2004/10 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

P. Leusink en de Stichting ter Bevordering van Seksuologie in de Huisartspraktijk

tegen

de hoofdredacteur van Medisch Contact

Bij brief van 29 oktober 2003 met vijf bijlagen heeft P. Leusink mede namens de Stichting ter Bevordering van Seksuologie in de Huisartspraktijk, gevestigd te Gouda, (klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Medisch Contact (verweerder). Hierop heeft B.V.M. Crul, hoofdredacteur, gereageerd bij brief van 18 november 2003.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 december 2003 buiten aanwezigheid van partijen.

In verband met de ontstentenis van een der leden van de Raad is de klacht behandeld door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 17 oktober 2003 is in Medisch Contact nr. 42 een artikel onder de kop “NHG ontstemd over richtlijn” verschenen. De intro van het artikel luidt:
Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) is ontstemd over de richtlijn ‘erectiestoornis’ van de Stichting ter bevordering van de seksuologie in de huisartsenpraktijk (SBSH). Volgens de stichting is de richtlijn vergelijkbaar met de NHG-standaarden. Het NHG vindt van niet.
Volgens het artikel heeft de Stichting ter Bevordering van Seksuologie in de Huisartspraktijk (verder: de stichting) haar richtlijn op een kaartje verspreid en in haar aanbiedingsbrief aan de huisartsen geadviseerd het kaartje in de standaardenmap van het NHG te bewaren. Het kaartje van de stichting lijkt, aldus het artikel, qua vormgeving op de samenvattingskaarten van de NHG-standaarden. Het artikel bevat verder onder meer de volgende passage:
Assendelft [hoofd van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschapsbeleid van het NHG] zet vragen bij de financiering van de verspreiding van het kaartje. ‘Alle huisartsen hebben het toegestuurd gekregen. Dat riekt naar inmenging van de farmaceutische industrie.’ Peter Leusink, secretaris van de SBSH, windt er desgevraagd geen doekjes om: ‘Wij worden gefinancierd door tal van farmaceutische bedrijven. Maar het geld is niet geoormerkt.’
Leusink, die zegt het standpunt van het NHG nog niet te kennen, noemt de gelijkenis in de vormgeving een ‘gewaardeerde knipoog’ naar het genootschap: ‘We willen natuurlijk dat de richtlijn wordt gelezen. Daarom hebben we voor het geplastificeerde A5-formaat gekozen.’
Dat het NHG benieuwd is naar de onderbouwing, vindt hij positief. ‘Die kunnen we in no time overleggen. Maar je mag niet van een handvol enthousiastelingen verwachten dat zij voor de onderbouwing voldoen aan de NHG-normen. We hebben gewoon onze expertise willen delen met onze collega’s. Twee jaar geleden hebben we aan het NHG voorgesteld samen een richtlijn op te stellen, maar dat kon niet. Het NHG maakt geen nieuwe richtlijnen meer omdat ze eerst de oude willen updaten.’

Aan het slot van het artikel worden verder nog R. Kropman, voorzitter van de Wetenschappelijke Vereniging voor Seksuele Disfuncties, en B.J. de Boer, medeopsteller van de richtlijn en penningmeester van de stichting, aan het woord gelaten.

Voorafgaand aan de publicatie heeft E. Pronk, redacteur van Medisch Contact, telefonisch contact gehad met Leusink. Na dit gesprek heeft Leusink Pronk op 12 oktober 2003 een e-mail gestuurd, die onder meer de volgende passage bevat:
...deze argumenten doen mij besluiten u geen toestemming te verlenen ons gesprek te publiceren. Deze weigering betreft élke vorm van verslaglegging (...). De volgende reactie in deze kwestie mag u wel publiceren:
Begin verklaring: De Stichting Seksuologie in de Huisartspraktijk is tot datum van deze brief niet op de hoogte van het standpunt van het NHG betreffende de Richtlijn Erectiestoornis en wenst niet met Medisch Contact hierover in discussie te gaan. Einde verklaring.

