2004/4 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A.J. Westerveld

tegen

E. van der Ley en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad

Bij brief van 18 oktober 2003 met een bijlage heeft A.J. Westerveld te Winterswijk (klager) een klacht ingediend tegen E. van der Ley en de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad (verweerders). Hierop heeft W.H.K. Ammerlaan, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 17 november 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 november 2003 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 14 oktober 2003 is in het Algemeen Dagblad een artikel van de hand van Van der Ley verschenen onder de kop “Dramatisch einde aan ongelukkig leven”. In het artikel wordt verslag gedaan van een brand in een woning, waarbij de zus van klager is omgekomen. De zus van klager is met haar voornaam, leeftijd en woonplaats aangeduid. Verder is relatief veel aandacht besteed aan de problemen die zij in haar leven had ondervonden en aan haar psychische gesteldheid. In dat verband is een buurvrouw van klagers zus onder meer geciteerd als volgt: “Ze kon maar moeilijk met de problemen omgaan. Ze vroeg me vaak om tabletten.” Het slot van het artikel luidt: “De politie kan nog niets zeggen over de oorzaak van de brand. Brandstichting wordt niet uitgesloten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de grenzen van het toelaatbare ernstig zijn overschreden door de vermelding van de problemen van zijn zus. Verder stelt hij dat het artikel diverse onjuistheden over zijn zus bevat. Klager is zeer gekrenkt door het artikel, dat naar zijn mening geen recht doet aan zijn zus en haar leven.

Verweerders stellen dat zij niet alleen op zakelijke en onpersoonlijke wijze over de brand in Winterswijk wilden berichten, maar ook aandacht wilden besteden aan de menselijke tragedie achter de dood van klagers zus. Voor de feitelijke mededelingen over het verloop van de brand zelf is Van der Ley niet uitsluitend afgegaan op informatie van de politie. Hij heeft ter plaatse ook gesproken met een ooggetuige, een goede kennis van het slachtoffer, en een zeer betrokken buurvrouw. Beiden zijn in het verslag geciteerd. Met die informatie hebben verweerders vervolgens in enkele alinea’s een duiding gegeven van het zware en treurige leven dat aan de dramatische dood van het slachtoffer is voorafgegaan.
Volgens verweerders zijn zij respectvol te werk gegaan. Met het oog op de herkenbaarheid en de daarmee samenhangende bescherming van de privacy van de nabestaanden, hebben zij ervoor gekozen om alleen de voornaam van het slachtoffer te vermelden en de naam van de straat waar de brand heeft plaatsgevonden, achterwege te laten. Er is bovendien geen foto van het slachtoffer gepubliceerd.
Verweerders beogen met publicaties in deze vorm meer dan alleen feitelijk te berichten over een brand met een dodelijk slachtoffer. Met de beschrijving van een leven vol ellende krijgt een anoniem slachtoffer voor de lezer een gezicht en kan deze model komen te staan voor herkenbare zwakkeren in de eigen omgeving. Dat zet mensen aan het denken, hetgeen – aldus verweerders – geen kwaad kan in een verhardende samenleving, waarin bezuinigingen in de zorg en de hulpverlening vooral onzichtbare personen treft.
In het besef dat berichten over een fataal ongeluk nabestaanden altijd extra pijn doen, zijn verweerders van oordeel dat zij bij de totstandkoming van het artikel zorgvuldig te werk zijn gegaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht is dat verweerders de privacy van de zus van klager, en daarmee die van haar nabestaanden, onnodig hebben aangetast door vermelding van haar problematiek en psychische gesteldheid.

Blijkens hun verweer zijn ook verweerders van mening dat de privacy van klagers zus en haar nabestaanden bij de publicatie in het geding is. Verweerders stellen echter dat zij zorgvuldig te werk zijn gegaan, nu zij – juist ter bescherming van die privacy – alleen de voornaam van het slachtoffer hebben vermeld, en publicatie van de straatnaam en een foto achterwege hebben gelaten.

Volgens het vaste oordeel van de Raad brengt de journalistieke verantwoordelijkheid mee dat de persoonlijke levenssfeer van personen over wie wordt gepubliceerd, niet verder wordt aangetast dan in het kader van een open berichtgeving redelijkerwijs nodig is (vgl. onder meer: X tegen Haddeman en De Telegraaf, RvdJ 2003/53).

Het betreft hier een verslag van een brand in een woning, waarbij een (dodelijk) slachtoffer is gevallen. In beginsel is het in dergelijke gevallen, in het kader van een open berichtgeving, redelijkerwijs niet nodig de problematische persoonlijke omstandigheden van het slachtoffer te schetsen. Over het algemeen kan de lezer immers ook zonder een dergelijke schets voldoende geïnformeerd worden omtrent de gebeurtenis waarvan verslag wordt gedaan. Een uitzondering hierop is denkbaar, bijvoorbeeld indien vaststaat dat die gebeurtenis direct verband houdt met de persoonlijke omstandigheden van het slachtoffer, althans indien daarvoor aanwijzingen bestaan. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.

Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders op het hiervoor besproken punt grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaarbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 januari 2004 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. G.T.M. Driehuis, mw. C.J.E.M. Joosten, prof. drs. E. van Thijn en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-04