2004/40 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

B. Jouahri

tegen

de hoofdredacteur van HP/De Tijd

Bij brief van 17 februari 2004 met zes bijlagen heeft mr. J.A. van den Berg, advocaat te Amsterdam namens B. Jouahri te Amsterdam (klaagster) een klacht ingediend tegen HP/De Tijd (verweerder). Verweerder heeft niet op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 2 april 2004. Klaagster is daar verschenen, vergezeld van mr. J.A. van den Berg, die de klacht heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie, en M.E. Mallaouch als tolk. Verweerder is niet verschenen.

DE FEITEN

Op de cover van HP/De Tijd van 16 januari 2004 is een paginagroot portret van klaagster gepubliceerd met daaronder de tekst “Hoofddoekjes af! Hoogste tijd voor vrije moslimmeiden op school”. De cover verwijst naar het artikel “Hoofddoekjes af!” van F. Jurgens. Bij dit artikel is een viertal door R. Didier gemaakte foto’s van klaagster gepubliceerd waarop zij geleidelijk een hoofddoek afneemt. Het artikel “Hoofddoekjes af!” bevat onder meer de volgende passages:
Het islamitische dogma van de gesluierde vrouw hangt bovendien samen met een veel breder, seksueel gefrustreerd mensbeeld. Het hoofddoekje is daar maar een symbool van. Zo moet een vrouw in tegenstelling tot een man, maagd zijn als ze in het huwelijk treedt. Hoe dwingend deze regel onder tweedegeneratiemeisjes in Nederland nog steeds is, bewijzen de maagdenvlieshersteloperaties die hier plaatsvinden en de nog altijd gebezigde middeleeuwse praktijken – van kippenbloed tot brandnetels inbrengen – om maagdelijkheid op de huwelijksnacht voor te wenden. Want kan een moslima op haar bruidsmorgen geen bebloed laken tonen, dan wordt ze in veel gevallen ‘teruggestuurd’ naar het ouderlijk huis, en wacht haar een leven als zondige vrouw.
en
De familie-eer bevindt zich namelijk rechtstreeks tussen de benen van een islamitisch meisje. En in het ‘verdorven’ Westen dient zij extra in toom te worden gehouden.

Bij brieven van 19 en 20 januari 2004 heeft de gemachtigde van klaagster de hoofdredactie van HP/De Tijd, onderscheidenlijk  de uitgever Audax B.V., gesommeerd de uitgave van HP/De Tijd van 16 januari 2004 uit de handel te halen, een correctie te plaatsen en een voorschot te betalen op een nader vast te stellen schadevergoeding. Audax heeft daaraan geen gehoor gegeven. Wel is de editie van HP/De Tijd van 16 januari 2004 op 21 januari 2004 uit de schappen gehaald.

HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER

Klaagster stelt dat zij nimmer heeft geweten dat de van haar gemaakte foto’s zouden dienen voor publicatie bij een (kritisch) artikel over de islam. Zij was in de veronderstelling dat het een aantal testfoto's betrof waarna in overleg met haar over een mogelijke publicatie zou worden gesproken. Pas na de uitgave van HP/De Tijd van 16 januari 2004 ontdekte klaagster dat de foto's’ zonder haar toestemming waren gebruikt bij een artikel, met de strekking waarvan klaagster het absoluut niet eens is. Volgens klaagster heeft verweerder bewust besloten om een Marokkaans/islamitisch model te gebruiken als illustratie bij een uiterst kritisch artikel over de islam. Dit maakt dat verweerder maatregelen had dienen te treffen ter voorkoming van schade die klaagster door deze publicatie voorspelbaar zou leiden. Door het plaatsen van de foto’s op de cover en in het blad is klaagster tot het gezicht gemaakt van de islamitische vrouw die in de inhoud van het bewuste artikel wordt beschreven. Klaagster betoogt verder dat verweerder geen maatregelen heeft getroffen om de associatie van klaagster met de tekst van het artikel te beperken door duidelijk te maken dat de persoon op de foto geen rechtstreeks verband hield met de tekst. Het artikel “Hoofddoekjes af!” doet volgens klaagster uitspraken over de islam die kritisch en weinig lovend zijn. Bekend mag worden verondersteld dat dergelijke uitspraken binnen de islamitische gemeenschap niet gewaardeerd worden. Derhalve rustte er volgens klaagster op verweerder een extra zorgplicht ten aanzien van het model dat bij het artikel werd geplaatst en dat bovendien uit die islamitische gemeenschap voortkomt en in die gemeenschap leeft. Na de publicatie zijn klaagster en haar familieleden herhaaldelijk bedreigd en voelt klaagster zich zeer onveilig op straat. Klaagster concludeert dat verweerder door de publicatie van deze foto’s haar willens en wetens grote schade heeft toegebracht. Bovendien heeft verweerder door te weigeren een rectificatie op te nemen ten aanzien van het gebruik van haar portret niet gehandeld conform zijn journalistieke verantwoordelijkheid.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het artikel betreft een beladen onderwerp – kort gezegd: het dragen van hoofddoekjes door moslimvrouwen – dat niet zelden aanleiding pleegt te geven tot felle en door heftige emoties beheerste discussies: louter religieus symbool of symbool van onderdrukking van de vrouw in de islamitische wereld. Een journalist die een moslimvrouw (klaagster) in die discussie wil betrekken op de wijze als hier is gebeurd – de van klaagster gepubliceerde foto’s dienen ter ondersteuning van de in het artikel op nogal rigoureuze wijze bepleite stelling dat moslimmeisjes in Nederland hun onder meer als “een belediging van de vrouw” gekwalificeerde hoofddoekjes zouden moeten afwerpen – dient met het oog op de repercussies waartoe die betrokkenheid kan leiden met bijzondere zorgvuldigheid  te werk te gaan. Die zorgvuldigheid brengt in eerste plaats mee dat hij zich terdege ervan vergewist dat die vrouw weet waaraan zij precies haar medewerking verleent. Aan dat vereiste is hier kennelijk niet voldaan. In de drie door klaagster overgelegde, van de uitgeefster van HP/De Tijd afkomstige verklaringen van een medewerkster van het door verweerder ingeschakelde castingbureau, de art-director en de betrokken fotoredacteur van verweerder valt te lezen dat aan klaagster is uitgelegd dat de foto’s bestemd waren voor een artikel met de strekking dat evenals in Frankrijk in Nederland de hoofddoekjes in het (openbaar) onderwijs af zouden moeten. Uit die verklaringen valt echter niet af te leiden - en dat is hier beslissend - dat aan klaagster, die naar de Raad ter zitting heeft kunnen vaststellen nauwelijks Nederlands spreekt of verstaat, duidelijk is geworden dat het zou gaan om een artikel met de strekking en toonzetting als “Hoofddoekjes af!”. Door desondanks over te gaan tot plaatsing van de foto’s bij dat artikel heeft verweerder de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in HP/De Tijd te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 28 mei 2004 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, T.G.G. Bouwman, mr. A.H. Schmeink, mw. C.D. Smolders en prof. drs. E. van Thijn in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg , secretaris.