2004/3 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M.M. Hamouda

tegen

de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden

Bij brieven van 6 oktober 2003 met een bijlage en 8 oktober 2003 met een bijlage heeft mr. L.S. Slinkman, advocaat te Roden namens M.M. Hamouda (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden (verweerder). Hierop heeft H. Blanken, waarnemend hoofdredacteur, gereageerd bij brief van 5 november 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 november 2003. Klager is daar verschenen vergezeld van mw. mr. M. Kürble, die het standpunt van klager heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Verweerder is niet verschenen.

DE FEITEN

Op 4 augustus 2003 is in het Dagblad van het Noorden een artikel van de hand van T. Zandstra verschenen onder de kop “Dreiging van kinderontvoering: leven in angst”. Het artikel gaat over een rechterlijke procedure tussen klager en zijn ex-echtgenote betreffende de omgangsregeling van klager met hun kind. Klagers ex-echtgenote wordt in het artikel uitvoerig aan het woord gelaten. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
Over twee weken dient een belangrijk beroep voor het gerechtshof in Leeuwarden (...). De Groningse vreest dat het hof valt voor de mooie praatjes van haar ex en dat ze (haar kind) daarna voorgoed kwijt is. Ontvoerd naar Egypte.
en
Vader Mohammed Hamouda wil niet reageren op de beweringen van (klagers ex-echtgenote). Op de vraag of hij van plan is (zijn kind) te ontvoeren, blijft het stil. In een van de juridische stukken staat dat hij louter een normale omgangsregeling met (zijn kind) wenst. Daarbij zegt hij toe de dieetvoorschriften van het kind in acht te nemen, en dat hij zeker niet van plan is het kind mee te nemen naar het buitenland, laat staan Egypte. Maar in een eerdere beschikking staat letterlijk dat de rechter hem dat ook niet zal kunnen belemmeren.
Het artikel bevat verder een groot aantal negatieve uitlatingen over klager, waaronder dat hij zijn ex-echtgenote en hun kind ‘dag en nacht lastig viel’, dat hij ‘zich niet aan afspraken hield’, dat hij zijn ex-echtgenote ‘stalkt’ en dat hij zijn ex-echtgenote en hun kind ‘met fiets en al moedwillig ondersteboven rijdt’.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat zonder deugdelijk onderzoek een insinuerend en vooringenomen artikel is geschreven, en dat de publicatie diverse feitelijke onjuistheden bevat. Klager en zijn ex-echtgenote hebben gezamenlijk de ouderlijke macht over hun kind. De rechtbank heeft een omgangsregeling vastgesteld, inhoudend dat klager zijn zoontje een weekend per twee weken mag zien. De ex-echtgenote van klager houdt zich niet aan die regeling, met als gevolg dat klager al twintig maanden geen omgang meer heeft met zijn kind. In december 2003 doet het Gerechtshof te Leeuwarden uitspraak in het hoger beroep over deze kwestie. Klager heeft het artikel als uiterst grievend en beschadigend ervaren voor zowel zichzelf als voor zijn kind.
Verder stelt klager dat ten onrechte is vermeld dat hij niet heeft willen reageren op de beweringen van zijn ex-echtgenote. Voorafgaand aan de publicatie heeft klager telefonisch contact gehad met Zandstra. In dat gesprek heeft hij meegedeeld dat hij vanwege de complexiteit van de kwestie niet telefonisch wilde reageren, maar dat hij Zandstra in de gelegenheid wilde stellen om alle stukken die op de kwestie betrekking hebben, in te zien. Verder heeft klager Zandstra te kennen gegeven dat deze contact kon opnemen met zijn raadsman. Zandstra heeft de telefoonverbinding verbroken en geen gebruik gemaakt van het aanbod om de stukken bij klager te komen inzien. Bovendien heeft Zandstra, toen hij op zaterdag 2 augustus 2003 geen contact kon krijgen met de raadsman van klager, afgezien van verdere pogingen om deze te bereiken. Overigens zijn de gegevens van klagers raadsman gewoon in de reguliere bestanden, zoals in het telefoonboek en op internet, vermeld.
Door zonder verder wederhoor het artikel op maandag 4 augustus 2003 te plaatsen heeft verweerder onzorgvuldig jegens klager gehandeld, temeer omdat het hier een gevoelige kwestie betreft. Volgens klager had het artikel niet zo een hoge actualiteitswaarde, dat de publicatie ervan niet op zich kon laten wachten.

