2004/22 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

P.M.J. van den Baar

tegen

de hoofdredacteur van de Twentsche Courant Tubantia

Bij brief van 19 november 2003 met drie bijlage heeft P.M.J. van den Baar te Eindhoven (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Twentsche Courant Tubantia (verweerder). Op 16 december 2003 heeft klager een aanvulling op zijn klacht gestuurd. Hierop heeft A.J. te Velthuis, lezersredacteur van De Twentsche Courant Tubantia, namens verweerder geantwoord in een brief van 17 december 2003 met 7 bijlagen. Klager heeft daarop gerepliceerd in een schrijven 9 januari 2004.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 januari 2004 in aanwezigheid van verweerder. Klager is niet verschenen.

Naar aanleiding van de ontstentenis van één der leden van de Raad, heeft verweerder desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 10 november 2003 is in de Twentsche Courant Tubantia een artikel verschenen onder de kop “Van den Baar de laan uit na fout declareren”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passage:
Oldenzaal - Top Craft heeft voorzitter van de Raad van Commissarissen P. van den Baar de laan uitgestuurd. Hij heeft buiten alle afspraken om zijn declaraties als adviseur door laten lopen nadat hij tot commissaris was benoemd. De oud-burgemeester van Ootmarsum zal het geld dat hij teveel gedeclareerd heeft moeten terugstorten.
Het demasqué van Van der Baar vond vrijdag plaats tijdens de vergadering, waarin het jaarverslag van de Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorziening Oost Twente (WOT) werd vastgesteld. Het tekort over 2002, boven de gemeentelijke bijdragen, is 640.000 euro.

Klager heeft middels een persbericht op het artikel gereageerd. In dit persbericht heeft klager zijn lezing van het verhaal gegeven. Op 11 november 2003 verscheen in een andere editie van de Twentsche Courant Tubantia een artikel onder de kop “Sombere tijden voor Top Craft”. Dit artikel bevat wederom de hierboven weergegeven passage zonder enige toevoeging dat klager het bericht tegenspreekt.

Op 17 november 2003 verschijnt in de Twentsche Courant Tubantia het artikel “Top Craft wil positief naar toekomst kijken”. Dit artikel bevat de volgende passage:
‘Ik lees in Deurningen jullie Hengelose editie, dus ik wist niet alles over het bedrijf en dat was misschien maar goed ook’, zegt de nieuwe directeur, die zich geconfronteerd ziet met een moeizame start. Een bedrijf met flinke verliezen, een voorganger, die er de brui aan geeft en een voorzitter van de Raad van Commissarissen, die moet opstappen wegens foutief declaratiegedrag.

Op 28 november 2003 verschijnt het artikel “Onderzoek naar handel en wandel bij TopCraft”. Dit artikel bevat de volgende passage:
Het externe onderzoek moet onder meer duidelijkheid verschaffen over de financiële positie van TopCraft, het gevoerde budgetbeheer van ex-directeur Govaarts, de gang van zaken met betrekking tot het afscheid nemen van de controller, de informatieverstrekking aan commissarissen en aandeelhouders, het declaratiegedrag van de voormalig voorzitter van de RvC Van den Baar en de financiële gang van zaken rond ‘Keizersbets. Het onderzoek moet tevens uitwijzen òf iemand aansprakelijk kan worden gesteld voor het gevoerde (wan)beleid.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat verweerder bij de voormelde berichtgeving over hem ten onrechte heeft nagelaten feitenonderzoek te verrichten en wederhoor toe te passen. Van de inhoud van het door klager opgestelde persbericht is voorts ten onrechte geen melding gemaakt in de berichtgeving, aldus klager.

Verweerder stelt dat klager in zijn contacten met de pers de laatste tijd zeer kortaf was en pas na enig aandringen antwoord gaf op vragen. Klager zou hebben gezegd dat Top Craft voor hem had afgedaan en dat hij niets meer met Oldenzaal te maken zou willen hebben. De mededeling dat klager moest opstappen als voorzitter van de Raad van Commissarissen wegens foutief declareren was afkomstig van Top Craft middels een persbericht. Het ging hier om feitelijke mededelingen over de afhandeling van de jaarrekening, aldus verweerder. Naar aanleiding van dit persbericht is klager niet om commentaar gevraagd. Volgens verweerder is dit achterwege gebleven, omdat het een zakelijke constatering betrof op basis van een onderzoek door het algemeen bestuur en klager zou hebben verklaard niets meer met Top Craft en Oldenzaal te maken willen hebben. Verweerder heeft een e-mail van klager ontvangen met als kopje persbericht, waarin klager zijn lezing van het verhaal weergaf. Aan dit persbericht is geen ruchtbaarheid gegeven, vanwege het ontbreken van nieuwe feiten, het onduidelijke karakter en de grievende teneur van het persbericht, aldus verweerder. Met betrekking tot de klacht dat verweerder geen feitenonderzoek heeft gedaan merkt verweerder op dat klager dit onderzoek zelf stelselmatig heeft gefrustreerd. Verweerder stelt tenslotte dat de Oldenzaalse redactie zo consequent en zo zorgvuldig mogelijk over deze kwestie heeft trachten te berichten.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De kern van de klacht strekt ertoe dat verweerder onvoldoende feitenonderzoek heeft verricht ter ondersteuning van de berichtgeving over klager en dat verweerder ten onrechte geen wederhoor heeft toegepast. Daarnaast verwijt klager verweerder dat hij geen gebruik heeft gemaakt van het ter zake door klager gegeven weerwoord.
Partijen verschillen van mening over de vraag of voldoende feitenonderzoek heeft plaatsgevonden ter ondersteuning van de berichtgeving. Er is onvoldoende materiaal voorhanden, om te concluderen dat klager hierover terecht bezwaar maakt. De Raad kan, mede door het feit dat klager niet ter zitting is verschenen, niet vaststellen dat onvoldoende feitenonderzoek heeft plaatsgevonden.

De gewraakte artikelen houden een ernstige beschuldiging aan het adres van klager in. Zoals de Raad bij herhaling heeft geoordeeld, dient een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat in elk geval wederhoor dient te worden toegepast. Dat is niet gebeurd. Klager is door verweerder niet in de gelegenheid gesteld te reageren op het persbericht van Top Craft. Verweerder had de beschuldigingen niet mogen publiceren, zonder klager in de gelegenheid te stellen daarop commentaar te geven of ten minste melding te maken van het door klager opgestelde weerwoord en de inhoud daarvan.

Gelet op het bovenstaande is de Raad van oordeel dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen - gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid - maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op het ontbreken van wederhoor. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Twentsche Courant Tubantia te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 maart 2004 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, T.G.G. Bouwman, mw. C.J.E.M. Joosten en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.

Uitspraak 2004-22