2004/100 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

mr. Ph.W. Schreurs

tegen

de hoofdredacteur van Quote

Bij brief van 2 november 2004 met vier bijlagen heeft mr. Ph. W. Schreurs te Maastricht (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Quote (verweerder). Hierop heeft E. Smit, adjunct-hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 2 december 2004 met twee bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 3 december 2004, waar Schreurs en Smit zijn verschenen en hun standpunten nader hebben toegelicht, Schreurs aan de hand van een pleitnotitie.

DE FEITEN

In het tijdschrift Quote is in het oktobernummer van 2004 een artikel verschenen onder de kop “Creatief met curatoren”. Het artikel is op de cover aangekondigd met de tekst “Mr. Plunderaar – Hoe curatoren de zakken vullen na een faillissement” en in de inhoudsopgave als volgt:
Creatieve curatoren – In 2003 boekte Nederland een recordaantal faillissementen. Het curatorengilde voer er wel bij. Maar krijgt ook steeds vaker kritiek te verduren. ‘Voordat je het weet heb je te maken met een door de staat betaalde crimineel.’
De intro van het artikel luidt:
Vorig jaar boekte Nederland een nieuw bankroetrecord. Kassa dus voor de curatoren. Maar hun imago vertoont steeds meer krassen als gevolg van al te creatief declaratiegedrag en zelfverrijking. ‘Valt er wat te halen in een faillissement, dan is een curator net een aasgier. Hij blijft rustig wachten tot de volgende prooi zich aandient.’
Onder het kopje ‘Lijkenpikker’ wordt M. van Deursen aan het woord gelaten over de afwikkeling van het faillissement van het concern van zijn vader. Verder is advocaat mr. M. Fruytier, die volgens het artikel de zaak al langere tijd volgt, om een reactie gevraagd. Klager is curator in het faillissement van Van Deursen. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
Vooral over de afwikkeling van de boedel op een van Van Deursens Belgische bedrijven hebben Schreurs en de later bij de zaak betrokken curator Cor Mattheussens heel wat uit te leggen. Met toestemming van de rechter-commissaris leggen ze, in een een-tweetje met de Belgische justitie, beslag op een woonhuis dat toebehoort aan de vennootschap.
en
Advocaat Gerard Spong slaagt er bij de Nederlandse rechtbank in Van Deursens onschuld te bewijzen, maar Schreurs laat zich niet terugfluiten.
en
Voor Fruytier staat vast dat Schreurs en Mattheussens in strijd met de Faillissementswet hebben gehandeld. 'Schreurs heeft de rechtbank bewust verkeerd voorgelicht over de bestuursaansprakelijkheid van Van Deursen senior. (...) Maar de twee curatoren hebben meer op hun kerfstok staan, vertelt Fruytier. ‘Schreurs en Mattheussens hebben een destijds door Van Deursen afgekochte vordering uit de boedel gedrukt voor 1 gulden. (...) Bovendien hebben ze het onroerend goed, dat twee miljoen gulden waard was, voor vijf ton verkocht.’ En daarmee is een gedeelte van de koopsom niet in de boedel verantwoord.
Dit najaar moeten curatoren Schreurs en Mattheussens en rechter-commissaris Detmers zich voor de Amsterdamse Ondernemerskamer verantwoorden over de gang van zaken.

en
Schreurs, die is overgeplaatst naar Maastricht, is zich van geen kwaad bewust. De voortslepende faillissementszaak wijt hij aan ‘juridisch spektakelgedrag’, zo liet hij eerder aan Quote weten. ‘Ik heb de bestuurders wegens onbehoorlijk bestuur voor het tekort in de boedel aansprakelijk gesteld. De zaak is zo klaar als een klontje. Als er niet zoveel tegen mij geprocedeerd zou zijn, waren we er allang uit geweest.’ Fruytier reageert schamper. ‘De enige die maar doorprocedeerde, was Schreurs. Hij is een goede advocaat met borderlinegedrag. Omdat hij in de regel gewend is gelijk te krijgen, gaat hij tot over het randje. En de rechter-commissaris – die overigens een collega is van Schreurs’ echtgenote – laat hem zijn gang gaan.’ Nog zwartgalliger is Van Deursen junior: ‘Schreurs heeft de boel lekker zitten rekken. En ondertussen maar op een pot met goud zitten.’Verwacht van hem geen mild oordeel over het beroep van curator. ‘Valt er wat te halen in een faillissement, dan is een curator net een aasgier. Hij blijft rustig wachten tot de volgende prooi zich aandient.’

