2004/18 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

B.H. van Wolde

tegen

de hoofdredacteur van De Haarlemmer

Bij brief van 30 oktober 2003 met drie bijlagen heeft B.H. van Wolde te Haarlem (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Haarlemmer (verweerder). Vervolgens heeft klager zijn klacht nader toegelicht in een brief die de Raad op 12 november 2003 heeft ontvangen. P. van der Vooren, hoofdredacteur, heeft op de brieven van klager gereageerd in een schrijven van 2 januari 2004. Klager heeft nog een pleitnota met zeven bijlagen aan de Raad doen toekomen, die de Raad op 26 januari 2004 heeft ontvangen. Daarop heeft Van der Vooren gereageerd in een e-mailbericht van 26 januari 2004.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 januari 2004 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op 28 november 2002 is in De Haarlemmer een artikel verschenen onder de kop “Protest tegen verbouwing Kennemerstraat helpt niet”. De intro van het artikel luidt:
De verbouwing voor opslag van kunstwerken in de Kennemerstraat mag doorgaan. Dat blijkt uit de uitspraak van de Raad van State in Den Haag. Het rechtscollege heeft het protest van de buurman afgewezen; hij is bang dat de toekomstige ruimte wordt gebruikt als feestzaal.
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages:
R. Grabijn heeft van de gemeente Haarlem een bouwvergunning gekregen om zijn dakbedekking aan de achtergevel te vervangen en een deur van 90 centimeter breed te maken.
en
De buurman van Grabijn, B. van Wolde, is het niet eens met het bouwplan, omdat hij vindt dat het plan niet voldoet aan de bouwvoorschriften en omdat hij vermoedt dat Grabijn de ruimte zal gebruiken voor feesten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt, kort gezegd, dat in het artikel op onjuiste wijze aandacht is besteed aan de uitspraak van de Raad van State. Hij heeft na de publicatie aan de redactie van De Haarlemmer stukken over de kwestie gestuurd. Aan die stukken is ten onrechte geen aandacht besteed, aldus klager. Verder stelt hij dat zijn privacy is geschonden, nu zijn naam in het artikel is vermeld.

Verweerder stelt dat klager pas telefonisch contact met de redactie heeft opgenomen, nadat het artikel in maart 2003 door een wijkkrant was overgenomen. Een redactrice deelde klager mee dat het artikel was gebaseerd op de uitspraak van de Raad van State en dat zij geen aanleiding zag redactioneel op de zaak terug te komen. Zij betwijfelde of het zinvol was om nog eventueel door middel van een ingezonden brief van klager aandacht aan de kwestie te besteden, hetgeen zij aan klager heeft meegedeeld. Vervolgens heeft klager de redactie stukken gestuurd die betrekking hadden op eerder gevoerde rechtszaken. Omdat de redactie ook in die stukken geen reden zag nogmaals over de zaak te berichten, zijn de stukken voor kennisgeving aangenomen. Naar aanleiding van een brief van klager van 21 september 2003 en telefonisch contact met hem op 20 oktober 2003, heeft verweerder voorts in een brief van 21 oktober 2003 aan klager uiteengezet, waarom hij naar zijn mening correct heeft gehandeld.
Volgens verweerder is het gebruikelijk bij verslagen van strafrechtzittingen de namen van verdachten in principe niet te vermelden. Bij verslaggeving over een procedure bij de Raad van State is het soms nodig namen van betrokkenen en straatnamen te vermelden, om aan de lezer enigszins duidelijk te maken waarover een bepaalde zaak gaat, aldus verweerder. Hij meent dat hij niet onzorgvuldig heeft gehandeld door klagers naam in het artikel te vermelden.
Van onjuiste berichtgeving is naar het oordeel van verweerder geen sprake. Hoewel klager zich niet kan vinden in de uitspraak van de Raad van State, blijkt nergens dat hij van mening is dat de Raad van State zijn oordeel heeft gebaseerd op onjuiste informatie.
Ten slotte stelt verweerder dat het niet opportuun is om, nadat klager tot driemaal toe in het ongelijk is gesteld, de kwestie nogmaals in de krant aan de orde te stellen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klager stelt weliswaar dat de uitspraak van de Raad van State in het artikel van 28 november 2002 onjuist is weergegeven, maar vergelijking van uitspraak en artikel maakt duidelijk dat dat niet het geval is: op de weergave valt niets aan te merken. Wat klager dan ook blijkbaar bedoelt te zeggen, is dat die uitspraak onjuist is, onder meer omdat daarin sprake is van een lichtstraat in de dakbedekking van het pand van zijn buurman die er in werkelijkheid niet is. Dat is echter niet een kwestie waarover bij de Raad voor de Journalistiek kan worden geklaagd (vgl. X tegen De Twentsche Courant Tubantia, RvdJ 2000/42).

Anders dan klager meent, behoefde verweerder geen aandacht te besteden aan de hem door klager toegestuurde stukken die betrekking hebben op het geschil met de buurman. Naar het vaste oordeel van de Raad is in het kader van verslaggeving betreffende terechtzittingen de regel van hoor en wederhoor niet aan de orde. Onder bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn, maar van bijzondere omstandigheden is hier geen sprake (zie onder meer: X tegen Kooistra, RvdJ 2004/12 en Stichting Ecobel tegen Boonstra en de Zwolse Courant, RvdJ 2002/38).

Als het gaat om een verslag van een openbare terechtzitting in een civielrechtelijke of – zoals hier het geval is – bestuursrechtelijke procedure, bestaat naar het oordeel van de Raad in het algemeen geen bezwaar tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen (vgl. onder meer: X tegen de Haagsche Courant, RvdJ 2000/16). In sommige gevallen – te denken valt bijvoorbeeld aan familiezaken – kan het belang van een partij om zoveel mogelijk onherkenbaar te blijven zo zwaar wegen dat van het vermelden van de (volledige) naam moet worden afgezien, maar van een dergelijk zwaarwegend belang aan de zijde van klager is hier niet gebleken.

Het geheel overziend komt de Raad dan ook tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Haarlemmer te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 1 maart 2004 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, drs. G.H.J.M. Bueters, mw. A.C. Diamand, mw. E.H.C. Salomons en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-18