2004/21 ongegrond niet-ontvankelijk

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

B.E.J.M. Tomlow

tegen

H. Laroes

Bij brief van 5 november 2003 met één bijlage heeft mr B.E.J.M. Tomlow, advocaat te Utrecht (klager) een klacht ingediend tegen H. Laroes, hoofdredacteur NOS Journaal (verweerder). Hierop heeft verweerder geantwoord in een brief van 28 november 2003. Op 12 januari 2004 heeft klager een aanvulling op zijn klacht gestuurd. Verweerder heeft daarop op 14 januari 2004 geantwoord in een e-mail met één bijlage. Ten slotte heeft klager daarop gerepliceerd middels een fax van 15 januari 2004 met één bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 januari 2004 in aanwezigheid van partijen.

Naar aanleiding van de ontstentenis van één der leden van de Raad, hebben klager en verweerder desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 1 november 2003 is in De Telegraaf een artikel verschenen onder de kop “NOS Journaal onder vuur”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Met Paul win je geen oorlog, als je zou rondbellen, vind je weinig mensen die zeggen dat Paul een prominent verslaggever van het Journaal was.”
en
“Juridisch coach Bernard Tomlow adviseert Journaal-medewerkers op de achtergrond. Namen kan en wil hij niet noemen, want daarvoor ligt zijn werk te gevoelig. Tomlow haalt fel uit: “Het Journaal gedraagt zich arbeidsrechtelijk onder de maat. Medewerkers worden ingezet om anderen eruit te werken onder het mom van ‘je hebt geen draagvlak meerÂ’. Het NOS Journaal stelt feiten die er niet zijn: zo wordt achteraf gezegd dat een bepaalde verslaggever al heel lang een probleem was, zonder dat dit ooit aan betrokkene is meegedeeld. Laroes creëert een angstklimaat en houdt alleen de jaknikkers over. Daardoor holt de kwaliteit achteruit.
Laroes haalt de schouders op bij de kritiek van Tomlow. “Hij is een lawaaierige lefadvocaat waar ik wel om moet lachen. Maar hij heeft er geen moer verstand van. Volgens mij heeft hij maar één zaak gedaan en dat was die van Grijpma. Laat ze lekker samen in een Utrechtse kroeg gaan zitten en dan zijn ze het vast heel snel eens.
”

Op 3 november 2003 verschijnt op de website van het NOS Journaal een bijdrage van verweerder getiteld “Onder vuur van De Telegraaf”. Deze bijdrage bevat onder meer het volgende fragment:
“En een Utrechtse advocaat, die een aantal jaren gelden 1 (en niet meerdere) arbeidsrechtelijke zaak heeft gedaan waar het Journaal en een verslaggever uiteen gingen, na heldere onderhandelingen vindt-ie met terugwerkende kracht dat-ie te weinig geld heeft losgepeurd en moet de rekening alsnog anders worden vereffend.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager betoogt dat verweerder met zijn uitlatingen in de Telegraaf grenzen overschrijdt van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Van een hoofdredacteur van het NOS Journaal mag volgens hem bij uitstek volstrekte integriteit, objectiviteit en professionaliteit gevergd worden. Volgens klager vermeldt verweerder een aperte onjuistheid, waar deze stelt dat klager maar één zaak gedaan zou hebben. Door zijn uitlatingen roept verweerder volgens klager het beeld op dat klager slechts één arbeidsgeschil behandeld zou hebben van een journalist die niet opviel in de groep. Hierdoor zou klager geen gefundeerde mening kunnen hebben omtrent het personeelsbeleid van het NOS Journaal c.q. verweerder. Dit op onjuiste kwalificaties gebaseerde beeld wordt door verweerder versterkt, doordat hij klager afschildert als een advocaat die niet verder komt dan maar wat te roepen, aldus klager. Ter zitting heeft klager nog betoogd dat verweerder zijn gewraakte uitspraken heeft gedaan in de uitoefening van zijn beroep en die uitspraken derhalve dienen te worden beschouwd als journalistieke gedragingen.
Met betrekking tot de publicatie op de website van het NOS Journaal stelt klager dat verweerder de grenzen overschrijft van hetgeen, gelet op de eisen van journalistiek verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is door willens en wetens onjuiste feiten te vermelden en daarmee klager in negatief daglicht te stellen. Klager stelt dat verweerder bekend was met het feit dat klager in ieder geval twee medewerkers van het NOS Journaal heeft bijgestaan in een arbeidsrechtelijk geschil.

