2004/12 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

J. Kooistra (Friesch Dagblad)

Bij brief van 31 oktober 2003 met drie bijlagen heeft X (klager) een klacht ingediend tegen J. Kooistra (verweerder). Klager heeft zijn klacht nader toegelicht bij faxbericht van 17 november 2003 met drie bijlagen. In een schrijven van 20 november 2003 met twee bijlagen heeft G. Last, chef regioredactie, op de klacht gereageerd. Vervolgens heeft klager nog stukken gestuurd op 21, 24, 25 en 26 november 2003 en op 1, 8, 9 en 10 december 2003. Verweerder heeft op 25 november 2003 en 5 december 2003 nog stukken overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 december 2003 in aanwezigheid van klager. Verweerder is daar niet verschenen.

Naar aanleiding van de ontstentenis van een der leden van de Raad, heeft klager desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 29 oktober 2003 is in het Friesch Dagblad een artikel van de hand van Kooistra verschenen onder de kop “Jaar cel geëist wegens stalking – Man ‘streed tegen onrechtvaardigheid’”. In het artikel komt onder meer de volgende passage voor:
Sinds 1980 strijdt de verdachte, een arts, tegen wat hij noemt ,,destructieve geloofsvormen, kwakzalverij en gedegenereerde onrechtvaardigheid”. Dat gebeurt in de vorm van het versturen van post, bekladding met bijbelteksten op naambordjes en telefoontjes.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat het artikel onjuistheden bevat. Zo is niet juist dat hij meer dan één naambordje heeft beklad. Daarnaast zijn hem ten onrechte woorden in de mond gelegd die hij niet heeft gezegd, aldus klager. Hij heeft het op de zitting van de rechtbank niet gehad over ,,destructieve geloofsvormen, kwakzalverij en gedegenereerde onrechtvaardigheid”, zoals in het artikel is vermeld. Volgens klager is ook de officier van justitie verkeerd geciteerd. Ten slotte klaagt hij dat in het artikel ten onrechte niets is opgenomen van hetgeen hij ter verdediging ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.
Omdat klager de gemaakte fouten zeer ernstig vindt, heeft hij een voorstel van verweerder om over een eventuele rectificatie te overleggen afgewezen en de Raad verzocht zijn klacht te beoordelen.

Last stelt voorop dat klager verdachte was in een openbare rechtszaak. Kooistra heeft de behandeling van die zaak bijgewoond en daarvan verslag gedaan.
Last erkent dat de term ‘naambordjes’ niet juist was. Hij is bereid dat te rectificeren. Een voorstel hiertoe heeft hij op 14 november 2003 aan klager gestuurd. In die brief heeft hij onder meer geschreven:
Mijn voorstel is een rectificatie te plaatsen die luidt als volgt: (...) heeft niet meerdere naambordjes beklad met bijbelteksten. Dat heeft ten onrechte in het Friesch Dagblad van 29 oktober jl. gestaan. Het ging slechts om één geval. Ook heeft de man niet de woorden ,,destructieve geloofsvormen, kwakzalverij en gedegenereerde onrechtvaar-digheid” uitgesproken. Een tweede afspraak is, dat u geheel vrijblijvend een artikel mag aanbieden aan het Friesch Dagblad.
Volgens Last kon met het publiceren van de rectificatie de zaak worden afgedaan, maar heeft klager het rectificatievoorstel afgewezen. Vervolgens heeft hij klager verzocht zijn bezwaren inhoudelijk te beargumenteren en puntsgewijs aan te geven waar het artikel onjuist is, zodat hij daar adequaat op zou kunnen reageren.
In een brief van 5 december 2003 heeft L. Kooistra, hoofdredacteur, nogmaals aan klager voorgesteld de zaak te bespreken en in onderling overleg een rectificatietekst vast te stellen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Volgens het vaste oordeel van de Raad is in het kader van rechtbankverslaggeving niet ontoelaatbaar dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. Verweerder was niet gehouden om in het artikel geheel of gedeeltelijk weer te geven wat klager ter terechtzitting heeft aangevoerd (vgl. onder meer: X tegen Zwolse Courant, RvdJ 2003/33).

Voor zover het artikel onjuistheden bevat, is geen sprake van ernstige onzorgvuldigheden. Nu klager voorts ter zake adequate voorstellen tot rectificatie c.q. overleg zijn gedaan, die hij heeft afgewezen, komt de Raad tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Friesch Dagblad te (laten) publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 27 januari 2004 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mr. A. Herstel en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-12