2004/25 ongegrond niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Vereniging Vrienden en Vriendinnen van ‘De Blauwe Aanslag’ en voormalige krakers/bezetters van ‘De Blauwe Aanslag’

tegen

de hoofdredacteur van het NOS Journaal

Bij brief van 17 november 2003 heeft mr. M. Schuckink Kool, advocaat te ’s-Gravenhage namens de voormalige krakers/bezetters van ‘De Blauwe Aanslag’ en de Vereniging Vrienden en Vriendinnen van ‘De Blauwe Aanslag’ (klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het NOS Journaal (verweerder). Op 23 november 2003 hebben klagers een aanvulling op hun klacht gestuurd. Hierop heeft H. Laroes, hoofdredacteur NOS Journaal, geantwoord in een brief van 5 december 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 januari 2004 in aanwezigheid van partijen.

Naar aanleiding van de ontstentenis van één der leden van de Raad, hebben klagers en verweerder desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 3 oktober 2003 is in het NOS Journaal van acht uur aandacht besteed aan de ontruiming van het gekraakte pand ‘De Blauwe Aanslag’ in Den Haag. De uitzending bevat onder meer de volgende passage:
Sommigen staan op het dak en gooien stenen naar politie en voorbijgangers
Het woord ‘sommigen’ verwijst hierbij naar de krakers en de bezetters van het pand ‘De Blauwe Aanslag’.

Op 7 oktober 2003 heeft mr. M. Schuckink Kool, namens klagers, per e-mail en per post om een rectificatie verzocht. Hierop heeft verweerder afwijzend gereageerd. Vervolgens heeft mr. M. Schuckink Kool telefonisch verzocht om inzage in het ruwe materiaal van de gewraakte uitzending inzake de ontruiming van ‘De Blauwe Aanslag’. Ook hierop heeft verweerder afwijzend gereageerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen dat verweerder op onzorgvuldige en onjuiste wijze heeft bericht over de ontruiming van het pand ‘De Blauwe Aanslag’. Volgens klagers hebben de krakers niet met stenen naar politie en voorbijgangers gegooid. Door de onzorgvuldige berichtgeving zouden klagers zijn geschaad in hun belangen. De uitzending wekt verder de indruk dat de bedoelde feiten door de verslaggever zelf zijn waargenomen hetgeen niet het geval is geweest, aldus klagers. Daarnaast heeft verweerder volgens klagers ten onrechte nagelaten wederhoor toe te passen.

Verweerder geeft aan dat de verslaggever ter plekke heeft waargenomen dat er door de krakers stenen naar de politie zijn gegooid. Ook de beelden maken volgens verweerder aannemelijk dat de krakers met substantiële voorwerpen in richting van de politie gooiden. Dat de krakers ook stenen naar voorbijgangers zouden hebben gegooid is niet door de verslaggever zelf waargenomen aangezien deze pas ter plekke arriveerde op het moment dat de politie de omgeving van het pand reeds had afgesloten. Volgens verweerder hebben verschillende ooggetuigen melding gemaakt van het feit dat de krakers zware voorwerpen op straat gooiden waardoor er gevaarlijke situaties voor voorbijgangers ontstonden. Verweerder ontkent de stelling van klagers dat er sprake zou zijn van onzorgvuldige berichtgeving. Hooguit zou er sprake zijn van ingedikt taalgebruik. Daarnaast wijst verweerder er op dat het feit dat klagers anoniem willen blijven een reden voor de Raad zou kunnen zijn om deze klacht niet te behandelen. Tot slot geeft verweerder aan dat het beginsel van hoor en wederhoor moeilijk kan worden toegepast bij een groep personen die er voor kiest anoniem te blijven.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Ingevolge artikel 2 lid 1 van het Reglement van de Raad moet een klaagschrift worden ingediend door een 'rechtstreeks belanghebbende'. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt.

De onderhavige klacht is ingediend namens de voormalige krakers/bezetters van ‘De Blauwe Aanslag’ en de Vereniging Vrienden en Vriendinnen van ‘De Blauwe Aanslag’. De voormalige krakers/bezetters van ‘De Blauwe Aanslag’ hebben gemotiveerd aangeven anoniem te willen blijven waardoor de Raad niet heeft kunnen vaststellen of zij rechtstreeks belanghebbenden zijn in de zin als hierboven omschreven. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de voormalige krakers/bezetters niet-ontvankelijk zijn in hun klacht.

De klacht is echter mede ingediend door de Vereniging Vrienden en Vriendinnen van ‘De Blauwe Aanslag’. Deze vereniging maakt bezwaar tegen berichtgeving over de ontruiming van het pand ‘De Blauwe Aanslag’. Dit past binnen haar doelstelling, zoals die uit de statuten blijkt. De Vereniging Vrienden en Vriendinnen van ‘De Blauwe Aanslag’ is daarom ontvankelijk in haar klacht.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat in deze zaak om televisiebeelden, die volgens klagers van een onjuiste toelichting zijn voorzien. Uit de door de Raad bestudeerde beelden blijkt duidelijk dat er allerlei voorwerpen door de krakers/bezetters van ‘De Blauwe Aanslag’ naar beneden zijn gegooid. Onder deze voorwerpen waren ook op stenen gelijkende objecten. Of er gericht met stenen naar politie en voorbijgangers is gegooid, heeft de Raad niet kunnen vaststellen. De Raad is echter van mening dat de door verweerder gegeven toelichting bij deze beelden niet onzorgvuldig is geweest. De getoonde beelden rechtvaardigden immers deze tekst.

Gezien het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, door te berichten over aan de ontruiming van het gekraakte pand ‘De Blauwe Aanslag’ op de wijze zoals hij heeft gedaan.

BESLISSING

De voormalige krakers/bezetters van ‘De Blauwe Aanslag’ zijn niet-ontvankelijk in hun klacht. De klacht van de Vereniging Vrienden en Vriendinnen van ‘De Blauwe Aanslag’ is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het NOS Journaal.

Aldus vastgesteld door de Raad op 26 maart 2004 door mr. A.H. Schmeink, voorzitter, T.G.G. Bouwman, drs. G.H.J.M. Bueters en mw. C.J.E.M. Joosten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.

Uitspraak 2004-25