Verweerder betoogt dat de Raad niet bevoegd is te oordelen over de klacht die betrekking heeft op publicatie in De Telegraaf. In het desbetreffende artikel heeft verweerder als geïnterviewde een reactie gegeven op opvattingen en passages over het NOS-Journaal. Volgens hem is de Raad voor de Journalistiek er om klachten over journalistieke gedragingen te beoordelen. Daarover gaat deze klacht niet. De verantwoordelijkheid voor de publicatie van het artikel en de gewraakte citaten ligt volgens verweerder bij de hoofdredacteur van De Telegraaf.
In een inhoudelijke reactie op de klacht stelt verweerder allereerst dat hij poogt het Journaal op een heldere, respectvolle wijze te leiden. Hij stelt vervolgens dat klager hem ernstige verwijten aangaande het arbeidsklimaat bij het NOS-Journaal heeft gemaakt. Deze verwijten hebben hem gestoken. Volgens verweerder zijn de mededelingen van klager aangaande het arbeidsklimaat onjuist en worden ze ook niet gedeeld door de Redactiecommissie, het vertegenwoordigende orgaan van de Journaalredactie. Verder stelt verweerder dat hij pas sinds 3 juli 2002 hoofdredacteur is van het NOS Journaal en pas vanaf die datum eindverantwoordelijk is voor de arbeidsrechtelijke verhoudingen. Verweerder is bij de gesprekken over een regeling voor een medewerker betrokken geweest. Hierbij vertegenwoordigde klager die medewerker. Verweerder geeft aan dat hij pas op 26 november 2003 is geïnformeerd over het feit dat klager eerder ook een rol heeft gespeeld bij het vertrek van een andere medewerker. Deze zaak heeft zich volgens verweerder aan zijn waarneming en invloed onttrokken. Verweerder handhaaft dan ook zijn citaat “Volgens mij heeft hij maar een zaak gedaan en dat was die van Grijpma”.
Met betrekking tot de klacht over zijn bijdrage op de website van het NOS Journaal geeft verweerder aan dat klager geen nieuwe feiten aan de orde stelt en verwijst verder naar zijn reactie op de klacht over de publicatie in De Telegraaf.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht betreft allereerst de gewraakte uitspraken van verweerder in het artikel van 1 november 2003 in De Telegraaf.

Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Blijkens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan “een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep.”

Anders dan klager betoogt heeft verweerder zijn uitspraken in het artikel van 1 november 2003 in De Telegraaf niet gedaan als journalist. In dit onderdeel van de klacht is klager daarom niet-ontvankelijk.

Verder maakt klager bezwaar tegen de publicatie op de website van het NOS Journaal. De publicatie op 3 november 2003 van de bijdrage van verweerder op de website van het Journaal valt als een journalistieke gedraging aan te merken. Vast is komen te staan dat de gewraakte uitspraak van verweerder feitelijk onjuist was. Verweerder had in elk geval kunnen weten dat klager bij meer dan één arbeidsrechtelijke zaak tegen het NOS Journaal betrokken was geweest. Het feit dat verweerder desondanks op de website van het NOS Journaal heeft vermeld dat het om één zaak zou gaan, acht de Raad evenwel niet zo ernstig, dat verweerder hiermee grenzen overschreden heeft van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

Voor zover de klacht betrekking heeft op het artikel van 1 november 2003 in De Telegraaf is klager in zijn klacht niet-ontvankelijk. Voor het overige is de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het NOS Journaal.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 maart 2004 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, T.G.G. Bouwman, mw. C.J.E.M. Joosten en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris.

Uitspraak 2004-21