Hierop heeft Pronk gereageerd in een e-mail van 13 oktober 2003, waarbij hij Leusink in de gelegenheid heeft gesteld het conceptartikel in te zien en feitelijke onjuistheden recht te zetten. Vervolgens heeft Leusink Pronk diezelfde dag in een e-mail onder meer geschreven:
De gedane uitspraken zijn gedaan in alle vrijheid en ik heb ook geen behoefte om welke uitspraak dan ook terug te nemen. Het is dus dan ook niet de inhoud die ik niet terug zou willen zien in een artikel (de door u gebruikte citaten zijn correct), maar het is de vorm die mij niet aanspreekt. De essentie is dat wij niet op de hoogte zijn van het standpunt van het NHG (nog steeds niet) en dat er toch al een discussie start via een tijdschrift. Dit zou tot escalatie van een conflict kunnen leiden of tot eenzijdige beeldvorming. (...) dat u wederhoor toepast vind ik zeer correct. Maar, en dat is de crux, ik ga dan mee in een wijze van communicatie die door een ander is gestart en die niet de mijne is. Het is dus niet dat u uw werk niet goed doet, maar ik wens niet op die wijze te communiceren met het NHG. (...) Concluderend, ondanks uw goede intenties, blijf ik bij mijn standpunt en refereer ik aan de verklaring zoals u die heeft ontvangen.

Direct na de publicatie heeft Leusink Pronk in een e-mail gevraagd, waarom hij zich niet van publicatie onthouden heeft, nu hij geen toestemming heeft gegeven voor die publicatie. In zijn reactie van 20 oktober 2003 heeft Pronk Leusink onder meer meegedeeld:
Uw ongenoegen over de gang van zaken bleek te berusten op de communicatie tussen het NHG en u. Daar sta ik verder buiten. Als ik mijn werk goed gedaan heb, is er geen reden om het stuk niet te publiceren. Dat u later terug kwam op wat u eerder heeft gezegd, doet daar niets aan af. Het gaat mij om de correcte weergave van de feiten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers betogen – samengevat – dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, door zonder toestemming de inhoud van het telefoongesprek tussen Leusink en Pronk te publiceren. Pronk heeft volgens hen weliswaar op juiste wijze wederhoor toegepast, inzage in de concepttekst verleend en Leusink juist geciteerd, maar zij betogen dat Pronk zijn journalistieke werk ook correct zou hebben verricht als hij zou hebben volstaan met publicatie van de verklaring van de stichting. Volgens klagers is het vereiste van toestemming voor publicatie besloten in het begrip ‘journalistieke werkwijze’ en wordt dit gewaarborgd door het inzagerecht, op grond waarvan een geïnterviewde de mogelijkheid heeft terug te komen op gedane uitspraken. Als Leusink niet kon terugkomen op toestemming voor publicatie van een interview, dan heeft Pronk Leusink daarop ten onrechte niet gewezen, aldus klagers.
Verder stellen zij dat de berichtgeving onvolledig is, omdat de kern van het betoog van klagers – dat zij toestemming hadden van het NHG om het kaartje in een andere kleur te publiceren – niet in het artikel is opgenomen. Leusink had Pronk toegezegd hierover nog een fax te sturen. Dit heeft hij alleen niet gedaan, omdat hij inmiddels op zijn toestemming tot publicatie was teruggekomen. Pronk wist dus dat zijn artikel onvolledig was, maar heeft dit niettemin gepubliceerd.
Klagers stellen dat door de handelwijze van verweerder hun belangen zijn geschaad. De samenwerkingsrelatie tussen de stichting en het NHG is aangetast, en de beeldvorming over de stichting is negatief beïnvloed. Verder betoogt Leusink dat hij vogelvrij is, als hij niet kan terugkomen op gedane uitspraken. Dit ervaart hij als een respectloze houding van een gezaghebbende organisatie tegenover een individu. Ten slotte stellen klagers dat verweerder onjuist heeft gehandeld, door niet vóór publicatie te reageren op het verzoek van Leusink om de inhoud van zijn gesprek met Pronk niet te publiceren.

