2004/42 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

ir. P. Kieft

tegen

F. Siddiqui en de hoofdredacteur van Vrij Nederland

Bij brief van 20 januari 2004 met vier bijlagen heeft ir. P. Kieft te De Meern (klager) een klacht ingediend tegen F. Siddiqui en de hoofdredacteur van Vrij Nederland (verweerders). Siddiqui heeft op de klacht geantwoord in een brief van 10 februari 2004. Daarop heeft klager gerepliceerd in een schrijven van 8 maart 2004 met een bijlage. Ten slotte heeft Siddiqui op die repliek gereageerd bij brief van 24 maart 2004.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 26 maart 2004 in aanwezigheid van klager, die zijn klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie en zich liet vergezellen door R. Wester, directeur Communicatie van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Aan de zijde van verweerders zijn Siddiqui en J.J. Heij, adjunct-hoofdredacteur, verschenen.

DE FEITEN

Op 7 december 2002 is in Vrij Nederland een artikel van de hand van Siddiqui verschenen onder de kop “Fraude en bedrog – Hoe politici, ambtenaren en bouwers elkaar de hand boven het hoofd houden”. De intro van het artikel luidt:
De parlementaire enquêtecommissie-Bouwnijverheid moet op 12 december uitsluitsel geven over de aard en omvang van fraude en corruptie in de bouw. Intrigerender nog dan de hoeveelheid belastinggeld die is verdwenen en wie daar schuld aan heeft, is de vraag hoe een misstand van deze omvang zo lang kon worden verzwegen. Anatomie van een Nederlandse ‘omerta’.
Klager wordt in het artikel genoemd in de volgende passages:
a.“Ook heeft Bos verklaard meerdere keren te hebben gezien dat Koop enveloppen met geld overhandigde aan een directeur van Rijkswaterstaat in Noord-Holland, (X), die inmiddels wordt vervolgd. Bos gaf de man ook zelf eenmaal een envelop met vijfduizend gulden. Tegen diens toenmalige baas Peter Kieft, destijds hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat in Noord-Holland zijn tijdens de enquête ook – onbewezen – verdenkingen geuit.
Kieft werd in 1997 gepromoveerd tot hoofd aanbestedingen op het ministerie in Den Haag, tweede man en rechterhand van de hoogste baas van Rijkswaterstaat, Harry Prins. Prins vertelde tijdens zijn verhoor dat Kieft in oktober 2001 een gesprek regelde tussen Henk Koop en Netelenbos, waarna Netelenbos concludeerde dat Ad Bos een ‘gefrustreerde werknemer’ was en de schaduwboekhouding een verzinsel.
Volgens Bos circuleerde er bij de firma Koop een lijst van ‘platte’ ambtenaren die zo’n zestig namen bevatte. Overheidsdienaren die bijvoorbeeld wel bereid waren om het door de overheid geraamde bedrag voor een bouwproject te noemen, zodat de bouwers hun prijs daarop – en niet op de werkelijke kosten – konden afstemmen. Om welke ambtenaren het gaat is – officieel – nog steeds niet bekend, maar er worden namen genoemd tot in de top van Rijkswaterstaat. (...)

en
b. “En hoe moeten de goede contacten van Veerman en Koop met het ‘aannemersvriendelijke Rijkswaterstaat Noord-Holland worden gezien? Hoe amicaal was de relatie tussen de voormalige ambtelijke baas daar, Peter Kieft, en Henk Koop? Gingen die contacten door, toen deze ambtenaar promoveerde tot hoofd aanbestedingen op het ministerie in Den Haag? Hadden minister Jorritsma en Henk Koop het op hun gezamenlijke wintersportvakantie alleen over koetjes en kalfjes? Is er mogelijk een verband tussen deze contacten en de opdracht voor de beruchte HSL-tunnel onder het Groene Hart, ter waarde van een miljard gulden, die in 1999 aan Koop Tjuchem en het Franse concern Bouygues werd gegund? Waarom werd de tunnel onderhands gegund, en niet openbaar aanbesteed? Dat zijn pikante politieke vragen geworden, waar de enquête helaas iets te kort voor duurde.