Verweerder stelt dat Zandstra wel degelijk heeft geprobeerd het verhaal van klager op te tekenen, als tegenwicht voor het verhaal van zijn ex-echtgenote. Zandstra heeft daartoe telefonisch contact gelegd met klager. Mede door het taalprobleem verliep het gesprek moeizaam, aldus verweerder. Volgens hem liet klager weten niet bereid te zijn, zijn kant van het verhaal te vertellen. Klager brak het gesprek af met de mededeling dat Zandstra zijn advocaat moest bellen, zonder daarbij aanvullende gegevens te verstrekken.
Naar de mening van verweerder was met het vruchteloze gesprek met klager in formeel opzicht voldaan aan het principe van wederhoor. Toch is Zandstra op zoek gegaan naar de raadsman van klager. Aan de hand van processtukken stelde hij vast dat het mr. Slinkman moest betreffen. Het is Zandstra echter niet gelukt Slinkman, die niet te vinden was in diverse geraadpleegde bestanden, tijdig te traceren. Een en ander vond plaats in het weekeinde en het artikel is uiteindelijk de daaropvolgende maandag gepubliceerd.
Nadien is aan (de raadman van) klager meegedeeld dat verweerder nog steeds prijs stelt op publicatie van de zienswijze van klager. Deze heeft het aanbod voor een vervolgpublicatie echter afgewezen, hetgeen verweerder – gezien de actualiteit van het onderwerp – betreurt. Volgens verweerder zou met de publicatie van het relaas van klager een journalistiek belang zijn gediend, en zou hij tevens op die wijze klager genoegdoening kunnen geven.
Verweerder hecht eraan zijn spijt te betuigen over de gang van zaken waarover klager zich gegriefd voelt.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat hier om een artikel inzake een geschil over een omgangsregeling. Vrijwel uitsluitend wordt daarin de ex-echtgenote van klager aan het woord gelaten. Zij uit een reeks verwijten aan het adres van klager, die erop neerkomen dat klager ernstige problemen veroorzaakt bij de uitvoering van de omgangsregeling en erop uit is het kind naar Egypte te brengen, zodat zij het voorgoed kwijt is. De kern van de klacht is dat verweerder klager onvoldoende gelegenheid tot wederhoor heeft geboden. De Raad zal zich tot die kern beperken.

In een vergelijkbare zaak heeft de Raad overwogen dat bij publicatie over het moeilijke verloop van een omgangsregeling in beginsel niet kan worden volstaan met het horen van één partij. Immers, bij dit onderwerp zijn twee partijen betrokken, terwijl de aard van het onderwerp meebrengt dat de visie van de betrokken partijen onder druk kan staan van emoties (zie: Van den Broek tegen Telegraaf, RvdJ 1988/26).

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat met het ‘vruchteloze’ telefoongesprek tussen Zandstra en klager in formeel opzicht was voldaan aan het principe van wederhoor. De Raad deelt dit standpunt niet.

Geschillen, en zeker sterk door emoties bepaalde en vaak diep ingrijpende geschillen over omgangsregelingen, laten zich over het algemeen niet op een verantwoorde wijze beschrijven aan de hand van de feiten zoals deze door een der partijen gepresenteerd worden. Zorgvuldige journalistiek brengt dan mee dat – met het oog op een evenwichtige berichtgeving – ook de wederpartij ruimschoots in de gelegenheid wordt gesteld zijn visie naar voren te brengen, desgewenst aan de hand van de processtukken. Klager heeft gesteld dat hij in het telefoongesprek met Zandstra heeft gezegd dat te willen doen, eventueel via zijn advocaat, en de Raad heeft geen reden aan de juistheid van deze stelling te twijfelen. Volgens verweerder heeft Zandstra ook inderdaad gepoogd na het gesprek met klager, dat volgens Zandstra werd bemoeilijkt door taalproblemen, de advocaat van klager (mr. Slinkman) te bereiken, maar heeft hij deze in het weekeinde niet tijdig kunnen traceren omdat hij ‘in diverse geraadpleegde bestanden (incluis de internetpagina van de Orde van Advocaten)’ onvindbaar bleek. De Raad acht dit onaannemelijk, maar belangrijker is dat het tevergeefs raadplegen van ‘diverse bestanden’ niet kan leiden tot het oordeel dat Zandstra bij zijn pogingen om op enigerlei wijze contact te leggen met klagers advocaat datgene heeft gedaan wat in redelijkheid van hem kon worden verlangd: hij had bijvoorbeeld eenvoudigweg aan de advocaat van de ex-echtgenote van klager kunnen vragen waar mr. Slinkman te bereiken was en bovendien valt niet in te zien waarom hij zijn pogingen juist tot het weekeinde heeft beperkt. Van enige journalistieke noodzaak om reeds op maandag tot publicatie van het artikel over te gaan, is immers niets gebleken.

Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen - gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid - maatschappelijk aanvaardbaar is, door over het geschil tussen klager en zijn ex-echtgenote te berichten zonder klager voldoende gelegenheid tot wederhoor te bieden (vgl. ook: X tegen Baarnsche Courant, RvdJ 2002/14).

Dat verweerder ná publicatie klager heeft aangeboden in een vervolgpublicatie alsnog zijn visie over de zaak kenbaar te maken, doet aan de hiervoor omschreven onzorgvuldigheid niet af.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Dagblad van het Noorden te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 januari 2004 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. G.T.M. Driehuis, mw. C.J.E.M. Joosten, prof. drs. E. van Thijn en mw. drs. B.L.W. Tillema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-03