Verweerder stelt dat Leusink zich ervan bewust was dat hij sprak met een journalist en dat zijn woorden zouden kunnen worden gebruikt voor het schrijven van een nieuwsbericht. Het stuk is vooraf aan Leusink voorgelegd en er staan geen feitelijke onjuistheden in.
Verder is het ter beoordeling van een redactie of een bericht al dan niet nieuws bevat, aldus verweerder. Een conflict over een tekst die alle huisartsen toegestuurd hebben gekregen, is voor Medisch Contact zonder meer nieuws. Zoals gebruikelijk in een kort nieuwsbericht, is alleen die achtergrondinformatie vermeld, die nodig was om het conflict te begrijpen. Volgens verweerder heeft hij terecht het standpunt van de ene partij aan de andere voorgelegd en omgekeerd.
Alles overziend kwam verweerder tot de conclusie dat plaatsing van het artikel de belangen van klagers niet zodanig zou schaden, dat daarvan moest worden afgezien. De ‘verklaring’ van de stichting was journalistiek oninteressant en publicatie daarvan zou meer kwaad dan goed hebben gedaan, aldus verweerder.
Hij stelt voorts dat het NHG de bewering van de stichting – dat toestemming was gegeven het kaartje in een andere kleur te publiceren – heeft tegengesproken. Omdat Leusink noch het NHG hun verklaring voor de deadline met bewijs heeft toegelicht, is daarvan in het artikel geen melding gemaakt.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In het artikel wordt bericht over het verspreiden van de zogenoemde Richtlijn Erectiestoornissen door de stichting en de commotie die daardoor kennelijk is ontstaan. In dat verband worden zegslieden van het Nederlands Huisartsen Genootschap en de Wetenschappelijke Vereniging voor Seksuele Disfuncties aan het woord gelaten. De stichting is in de gelegenheid gesteld op deze uitlatingen te reageren middels haar secretaris Leusink en penningmeester De Boer.

Het staat een redactie vrij te bepalen over welk onderwerp zij publiceert. Aard en inhoud van een publicatie kunnen wel meebrengen dat een journalist bij betrokkenen wederhoor dient toe te passen, alvorens tot publicatie over te gaan. Wederhoor heeft plaatsgevonden. Pronk heeft het artikel bovendien vooraf ter inzage aan Leusink gestuurd en hem in de gelegenheid gesteld eventuele onjuistheden te corrigeren.

Klagers hebben betoogd dat verweerder niet had mogen publiceren, omdat Leusink zijn toestemming tot publicatie had ingetrokken. Dit standpunt kan niet worden gevolgd. Publicatie van een citaat kan journalistiek onzorgvuldig zijn, indien het wordt gebruikt in een andere context dan die, welke de geïnterviewde mocht verwachten op grond van hetgeen hem door de interviewer is meegedeeld: de geïnterviewde moet geïnformeerd kunnen beslissen of hij aan een publicatie wil meewerken. Dit betekent dat een geïnterviewde opnieuw moet worden gevraagd of hij ermee instemt dat zijn uitlatingen worden gepubliceerd, indien de aard of de inhoud van de publicatie na het interview zozeer wordt gewijzigd, dat niet meer wordt voldaan aan dat wat de geïnterviewde mocht verwachten (vgl. onder meer: Top tegen Margriet, RvdJ 2003/46). Daarvan is hier echter geen sprake: Leusink was benaderd voor wederhoor en zijn uitlatingen zijn in die samenhang gepubliceerd. Verder kan publicatie van een citaat journalistiek onzorgvuldig zijn, indien de woorden van de geïnterviewde niet juist zijn weergegeven. Daartoe strekt de klacht echter niet.

De conclusie is dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.

De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Medisch Contact te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 27 januari 2004 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mr. A. Herstel en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.

Uitspraak 2004-10