Bij brief van 8 december 2002 heeft klager zijn bezwaren tegen het artikel kenbaar gemaakt aan verweerders en zijn abonnement op Vrij Nederland opgezegd per 1 januari 2003, tenzij verweerders hem zouden rehabiliteren. In een e-mail van 28 augustus 2003 heeft klager verweerders laten weten teleurgesteld te zijn dat hij, gezien het feit dat hij bijna 40 jaar op Vrij Nederland geabonneerd is geweest, geen reactie op zijn brief heeft ontvangen. Vervolgens heeft klager op 5 oktober 2003 in een e-mail aan verweerders het volgende bericht:
Naar aanleiding van onderstaande mail (van 28 augustus 2003) belde u mij op 5 september met de mededeling dat u mijn brief nooit onder ogen had gekregen. Op uw verzoek heb ik deze meteen na ons telefoongesprek aan u gefaxt op nummer (...) U meldde toen dat u, door dat meteen te doen, hem ook persoonlijk onder ogen zou krijgen omdat u dan nog op kantoor zou zijn. Na het faxen van de brief heb ik niets meer vernomen. Vandaar deze reminder!
Ten slotte heeft klager op 5 januari 2004 een laatste schriftelijke poging ondernomen om met verweerders in contact te komen om de kwestie te bespreken. In deze brief deelt hij mee tevergeefs diverse telefonische pogingen te hebben ondernomen om verweerders te spreken, zowel direct als indirect via voornoemde Wester. Verweerders hebben niet op die brief gereageerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de beweringen over hem in zodanige bewoordingen zijn gedaan en in een zodanige context zijn geplaatst dat de lezer daaruit wel de conclusie moet trekken dat hij op de hoogte was van onoorbare praktijken, dan wel daaraan deelnam en in ieder geval daar – als hoogste baas – niets tegen deed. Dit is echter niet juist. In het artikel is dus ten onrechte de indruk gewekt dat hij ‘niet deugde’, aldus klager.
Ter toelichting en staving van zijn standpunten wijst klager op diverse onjuistheden in beide passages. Zo is volgens hem de zinsnede “Tegen (...) Peter Kieft (...) zijn tijdens de enquête ook – onbewezen – verdenkingen geuit.” een onjuiste interpretatie van hetgeen de heer Swart in zijn verhoor voor de enquêtecommissie heeft gezegd. In het verhoor heeft Swart een aantal uitspraken over vermeende voor hem onwelgevallige handelingen van klager gedaan, maar hij heeft geen uitspraken gedaan als in het artikel wordt gesuggereerd. De letterlijke passages van het verhoor van Swart waarin klager wordt genoemd zijn te vinden in deel 2 van het rapport van de enquêtecommissie. Kort na het verhoor van Swart heeft de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (hierna: het ministerie) de enquêtecommissie verzocht klager te horen teneinde wederhoor toe te passen ten aanzien van de door Swart aan het adres van klager geuite beschuldigingen. De voorzitter en vice-voorzitter van de enquêtecommissie hebben klager vervolgens laten weten dat zij geen redenen hadden hem van iets te verdenken. De commissie achtte het niet haar taak hoor en wederhoor toe te passen, maar uitsluitend om een compleet beeld te schetsen over de structuurkenmerken van de bouwsector. De commissie vond het niet nodig klager in dat verband te horen. Klager werd voorts meegedeeld dat de commissie de verhalen van (onder andere) Swart niet zonder meer heeft overgenomen. Volgens klager is hetgeen Swart heeft beweerd voor het merendeel feitelijk onjuist, hetgeen blijkt uit originele documenten. Klager wijst er nog op dat het artikel is verschenen 3,5 maand na het verhoor van Swart en een week vóór het eindrapport van de enquêtecommissie.
Voorts stelt klager dat Siddiqui geen enkele poging heeft ondernomen om voor publicatie feiten te checken en wederhoor toe te passen, aldus klager. Weliswaar deed het ministerie geen mededelingen over vijf geschorste ambtenaren, maar er was geen totale mediastilte. Het verkrijgen van contact met of informatie over andere ambtenaren was niet onmogelijk. Het ministerie is binnen de grenzen van een parlementaire enquête zo transparant mogelijk omgegaan met de media. Via de Directie Communicatie kon contact met klager worden opgenomen. Hij heeft bijvoorbeeld in augustus 2002 een achtergrondgesprek gehad met een verslaggever van de Volkskrant. Voor zover klager bekend, heeft Siddiqui geen verzoek voor een gesprek met hem ingediend.
Klager betoogt dat door de onzorgvuldige handelwijze van verweerders zijn naam in het artikel op suggestieve wijze in diskrediet is gebracht en dat hij door de publicatie in zijn integriteit is aangetast.

