2004/43 onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

I. Lovas

tegen

de hoofdredacteur van het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP)
en de hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad

Bij brief van 25 januari 2004 met een bijlage heeft I. Lovas te Bicske, Hongarije (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Algemeen Nederlands Persbureau en de hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad (verweerders). R. de Spa, hoofdredacteur van het ANP, heeft op de klacht gereageerd in een brief van 10 februari 2004 met als bijlage het verweer van S.J. Bos, ANP-correspondent in Hongarije. P.A. Bergwerff, hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad, heeft bij brief van 19 februari 2002 met drie bijlagen op de klacht gereageerd. Klager heeft op de verweerschriften gerepliceerd in twee onderscheidenlijke brieven van 9 maart 2004. Vervolgens heeft klager nog een bijlage overgelegd, die door de Raad op 18 maart 2004 is ontvangen. Bos heeft zijn standpunt nog toegelicht in een schrijven van 22 maart 2004 met een bijlage. Daarop heeft klager ten slotte nog gereageerd in een brief van 24 maart 2004.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 26 maart 2004 in aanwezigheid van De Spa en Z. Bekefi, verslaggeefster van de Hungarian HIR Television in Nederland.

DE FEITEN

Op 14 januari 2004 is in het Nederlands Dagblad een artikel verschenen onder de kop “Zorgen over antisemitisme Hongarije”. De intro van het artikel luidt:
De Israëlische ambassade in Boedapest heeft dinsdag geschokt gereageerd op een rechtse demonstratie in de Hongaarse hoofdstad, waarbij deelnemers de Israëlische vlag verbrandden en antisemitische leuzen riepen.
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passage:
In een anti-joodse toespraak hield de ultrarechtse commentator Istvan Lovas zijn gehoor voor dat ,,de minderheid die de Hongaarse natie en het christendom haat” al vijf decennia de meerderheid in de greep houdt en vecht voor ,,de totale controle over nationale bronnen”. Lovas verwees daarbij naar het volgens hem joodse communistische regime.
Het artikel is gebaseerd op een nagenoeg gelijkluidend bericht dat door het ANP is verspreid.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt – kort gezegd – dat het artikel kennelijk als enig doel heeft te bewijzen dat de Hongaarse oppositie antisemitisch is. Daarom wordt hij in het artikel aangeduid als ‘ultrarechtse commentator’, terwijl volgens klager verweerders nog nooit een Hongaarse journalist als ‘extreem links’ hebben aangeduid. Verder is ten onrechte in het artikel vermeld dat hij een ‘anti-joodse’ toespraak heeft gehouden en dat hij heeft verwezen naar ‘het volgens hem joodse communistische regime’, aldus klager. Hij wijst erop dat de Israëlische vlag is verbrand na afloop van de demonstratie.
Om zijn standpunten te staven heeft klager zijn originele Hongaarse toespraak overgelegd.

Volgens De Spa gaat de berichtgeving over het nieuwsfeit dat de Israëlische ambassade haar beklag heeft gedaan over de demonstratie. De toespraak van Lovas wordt in de vijfde alinea van het bericht ter adstruering genoemd. In het bericht is de teneur van de demonstratie neergezet. Het was een versluierend geheel, waarin geen directe leuzen tegen joden of de staat Israël zijn geroepen. Het bericht moet worden beoordeeld in het licht van de Hongaarse samenleving. Zo is op de foto van de demonstratie bijvoorbeeld geen vlag met hakenkruis te zien, maar wel een vlag die in de Tweede Wereldoorlog in Hongarije het symbool van fascisten was. Het gaat hier om uitlatingen die door een goede verstaander worden herkend als anti-semitisch. Bos heeft in zijn bericht een ‘vertaalslag’ gemaakt en zijn interpretatie van de uitlatingen verwoord, teneinde de Nederlandse lezer in staat te stellen de reactie van de Israëlische ambassade te begrijpen. Overigens komt het voor dat het ANP personen kwalificeert als ‘extreem links’.

Bos stelt dat hij in zijn verslag voor het ANP alleen heeft weergegeven hoe klager in Hongarije wordt ervaren. De term ‘ultrarechtse commentator’ baseert hij op uitspraken en activiteiten van klager zelf, die in woord en geschrift talrijke uitlatingen heeft gedaan die moeilijk ‘extreem links’ genoemd kunnen worden. Bos kon de uitlatingen van klager niet anders omschrijven dan als ‘anti-joods’ tijdens de mede door klagers aanhangers georganiseerde betoging waar met Hongaarse nazi-vlaggen werd gezwaaid. Volgens Bos werd de Joodse vlag tijdens de demonstratie verbrand en niet na afloop. De toespraak van klager was geheel in lijn met talrijke anti-joodse publicaties en commentaren van zijn hand, aldus Bos. Ter ondersteuning van zijn standpunten wijst Bos op diverse bronnen die hij heeft geraadpleegd, waaronder publicaties van BBC Monitoring.

Bergwerff stelt dat het ANP alom bekend staat om zijn objectieve berichtgeving en de zorgvuldigheid waarmee het te werk gaat. Er is voor hem dan ook geen reden om de ANP-berichten anders dan marginaal te toetsen, hetgeen ook in dit geval is gebeurd. Daar komt bij dat een willekeurige blik op relevante internetpagina’s niet tot een andersluidende conclusie leidt dan Bos heeft getrokken, aldus Bergwerff. Hij wijst in dat verband op twee publicaties van het Stephen Roth Institute van de Tel Aviv University over anti-semitisme en racisme, en op een publicatie van de Central Europe Review getiteld “Jewish Life in Hungary, Part Two”. Voor het overige sluit Bergwerff zich aan bij het verweer van het ANP/Bos.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht is dat klager ten onrechte als ‘ultrarechtse commentator’ is aangeduid en dat ten onrechte in het artikel is vermeld dat hij een ‘anti-joodse’ toespraak heeft gehouden. De standpunten van partijen ter zake staan lijnrecht tegenover elkaar.

Bij zijn beraadslagingen over een oordeel met betrekking tot deze kwalificaties is de Raad tot het inzicht gekomen dat de behandeling van het klaagschrift en het ten aanzien daarvan gevoerde verweer niet met de vereiste grondigheid kan geschieden.

De Raad heeft geen kennis kunnen nemen van de precieze tekst van de omstreden toespraak, omdat deze hem door klager niet in een Nederlandse of voor hem anderszins toegankelijke vertaling ter beschikking is gesteld. Voorts is voor een gefundeerd oordeel bredere kennis van de (politieke) situatie in Hongarije nodig dan waarover de Raad beschikt. Een en ander acht de Raad voor zijn oordeelvorming essentieel.

Op grond van artikel 9 lid 3 van het Reglement van de Raad voor de Journalistiek onthoudt de Raad zich daarom van een oordeel over de onderhavige klacht.

BESLISSING

De Raad onthoudt zich van een oordeel.

Aldus vastgesteld door de Raad op 3 juni 2004 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. E.J.M. Lamers, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-43