderzoek naar de moord op Van de Werken en op het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 juli 2003 inzake zijn hoger beroep.
Samengevat stelt klager dat verweerders ten onrechte hebben nagelaten de door hen verkregen gegevens juist weer te geven, die gegevens voorafgaand aan de publicatie deugdelijk te onderzoeken en die gegevens te wegen en te toetsen, ten einde ervoor zorg te dragen dat het gepubliceerde beeld geen onrecht doet aan hem. Bovendien hebben verweerders ten onrechte nagelaten wederhoor toe te passen door hem noch zijn raadslieden voorafgaand aan de uitzending om een reactie te vragen op de daarin te uiten beschuldigingen en andere beweringen.
Klager concludeert dat sprake is van onzorgvuldige, onjuiste en onevenwichtige berichtgeving, doordat de aan zijn adres geuite ernstige beschuldigingen niet deugdelijk zijn onderbouwd en geen wederhoor is toegepast.

Verweerders stellen voorop dat klager in zijn klacht niet-ontvankelijk is. Enerzijds zijn verweerders door tijdsverloop bemoeilijkt in hun verweer, nu de correspondentie tussen partijen liep tot 18 augustus 2003 en gelet op de inhoud van die correspondentie alle aanleiding bestond voor de veronderstelling dat de zaak geen verder vervolg zou krijgen. Om die reden hebben verweerders niet alle aantekeningen, kopieën en e-mailcorrespondentie bewaard. Anderzijds heeft klager zijn recht verwerkt doordat hij zich ten tijde van de indiening van de klacht in de pers onheus over verweerders heeft uitgelaten, aldus verweerders. Zij menen voorts dat het belang van klager in deze procedure is gelegen in het niet opnieuw/verder onderzoeken door politie en justitie, hetgeen in het licht van de maatschappelijke functie van de Raad geen gerechtvaardigd belang is.
Verder stellen verweerders dat de vereniging De Evangelische Omroep geen journalist is in de zin van de statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek. Voor zover de klacht is gericht tegen de hoofdredacteur van EO-TweeVandaag stellen verweerders dat Beker formeel eindverantwoordelijk voor de inhoud van EO-TweeVandaag, maar dat hij ten tijde van het filmen, schrijven, monteren en uitzenden van het onderhavige programma afwezig was. Verweerders vragen zich af of de ‘politieke’ verantwoordelijkheid van de hoofdredacteur gezien moet worden als een journalistieke gedraging als bedoeld in de statuten.
Vervolgens schetsen verweerders de achtergrond van de totstandkoming van de uitzending. Hun bedoeling was niet om te bewijzen dat klager een tweede moord heeft gepleegd. Zij wilden meer inzicht verwerven in de onrust over het niet-opgelost zijn van de zaak-Van de Werken en het beleid van justitie in die zaak. Dat hebben zij gedaan door de dwarsverbanden tussen klager en Van de Werken nader te onderzoeken en te kijken naar het beleid van justitie. Volgens verweerders is dat vanuit journalistiek oogpunt een volstrekt legitieme vraagstelling over een onderwerp met een groot maatschappelijk belang.
Verweerders stellen verder dat de uitzending moet worden gezien in de context van alle publiciteit in deze zaak. Zij wijzen erop dat slechts in twee van zestien publicaties die zij hebben geselecteerd sprake is van vragen om wederdoor en dat in beide gevallen de uitkomst is: “geen commentaar”. Tegen al die andere publiciteit heeft klager niet opgetreden, aldus verweerders.
Zij stellen voorts dat er omtrent het gebruik van het woord ‘verdachte’ begripsverwarring bestaat tussen de strikt juridische betekenis en de betekenis in het dagelijkse spraakgebruik. Klager is geen ‘verdachte’ (geweest) in strafvorderlijke zin. Echter, in de periode van mei tot november 2002 hebben zes tot acht rechercheurs manjaren geïnvesteerd in het vinden van een verband tussen klager en de moord op Van de Werken. Voor een dergelijke investering moet een goede reden bestaan. Het is journalistiek niet onoorbaar om klager in dat geval – in gangbaar spraakgebruik – ‘verdachte’ te noemen, hetgeen overigens niet door verweerders zelf maar door bronnen is gebeurd. Verder heeft klager een bovenmatige gevoeligheid voor het noemen van feiten die bij