Siddiqui stelt dat passage a. is gebaseerd op een aantal letterlijke getuigenissen. De gegevens betreffende de functie van klager heeft hij gecheckt. Voor het noemen van deze (combinatie) van feiten had hij een aantal redenen, onder meer dat klager in de genoemde periode hoofd was van Rijkswaterstaat Noord-Holland en derhalve verantwoordelijk was voor hetgeen binnen zijn dienst gebeurde. Gezien de vele onregelmatigheden bij aanbestedingen in Noord-Holland was de overstap van klager naar Rijkswaterstaat Den Haag, als hoofd directe uitvoering (van aanbestedingen), relevant om uit te diepen. En nog belangrijker was de rol die klager speelde in de affaire rond de schaduwboekhouding van Ad Bos/Koop, aldus Siddiqui. Hij wijst in dat verband op een aantal feiten die hij aantrof tijdens zijn journalistieke onderzoek en die hem gewichtig genoeg leken om in het artikel te verwerken. Siddiqui achtte die feiten – die naar voren zijn gekomen uit vele, naar zijn oordeel voldoende deugdelijke en openbare bronnen – ‘hard genoeg’. Overigens is bij de gegevens afkomstig uit het verhoor van Swart vermeld dat deze onbewezen waren.
Siddiqui kan zich verder goed voorstellen dat klager moeite heeft met passage b. Volgens Siddiqui staat het een journalist echter vrij vragen te stellen, als hij meent dat die in het algemeen belang gesteld moeten worden. Hij heeft in deze passage aan de orde willen stellen dat ambtenaren tijdens de enquête een bijzondere positie hadden. De enquête strekte zich om diverse redenen niet uit tot het (uitvoerende) ambtelijke domein. Ook klager is niet opgeroepen door de enquêtecommissie en hij heeft dus, zoals alle rechtstreeks betrokken ambtenaren, niet in het openbaar verantwoording hoeven afleggen over zaken die hem in deze affaire zijn verweten. Dit leek Siddiqui strijdig met het belang van waarheidsvinding. Hij acht het mogelijk dat door het niet openbaar horen van betrokken ambtenaren politieke reputaties werden en worden beschermd. Om overtuigend te laten zien dat de enquête daarvoor aanwijzingen opleverde, moest hij man en paard noemen. Volgens Siddiqui is dit een domein van journalistiek waar het journalisten is toegestaan vragen te stellen bij de werking van overheidsinstituties zonder dat daarvoor volledig juridisch bewijs geleverd dient te worden. De journalist bedient zich daarbij soms van inside-informatie, die niet als directe bron kan worden gebruikt, maar wel licht werpt op mogelijke misstanden die verborgen blijven doordat de institutionele gang van zaken betrokkenen in staat stelt buiten beeld te blijven, aldus Siddiqui.
Hij stelt verder dat het toepassen van wederhoor in dit geval niet noodzakelijk was, omdat het analyserende artikel is gebaseerd op reeds bekende en algemeen beschikbare bronnen, te weten de openbare verhoren van vijf getuigen voor de enquêtecommissie. Bovendien was er sprake van een algehele afscherming van mogelijk betrokken ambtenaren van de openbaarheid. Siddiqui heeft contact opgenomen met de dienst voorlichting van het ministerie, maar die deed geen mededelingen over de mogelijke betrokkenheid van ambtenaren en wees verzoeken om met individuele rijksambtenaren te kunnen spreken stelselmatig af. Het feit dat bij navraag de lijst van geschorste ambtenaren niet werd vrijgegeven, heeft bij Siddiqui geleid tot de veronderstelling dat bij aanbesteding betrokken ambtenaren de media niet te woord zouden (mogen) staan. Hij erkent dat hij niet expliciet heeft gevraagd om een interview of gesprek met klager. Dat door de voorlichting van het ministerie transparantie werd betracht ‘binnen de grenzen van de parlementaire enquête’ is juist in tegenspraak met transparantie over de rol van de overheid, aldus Siddiqui.
Wat hem restte was het checken van feitelijke gegevens over de achtereenvolgende functies van klager, hetgeen hij heeft gedaan. Overigens is in passage b. door de vragende vorm geen sprake van concrete feiten of beschuldigingen ten laste van klager. Omwille van de zorgvuldigheid heeft Siddiqui de lezer duidelijk gemaakt dat het in die passage om mogelijkheden ging en niet om feiten.
Siddiqui meent dat hij journalistiek juist heeft gehandeld en voldoende slagen om de arm heeft gehouden om te voorkomen dat klager schade zou kunnen ondervinden.

