2004/28 niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

G-J.A.N. Derksen

tegen

de hoofdredacteur van De Gelderlander

Bij brief van 11 december 2003 met twee bijlagen heeft G-J.A.N. Derksen te Druten (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Gelderlander (verweerder) bij de Raad voor de Journalistiek te België, die de klacht heeft doorgestuurd aan de Raad voor de Journalistiek in Nederland (verder: de Raad). De klacht is door het secretariaat van de Raad ontvangen op 5 januari 2004. Vervolgens heeft de secretaris van de Raad klager bij brief van 5 januari 2004 verzocht gemotiveerd aan te geven wat zijn rechtstreeks belang is bij een oordeel van de Raad. Klager heeft op de brief geantwoord in een schrijven van 6 januari 2004. Bij brief van 12 januari 2004 is verweerder in de gelegenheid gesteld zich over de ontvankelijkheid van klager uit te laten. Verweerder heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De ontvankelijkheidsvraag is behandeld ter zitting van de Raad van 19 februari 2004 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 11 december 2003 is in De Gelderlander een artikel verschenen onder de kop “’Aelberts weet niet eens over wie we praten’”. Het artikel gaat over het Actiecomité voor Sevda dat wil voorkomen dat de gehandicapte Sevda Begu wordt teruggestuurd naar Kosovo en in dat kader handtekeningen heeft aangeboden aan burgemeester Aelberts van Druten. Bij het artikel is onder de kop “De gevolgen van menslievendheid” de volgende tekst geplaatst:
Sevda Begu is niet de enige uitgeprocedeerde asielzoeker. De gemeente Druten kent ongeveer twintig ‘schrijnende gevallen’ die met uitzetting worden bedreigd. Stel dat Druten voor een ‘algemeen pardon’ kiest. En stel dat ieder persoon de gemeenschap 500 euro per maand gaat kosten. De extra last wordt dan 120.000 euro per jaar. Dat betekent een verhoging van de onroerendzaakbelasting (ozb) met ongeveer 4 procent. Dat zijn enkele tientjes per huishouden per jaar.

HET STANDPUNT VAN KLAGER

Klager stelt dat de verslaggever in het artikel een grote mate van historisch bewustzijn mist en de discussie over asielzoekers in een gevaarlijk daglicht plaatst. De publicatie zet aan tot de onfatsoenlijke gedachtegang dat menselijk leed is uit te drukken in geld en draagt bij aan vreemdelingenhaat, aldus klager.
Hij stelt dat hij als docent geschiedenis op een middelbare school zijn leerlingen historisch besef probeert bij te brengen, hetgeen in de Nederlandse maatschappij een van zijn socialiserende taken is. Klager betoogt dat hij door de publicatie in die taak is geschaad en daarnaast voelt hij zich als burger geschaad. Volgens klager is hij derhalve door de berichtgeving persoonlijk in zijn belangen geschaad.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Ingevolge artikel 2 lid 1 van het Reglement van de Raad komt slechts voor behandeling in aanmerking een klaagschrift dat is ingediend door een 'rechtstreeks belanghebbende'. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt.

Anders dan klager meent, kan het feit dat hij als docent geschiedenis leerlingen historisch besef probeert bij te brengen, niet leiden tot het oordeel dat hij rechtstreeks belanghebbende is. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat het belang van klager direct betrokken is bij de gewraakte publicatie (vgl. onder meer: Schepers tegen ‘De Ochtenden’ (VPRO), RvdJ 2003/47 en Van Os tegen Huisjes en Algemeen Dagblad, RvdJ 2003/40).

BESLISSING

Klager is in zijn klacht niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door de Raad op 16 april 2004 door mw. mr. M.E. Leijten, voorzitter, mw. F.W. Dresselhuys, mr. A. Herstel en mr. drs. M.M.P.M. Kreyns, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-28