elkaar een zeer aannemelijk motief vormen en als er wordt gesproken over de gedachten in het onderzoeksteam. Volgens verweerders zijn er allerlei feiten die wijzen in de richting van mogelijke betrokkenheid van klager bij de moord op Van de Werken, waaronder de feiten als opgenomen in de uitzending. Overigens bevat de uitzending niet zo zeer beschuldigingen aan het adres van klager, maar aan het adres van justitie, te weten dat justitie de moord op Van de Werken onvoldoende heeft onderzocht. Verder is er sprake van een correcte weergave van feiten en meningen van bronnen. Tenslotte is nergens gezegd dat klager Van de Werken heeft vermoord, er is keurig gewerkt met voor dit soort situaties gebruikelijke termen als ‘zou’ en ‘mogelijk’. In de uitzending is twee keer duidelijk het standpunt van het openbaar ministerie vermeld dat klager in de zaak Van de Werken geen verdachte was en is. Dat het openbaar ministerie niet uitsluit dat klager betrokken is bij de moord op Van de Werken blijkt uit de door klager overgelegde brief van het openbaar ministerie van 17 juli 2003 en uit een brief van het openbaar ministerie van 8 juli 2003. Dat standpunt is een keer in de uitzending terug te vinden. Met de vermelding van het standpunt van het openbaar ministerie is dus niets mis, aldus verweerders.
Wat betreft het niet-toepassen van wederhoor stellen verweerders dat wederhoor als journalistieke norm een hoofdregel met uitzonderingen is. Wederhoor is een van de methoden om te komen tot de meest juiste publicatie. Een alternatief voor wederhoor is het doen van nader onderzoek, hetgeen hier is gebeurd. Er is maanden onderzoek gestoken in het leggen van contacten, het voeren van gesprekken, het bestuderen van stukken en het doen van navraag bij het openbaar ministerie. Daarbij komt, dat verweerders de diverse uitspraken over het gevoelen binnen het rechercheteam niet voor eigen rekening hebben genomen en dat voor een groot deel van de uitzending sprake was van een samenvatting van eerder gepubliceerde feiten, ter zake waarvan het toepassen van wederhoor niet verplicht was. Bovendien was wederhoor zinloos nu slechts een weigering om commentaar te leveren verwacht mocht worden, mede in verband met de ophanden zijnde uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam.
Verweerders wijzen er nog op dat klager nimmer heeft gevraagd om wederhoor. Bovendien heeft Rietkerk in zijn brief van 30 juli 2003 expliciet aangegeven dat klaarblijkelijk onjuiste feiten in een nadere uitzending gecorrigeerd konden worden. Verder is klagers raadsman uitgenodigd mee te werken aan een uitzending van EO-TweeVandaag op 18 juli 2003, over het hoger beroep van klager. Het was de bedoeling in die uitzending ook de reactie van klagers raadsman te krijgen op de uitzending van 16 juli 2003. Van die mogelijkheid is echter geen gebruik gemaakt.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Het Reglement van de Raad kent geen termijn, waarbinnen een klacht op straffe van niet-ontvankelijkheid moet zijn ingediend. Het is niet aan de Raad bij wijze van algemene regel zodanige termijn te stellen.
Soms kan in verband met tijdsverloop het ingevolge artikel 2 lid 2 onder d van het Reglement vereiste rechtstreeks belang van een klager bij een oordeel van de Raad zijn komen te ontbreken of belemmert tijdsverloop een juiste beoordeling van de klacht. In beide gevallen blijft een oordeel over de klacht achterwege.

Van die situatie is hier geen sprake. Verweerders hebben gesteld dat zij door het tijdsverloop zijn bemoeilijkt in hun verweer omdat zij bepaalde stukken waaronder (e-mail)correspondentie niet hebben bewaard. Gelet op het onderhavige tijdsverloop dient zulks echter voor rekening van verweerders te komen. Naar de Raad tijdens de behandeling van de klacht is gebleken, heeft het tijdsverloop verweerders niet dusdanig belemmerd dat klager om die reden niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Voorts bestaat geen grond om te concluderen dat klager geen belang meer heeft bij een oordeel van de Raad (vgl. onder meer Amzand tegen Van Engelen en Het Parool, RvdJ 2004/36).