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat het artikel een groot aantal onjuistheden bevat. Hij betwist dat hij ooit in strijd met de faillissementswet heeft gehandeld. Verder is onder meer onjuist dat hij is teruggefloten, dat hij de rechtbank verkeerd heeft voorgelicht en dat hij bedragen niet verantwoord heeft. Ter ondersteuning van zijn stellingen heeft klager vrij uitvoerig de gang van zaken rond de faillissementen van Van Deursen geschetst. Onjuist is voorts de bewering dat hij zich dit najaar moet verantwoorden voor de Amsterdamse Ondernemerskamer. Bovendien is hij niet ‘overgeplaatst’ naar Maastricht, maar is hij op verzoek van zijn kantoor daar bezig een insolventie-praktijk op te bouwen.
Klager stelt dat hij een van de initiatiefnemers is van een transparantere verslaglegging door curatoren. Hij is lid van de desbetreffende driehoofdige Best Practice werkgroep die daartoe overleg heeft geïnitieerd met Recofa, het landelijk overleg van rechters-commissarissen Insolventies, en waarvan de werkzaamheden hebben geleid tot nieuwe faillissements-richtlijnen.
Verder stelt klager dat in september 2003 een journalist van Quote, A. Groot, heeft gewerkt aan een artikel over de door hem beheerde faillissementen. Klager is daar destijds uitvoerig op ingegaan en heeft Groot toen gewezen op een aantal feitelijke onjuistheden in het conceptartikel. Voor zover klager bekend, is dat artikel destijds niet geplaatst. Sinds de correspondentie en gesprekken die hij met Groot heeft gevoerd is geruime tijd verstreken. Inmiddels heeft hij bijvoorbeeld de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure gewonnen, waarover in het artikel wordt gesproken. Een belangrijk deel van de feiten die nu in het artikel aan de orde zijn gesteld dateren in ieder geval van na zijn correspondentie en gesprekken met Groot, aldus klager. Hij is nu echter niet in de gelegenheid gesteld om zijn visie te geven op de in het artikel gestelde feiten. Volgens klager heeft verweerder aldus ten onrechte nagelaten hem wederhoor te bieden. Ter zitting voegt klager daaraan toe dat hij weliswaar eind juli/begin augustus 2004 met vakantie was, maar wel bereikbaar. Hij is echter nimmer per (mobiele) telefoon of per e-mail benaderd met een verzoek om terug te bellen, ook niet in de weken voor en na zijn vakantie. Klager wijst erop dat het artikel pas eind september 2004 is verschenen en dat al zijn telefoonnummers en e-mailadressen bij verweerder bekend zijn. Verder stelt klager dat het artikel van juni 2002 niet inhoudelijk gaat over de faillissementen van Van Deursen en dat na het verschijnen daarvan diverse relevante voorvallen hebben plaatsgevonden.
Voorts stelt klager dat het artikel tal van nodeloos grievende kwalificaties bevat, zoals ‘mr. Plunderaar’, ‘een door de staat betaalde crimineel’, ‘zelfverrijking’, ‘aasgier’ en ‘lijkenpikker’. Die kwalificaties zijn ten onrechte ook op hem gericht, aldus klager.
Ten slotte merkt hij op dat hij naar aanleiding van het artikel op 30 september 2004 een ingezonden brief aan verweerder heeft gestuurd, die niet is geplaatst.

