2004/44 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad

Bij brief van 26 januari 2004 met een bijlage heeft X (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad (verweerder). Vervolgens heeft klager op 3 februari 2004 nog een bijlage en bij brief van 16 februari 2004 nog drie bijlagen overgelegd, bij brief van 5 maart 2004 met een bijlage zijn klacht nog nader toegelicht, en op 17 maart 2004 nog twee bijlagen overgelegd. Verweerder heeft niet inhoudelijk op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 26 maart 2004 in aanwezigheid van klager, die daar nog een stuk heeft overgelegd.

DE FEITEN

Op 8 december 1999 is in het Eindhovens Dagblad een artikel met de kop “Patiënt eist inzage, psychiater wil geld terug” verschenen. Daarin is aandacht besteed aan een rechtszaak tussen klager, de bedoelde psychiater, en een ex-patiënt over inzage van zijn medisch dossier en daaraan gekoppelde dwangsommen. Volgens het artikel heeft klager in kort geding geëist dat de ex-patiënt reeds ontvangen dwangsommen retourneert en dat het vorderen van verdere dwangsommen wordt gestaakt. Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
Volgens de arts dreigt voor hem een faillissement door de ‘absurde’ dwangsommen. Mr. Verberne (de advocaat van de patiënt) bestrijdt dit omdat hij bij de beslaglegging van ’s mans bankrekening een rijkelijk gevulde effectendepot zegt te hebben aangetroffen.

Voorts is op 9 november 2002 in het Eindhovens Dagblad een artikel verschenen met de kop “Klacht inspectie tegen Eindhovense psychiater”. Dit artikel gaat over een klacht die de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege tegen klager.

HET STANDPUNT VAN KLAGER

Klager stelt – kort samengevat – dat verweerder eenzijdig negatief over hem publiceert en geen aandacht besteedt aan positieve aspecten van de procedures waarin klager is verwikkeld, zoals een advies van de advocaat-generaal aan de Hoge Raad. Desgevraagd deelt klager ter zitting mee dat de Hoge Raad zijn zaak voor verdere afdoening heeft terugverwezen naar het Hof, en dat het Hof nog geen uitspraak heeft gedaan. Ook de zaak bij het Centraal Medisch Tuchtcollege is nog niet afgerond, aldus klager.
Verder stelt klager dat zijn privacy is geschonden, omdat in het artikel van 8 december 1999 wordt vermeld dat hij volgens mr. Verberne een ‘rijkelijk gevuld effectendepot’ heeft. Volgens klager is hij destijds met mr. Verberne overeengekomen, dat mr. Verberne deze uitlating zou rectificeren. Niettemin heeft geen rectificatie in het Eindhovens Dagblad plaatsgevonden, aldus klager.
Hij betoogt dat sprake is van onjuiste, subjectieve berichtgeving ten gevolge waarvan hij schade lijdt.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klager maakt met name bezwaar tegen de wijze waarop verweerder aandacht besteedt aan de juridische procedures waarin klager verwikkeld is. Volgens klager doet verweerder dit op een eenzijdige, subjectieve en daardoor onzorgvuldige wijze.

De Raad stelt voorop dat verweerder vrij is in zijn selectie van nieuws. Bovendien is, volgens het vaste oordeel van de Raad, in het kader van verslaggeving over rechtszaken niet ontoelaatbaar dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. Voorts is in het kader van verslaggeving betreffende terechtzittingen de regel van hoor en wederhoor in beginsel niet aan de orde (vgl. onder meer Braat tegen Legerkoerier, RvdJ 2004/01, Van Wolde tegen De Haarlemmer, RvdJ 2004/18 en X tegen Zwolse Courant, RvdJ 2003/33).

Niet is gebleken dat verweerder zó eenzijdig over klager heeft bericht, dat hij daardoor klager (opzettelijk) heeft benadeeld. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat in de procedures die volgens klager zullen leiden tot voor hem positieve uitspraken nog geen eindoordeel is gegeven. Anders dan klager meent, behoeft verweerder geen aandacht te besteden aan de stappen die klager in zijn procedures zet, zoals in het instellen van hoger beroep. Evenmin behoeft verweerder aandacht te besteden aan adviezen die in die procedures worden uitgebracht, zoals die van de advocaat-generaal. De klacht is op dit onderdeel ongegrond.

Ook voor zover de klacht betrekking heeft op de vermelding dat ‘mr. Verberne bij de beslaglegging van ’s mans bankrekening een rijkelijk gevulde effectendepot zegt te hebben aangetroffen’ is deze ongegrond. De uitlating over klagers financiële situatie is voor rekening van mr. Verberne gelaten en is bovendien relevant in het kader van het bericht. Dat gaat immers over een procedure die klager heeft aangespannen omdat hij naar zijn zeggen financieel niet in staat is de vorderingen van de ex-patiënt te voldoen.

Alles overziend is de Raad derhalve van oordeel dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Eindhovens Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 3 juni 2004 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. E.J.M. Lamers, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-44