2004/20 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Fr.H.C. Cortenraad

tegen

de hoofdredacteur van HP/De Tijd

Bij brief van 10 december 2003 met drie bijlagen heeft Fr.H.C. Cortenraad te Eijsden (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van HP/De Tijd (verweerder). Vervolgens heeft klager zijn klacht nader toegelicht in een brief van 17 december 2003. Verweerder heeft niet op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 januari 2004 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 11 juli 2003 is in HP/De Tijd een artikel verschenen onder de kop “Hoe Onze Lieve Heer in Eijsden blijft”. De intro van het artikel luidt:
Wat kan de geestelijkheid nog betekenen voor het welzijn van de mensen? Hebben ze nog iets aan meneer pastoor? Wim van den Berg, de herder van Eijsden: ‘Als mensen zonder hoop en liefde moeten leven, wordt het al snel een armoedige bedoening.’
Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
Wim ontving een bisschoppelijk schrijven waarin andere samenlevingsvormen dan van man en vrouw met nadruk werden afgekeurd. En toen speelde zijn rechtvaardigheidsgevoel ineens heftig op. (...) Dus las hij – ondanks een verbod – de bisschoppelijke brief in de kerk voor en zei er meteen bij dat hij hier niet achter kon staan. Brrr, je moest het ongemakkelijke gestommel in de kerkbanken eens horen. Burgemeester Cortenraad beende driftig de kerk uit en schreef direct een brief op hoge poten naar het bisdom van Roermond. Zo’n pastoor, zo’n sneuzel die op de kansel pleit voor homo’s en lesbo’s, dat is toch een regelrechte smet voor Eijsden. Zoiets moet er in die boze brief hebben gestaan. Wim werd vervolgens op het matje geroepen bij de vicaris. (...) Sinds deze aanvaring heeft eerwaarde Van den Berg enigszins gas teruggenomen, is edelachtbare Cortenraad inmiddels opgevolgd door een burgemeester die kerk en staat beter weet te scheiden, en laat de vicaris in Roermond zich nog maar zelden horen.

HET STANDPUNT VAN KLAGER

Klager stelt dat de passage waarin ook over hem wordt geschreven, niet op waarheid berust. Hij is onkundig van het moment waarop de pastoor het bisschoppelijk schrijven zou hebben voorgelezen. Verder heeft hij nooit een kerkdienst voortijdig verlaten om daarmee zijn ongenoegen over iets te laten blijken. Bovendien heeft hij ter zake geen brief aan het Bisdom Roermond gestuurd. Klager rekent zich weliswaar tot de zogenoemde belijdende katholieken, maar van een vermenging van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden verbonden aan het burgemeestersambt – dat hij bijna 30 jaar in verschillende gemeenten heeft bekleed – is nooit sprake geweest. Hij wijst erop dat de publicatie heeft plaatsgevonden ruim een jaar nadat hij een bijna 50-jarig dienstverband in de provincie Limburg eervol heeft afgesloten. In al die jaren heeft hij er voortdurend voor gewaakt dat zijn integriteit op een of andere manier zou kunnen worden aangetast dan wel ter discussie zou kunnen komen te staan. Door de grievende, onjuiste publicatie is hij nu in zijn eer en goede naam aangetast. Dit had voorkomen kunnen worden door toepassing van wederhoor, hetgeen verweerder ten onrechte heeft nagelaten, aldus klager.
Hij heeft zijn bezwaren tegen het artikel in een brief van 6 augustus 2003 aan de redactie kenbaar gemaakt. Toen hij daarop geen reactie ontving, heeft hij verweerder op 19 november 2003 een brief gestuurd en verzocht om een reactie. Klager heeft echter niets van verweerder vernomen. Het uitblijven van een reactie ervaart hij als schofferend.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het artikel gaat in hoofdzaak over de ervaringen van pastoor Van den Berg. In dat verband is ook over klager bericht.

Volgens het vaste oordeel van de Raad dient een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan, hetgeen in het algemeen onder meer inhoudt het toepassen van wederhoor. In eerdere gevallen heeft de Raad geoordeeld dat een journalist óók wederhoor dient toe te passen, indien een betrokkene slechts zijdelings een rol speelt in de publicatie en daardoor wordt gediskwalificeerd (vgl. onder meer vgl. onder meer Willems tegen Lubbers en Beiler Courant, RvdJ 2004/09).

Klager wordt in het artikel onder meer getypeerd als een burgemeester die ‘kerk en staat minder goed weet te scheiden’. De Raad is van oordeel dat klager aldus zodanig wordt gediskwalificeerd in de uitoefening van zijn ambt, dat het op de weg van verweerder zou hebben gelegen hem vóór publicatie om commentaar te vragen. Verweerder had dit verzuim wellicht kunnen herstellen door na publicatie te reageren op klagers brieven. Nu verweerder ook dat heeft nagelaten, heeft hij grenzen overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in HP/De Tijd te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 1 maart 2004 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. A.C. Diamand, mw. E.H.C. Salomons en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-20