Verweerder stelt dat met het artikel is beoogd duidelijk te maken dat de faillissementswet niet goed werkt. In het artikel is bewust het accent gelegd op het zakelijke en soms menselijke drama waarin sommige failliete zakenmensen terechtkomen als ze te maken krijgen met een curator. Verweerder heeft dan ook door de bril van de gefailleerden naar de zaken gekeken. Enkele zaken waarop hij is gestuit, zijn in het artikel beschreven. Het betreft hier complexe zaken die zich moeilijk in een beperkt aantal woorden laten vervatten. Verweerder heeft ervoor gekozen een beknopte uitleg te geven over de juridische aspecten van de zaken, waarbij generalisaties zijn gemaakt. Het gaat om de context van de verhalen.
Volgens verweerder zijn ook de misstanden inzake klager en de manier waarop deze de faillissementen van Van Deursen heeft afgewikkeld niet eenvoudig te beschrijven. Voor verweerder staat echter vast dat klager in die faillissementen niet correct heeft gehandeld. Ter ondersteuning van deze stelling heeft verweerder uitvoerig uiteengezet, welke misstappen klager naar zijn mening heeft begaan in de afwikkeling van de faillissementen van Van Deursen. Volgens verweerder is het meeste van hetgeen in het artikel is gesteld over klager en diens rol in de faillissementen van Van Deursen wel juist. Verweerder heeft gebruik gemaakt van diverse bronnen, waaronder vonnissen, verzoekschriften van advocaten, briefwisselingen tussen rechters-commissarissen en advocaten, en faillissementsverslagen van curatoren, waaronder die van klager. Voor uitleg van deze stukken heeft verweerder zich laten bijstaan door enkele advocaten, onder wie de in het artikel genoemde mr. Fruytier.
Verweerder erkent dat de bewering dat klager zich dit najaar voor de Amsterdamse Ondernemerskamers zou moeten verantwoorden onjuist is. Verder kan hij zich vinden in de uitleg van klager dat geen sprake is van een ‘overplaatsing’ naar Maastricht in de zin dat klager op last van zijn werkgever naar Maastricht moest verhuizen. Overigens is verweerder van mening dat de term ‘overplaatsen’ een neutrale betekenis heeft.
In de samenvatting over de faillissementen van Van Deursen zijn derhalve inderdaad enkele fouten gemaakt. Die zullen worden rechtgezet in het januarinummer van 2005.
Wat betreft het toepassen van wederhoor stelt verweerder dat weldegelijk pogingen daartoe zijn ondernomen. Eind juli/begin augustus 2004 bleek klager echter niet op kantoor aanwezig te zijn. Vandaar dat redacteur Reeskamp het in april 2002 gemaakte telefonische interview van Smit met klager in het artikel heeft opgenomen. Smit heeft in juni 2002 een kort artikel over de door klager beheerde faillissementen gepubliceerd. In die tekst is een reactie van klager verwerkt in de vorm van enkele citaten. Reeskamp heeft de bewaarde aantekeningen van het uitgeschreven gesprek tussen Smit en klager verwerkt in het artikel. Reeskamp had naar zijn mening voldoende kennis voorhanden. Aangezien hij nagenoeg geen juridische nieuwsfeiten heeft verwerkt die dateren na 2002, bestond geen noodzaak om bij klager alsnog een reactie te vragen. Had Reeskamp dat wel gedaan, dat was de kans groot geweest dat klager hetzelfde commentaar had gegeven als in 2002. Overigens heeft Reeskamp geen gebruik gemaakt van notities van Groot, wiens artikel inderdaad nooit is gepubliceerd. Ter zitting heeft Smit erkend dat Reeskamp te weinig pogingen heeft ondernomen om in contact te komen met klager. Dat is spijtig, maar een weerwoord van klager zou er niet toe hebben geleid dat de feiten anders zouden zijn opgetekend, aldus Smit.
Verder stelt verweerder dat de door klager aangehaalde kwalificaties niet van toepassing zijn op klager, maar op andere omstreden curatoren of op het beroep van curator. Overigens heeft klager nooit een reactie gegeven op het artikel van juni 2002, terwijl in die tekst wel een aantal kwalificaties zijn vermeld die op hem betrekking hebben.
Verweerder stelt ten slotte dat de ingezonden brief van klager niet op tijd in behandeling is genomen en hij biedt daarvoor zijn verontschuldigingen aan. De klachten van klager zullen in Quote in het januarinummer van 2005 in verkorte vorm worden gepubliceerd, voorzien van een naschrift.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
1. het artikel bevat feitelijke onjuistheden;
2. er is onvoldoende wederhoor toegepast;
3. het artikel bevat nodeloos grievende kwalificaties.

Wat betreft onderdeel 1. overweegt de Raad dat ter zake van de meeste door klager gestelde feitelijke onjuistheden de standpunten van partijen lijnrecht tegenover elkaar staan. Aangezien geen materiaal voorhanden is, op grond waarvan de Raad kan vaststellen welk standpunt juist is, moet de klacht op dit punt ongegrond worden verklaard.
Dat geldt echter niet voor de beweringen dat klager zich dit najaar voor de Amsterdamse Ondernemerskamer moet verantwoorden en dat hij is overgeplaatst naar Maastricht. Verweerder heeft erkend dat die beweringen niet juist zijn, zodat de klacht voor zover gericht tegen die beweringen gegrond is. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat de gemiddelde lezer de term ‘overplaatsten’, zeker gelet op de context, zal kunnen opvatten in de negatieve zin betekenis van het woord, te weten dat klager zijn werkzaamheden op last van zijn werkgever bij wijze van sanctie elders heeft moeten voortzetten.