Klager wordt in de uitzending genoemd. Aldus is zijn belang direct betrokken bij die uitzending en is hij door die uitzending persoonlijk in zijn belang geraakt, zodat klager ‘rechtstreeks belanghebbende’ is in de zin van het Reglement van de Raad. Dat klager mogelijk ook een ander belang heeft, zoals verweerders hebben gesteld, kan daaraan niet afdoen.

Verweerders hebben zich verder op het standpunt gesteld dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht, omdat hij zijn recht heeft verwerkt. Dit standpunt betreft echter een norm die niet door de Raad wordt gehanteerd.

Klager is derhalve in zijn klacht ontvankelijk.

BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID

Krachtens artikel 4 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek wordt, voor zover hier van belang, onder journalistieke gedraging verstaan: ‘een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep’.
Hieronder moet (mede) worden begrepen het dragen van de eindverantwoordelijkheid voor de inhoud van een journalistiek product door een hoofdredacteur.

In artikel 4 lid 2 van de Statuten is bepaald dat onder journalist wordt verstaan: ‘degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van publiciteitsmedia, waaronder (...) programma's die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard (...)’.
De Raad verstaat hieronder ook de organisatie die zorgt draagt voor de totstandkoming en/of openbaarmaking van een hiervoor bedoeld journalistiek programma.

De Raad is derhalve bevoegd over de klacht te oordelen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht behelst de volgende onderdelen:
1. het op suggestieve wijze presenteren van feiten en meningen, waardoor de indruk wordt gewekt dat klager betrokken is bij de moord op milieuambtenaar Van de Werken;
2. het niet-toepassen van wederhoor.

Verweerders hebben gesteld dat zij met de uitzending hebben beoogd het beleid van justitie in de zaak-Van de Werken aan de kaak te stellen en dat zij in dat verband hebben willen duidelijk maken dat ten onrechte klager (nog) niet in dat onderzoek is betrokken. Dit is op zichzelf maatschappelijk relevant en journalistiek geboden. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen (vgl. onder meer NS Groep/Croonenberg, Smit en HP/De Tijd, RvdJ 2003/22).
De Raad is echter van mening dat verweerders door de vormgeving – de wijze van presenteren van feiten en meningen in combinatie met de montage van de beelden, waarbij ook klager in beeld is gebracht – de uitzending te zeer hebben toegespitst op de mogelijke betrokkenheid van klager bij de moord op Van de Werken. De conclusies – hetzij verwoord door bronnen dan wel door de commentaarstem – wijzen uitsluitend in de richting van klager, andere verdachten in de zaak-Van de Werken worden min of meer uitgesloten. Door de wijze waarop de uitzending in zijn geheel is vorm gegeven kan de kijker zich aldus moeilijk aan de indruk onttrekken dat klager betrokken moet zijn geweest bij de moord op Van de Werken. Voor een dergelijke zeer ernstige beschuldiging aan het adres van klager is bij uitstek een deugdelijke grondslag vereist, maar die ontbreekt hier. Onderdeel 1 van de klacht is derhalve gegrond.

Volgens het vaste oordeel van de Raad moet een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. Dat de beschuldigingen zouden zijn geuit door een geïnterviewde, maakt dat niet anders.
Verweerders hadden de beschuldiging derhalve in elk geval niet mogen publiceren, zonder vooraf klager of diens raadsman in de gelegenheid te stellen daarop commentaar te geven. Vaststaat dat dit niet is gebeurd. Verweerders hebben aangevoerd dat zij geen wederhoor hebben toegepast, omdat dat naar hun mening zinloos was. Echter, de enkele veronderstelling dat van klager geen inhoudelijke reactie te verwachten was, rechtvaardigt in dit geval niet dat verweerders zelfs geen poging hebben ondernomen om wederhoor toe te passen. Ook overigens zijn geen omstandigheden gebleken, die de handelwijze van verweerders zouden kunnen rechtvaardigen. Ook onderdeel 2 van de klacht is gegrond.

(vgl. onder meer: Hingst/Van den Heuvel, RvdJ 2003/21 en Van der Veen/Middelburg en Het Parool, RvdJ 2000/13).

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van EO-TweeVandaag.

Aldus vastgesteld door de Raad op 15 juni 2004 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-45