Ter zitting deelt Heij desgevraagd mee dat de hoofdredactie door een ongelukkige samenloop van omstandigheden niet heeft gereageerd op klagers brieven. Heij biedt daarvoor zijn excuses aan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht is dat in het artikel klagers naam op suggestieve wijze in diskrediet is gebracht en klager daardoor in zijn integriteit is aangetast, zonder dat hem gelegenheid tot wederhoor is geboden. De klacht spitst zich, binnen de context van het gehele artikel, toe op de hiervoor aangehaalde passages a. en b.

Alhoewel er met betrekking tot klager in het artikel geen feitelijke onjuistheden van betekenis zijn vermeld, kan de lezer niet aan de indruk ontkomen dat ook klager als ambtenaar van Rijkswaterstaat ‘niet deugt’. In die zin is het artikel suggestief ten opzichte van klager, ook in passage b. waarin een aantal suggesties in vragende vorm is opgenomen.
Het artikel impliceert aldus een verwijt waarvan duidelijk is dat het klager in zijn beroepsuitoefening diskwalificeert, terwijl een deugdelijke onderbouwing daarvoor ontbreekt.

Daarnaast geldt dat verweerders klager in de gelegenheid hadden moeten stellen op de beweringen over hem commentaar te geven. Niet ter discussie staat dat klager geen wederhoor is geboden. Het standpunt van Siddiqui dat in dit geval het beginsel van hoor en wederhoor niet van toepassing is, moet worden verworpen. Het artikel behelst niet alleen een analyse van feiten, maar bevat tevens een oordeel over klagers integriteit. Siddiqui heeft voorts erkend dat hij niet expliciet heeft verzocht om een gesprek met klager, terwijl klager voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een dergelijk verzoek hem wel zou hebben bereikt.

Een en ander leidt tot de conclusie dat verweerders grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door over klager te berichten zoals zij hebben gedaan en zonder wederhoor toe te passen (vgl. onder meer De Vries tegen De Jong en HP/De Tijd, RvdJ 2003/43).

Overigens is de Raad van mening dat het een hoofdredacteur betaamt om in een geval als dit adequaat te reageren op brieven van een betrokkene. Van een adequate reactie is echter in dit geval geen sprake, waarvoor Heij terecht zijn excuses heeft aangeboden.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Vrij Nederland te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 3 juni 2004 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, mw. E.J.M. Lamers, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-42