Het artikel bevat een groot aantal zeer ernstige beschuldigingen aan het adres van klager. Zo wordt over hem onder meer beweerd dat hij in strijd met de faillissementswet heeft gehandeld en de rechtbank bewust verkeerd heeft voorgelicht.
Volgens het vaste oordeel van de Raad dient een journalist bij het publiceren van ernstige beschuldigingen - waaronder ook moet worden verstaan het weergeven van van derden afkomstige verwijten, als waarvan hier sprake is - met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan. Die bijzondere zorgvuldigheid brengt in het algemeen onder meer mee dat wederhoor dient te worden toegepast.
Verweerder heeft gesteld dat redacteur Reeskamp tevergeefs heeft getracht klager telefonisch te bereiken in de periode eind juli/begin augustus 2004. Klager heeft daartegenover gesteld dat hij in de periode weliswaar wegens vakantie niet op kantoor aanwezig was, maar dat hij wel bereikbaar was. Ter zitting heeft Smit erkend dat Reeskamp onvoldoende pogingen heeft ondernomen om contact op te nemen met klager. Verder heeft Smit aangevoerd dat toepassing van wederhoor waarschijnlijk niet zou hebben geleid tot een andere weergave van de feiten, omdat de kans groot was dat klager dezelfde reactie zou hebben gegeven als in 2002, en die reactie is in het artikel opgenomen. Echter, de enkele veronderstelling dat van klager geen relevante informatie te verwachten was, rechtvaardigt niet dat verweerder niet meer pogingen heeft ondernomen om van klager nieuwe informatie te verkrijgen c.q. reeds bekende informatie bij hem te verifiëren. Verweerder had niet mogen volstaan met het opnemen van een citaat van klager uit 2002, maar had hem in de gelegenheid moeten stellen zijn huidige visie op de zaak te geven. Onderdeel 2 van de klacht is derhalve gegrond.
(vgl. onder meer: Van der Veen/Middelburg en Het Parool, RvdJ 2000/13)

Op de cover, in de inhoudsopgave en in de intro van het artikel zijn curatoren in het algemeen aangeduid als ‘mr. Plunderaar’, ‘een door de staat betaalde crimineel’ en ‘aasgier’. In de intro wordt verder over curatoren in het algemeen vermeld dat ‘hun imago steeds meer krassen vertoont als gevolg van al te creatief declaratie gedrag en zelfverrijking’. Het betoog van verweerder dat deze aanduidingen en beweringen niet mede op klager slaan, kan niet worden gevolgd. De aanduidingen en beweringen over curatoren in het algemeen moeten worden geacht in ieder geval te slaan op klager als een van de met name in het artikel besproken curatoren. Daarnaast wordt klager in het bijzonder aangeduid als ‘lijkenpikker’ en ‘aasgier’.
Dit zijn zeer grievende kwalificaties, die klager in diens beroepsuitoefening diskwalificeren. Publicatie van dergelijke kwalificaties vereist een deugdelijke grondslag, en die ontbreekt hier.
Het staat verweerder niet vrij klager, zonder deugdelijk bewijs voor die stelling, neer te zetten als een ‘crimineel’, een ‘lijkenpikker’, een curator die zichzelf op onheuse wijze ten koste van anderen verrijkt: iedere aanwijzing dat klager terecht als zodanig is aangeduid ontbreekt in het artikel. Ook op dit punt heeft verweerder derhalve grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
(vgl. onder meer: Heidstra en CITT b.v. tegen De Witt en de Roskam, RvdJ 2004/73 en mr. Aerts en mr. Oosterdijk tegen Groot en het Algemeen Dagblad, RvdJ 2003/04)

BESLISSING

Alleen voor zover de klacht is gericht tegen een aantal feitelijke onjuistheden is deze ongegrond. Voor het overige is de klacht gegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Quote te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 21 december 2004 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, prof. mr. W.D.H. Asser, drs. C.M. Buijs, mw. A.C. Diamand, en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.